19-05-08
House Of The Rising Sun
Voor Mie : een verzoeknummertje.
Kentucky - 15 september 1937
In de late zomer van 1937 stopte een oude auto op het pleintje van Noetown, een straatarm mijnwerkersdorpje in het oosten van Kentucky. De wagen zag er versleten uit - geen wonder na een rit op onberijdbare wegen door het gebergte van Kentucky.
Het gebeurde niet vaak dat hier vreemdelingen op bezoek kwamen. De meest nabije verharde weg ligt bijna 50 mijl verder. De nieuwsgierigheid haalde het van de achterdocht van de dorpelingen.
Een jong koppel stapte uit. De man legde uit dat hij Alan Lomax heette. Dat hij uit New York kwam en mensen zocht die oude liedjes zongen. Dat hij en zijn vader, John, authentieke opnamen verzamelen in voor het Archief van de Amerikaanse Folksong voor congresbibliotheek.
Alan had zich vooraf goed geïnformeerd en wist dat er in het huis van Tillman Cadle plaats was om zijn logge apparatuur op te stellen. Zijn Presto "reproducer" liep op een grote, zware batterij. Wanneer alles in gereedheid was gebracht kwamen enkele inwoners één na één zingen voor de machine. Een van hen was Mary Mast Turner, de vrouw van een mijnwerker. Ze had haar dochter meegebracht. Georgie was 16 en zong de hele dag, terwijl ze aan het werken was.
In het nasale accent van de streek zong ze haar favoriete liedje voor de Presto. Edward Turner, het neefje van Cadle, begeleide haar daarbij op zijn mondharmonica. Ze zong het trieste verhaal van een meisje dat verliefd was geworden op een foute jongen. Daardoor was ze terecht gekomen in een huis in New Orleans. En al wie daar belande was voor altijd verloren. Ze waarschuwde haar jonge zus ervoor daar nooit te gaan, naar dat huis met de opgaande zon.
Alan Lomax noteerde de song als 'Rising Sun Blues'.
Tijdens het vervolg van zijn tocht door de heuvels kwam Lomax nog twee muzikanten uit de streek tegen die ongeveer hetzelfde liedje zongen in zijn Presto. Bert Martin in Horse Creek begeleidde zichzelf daarbij op gitaar; Daw Henson in Billys Branch zong het a capella.
Enkele speculaties over de herkomst
In de jaren zestig lichtte Alan Lomax in The Penguin Book of American Folksongs toe "deze blues song over een mislopen meisje stamt waarschijnlijk af van een ouder Brits nummer. In ieder geval duikt een huis van de opgaande zon op in diverse aangebrande Engelse songs en de melodie is ere en van de vele van de oude, pikante ballad Little Musgrave."
'Little Musgrave And Lady Barnard' is de naam van Child Ballad #81, beter bekend bij rockfans als 'Matty Groves', zoals het heette bij Fairport Convention. Deze ultieme folk ballad over overspel en moord werd voor het eerst opgetekend in 1611.
De song heeft dus altijd in de erotische sfeer gezeten en het is dan ook niet te verwonderen dat men er van uitging dat het huis waarvan sprake een bordeel was. De plaats waar een jong meisje zich in het ongeluk kon storten.
Er is druk gezocht naar het huis in New Orleans. Er is sprake van een Rising Sun Hotel, maar dat brandde al af in 1822 - een eeuw voor het nummer voor het eerst opduikt.
Dan is er nog een huis in St Louis Street in het Franse buurt van New Orleans, waarvan de huidge eigenaars beweren dat dit het beruchte House of the Rising Sun was. Ene Marianne LeSoliel Levant zou er tussen 1862 en 1874 een bordeel hebben uitgebaat.
Anderen menen dan weer dat het geen bordeel was, maar een hal voor gokkers. Of een vrouwengevangenis: er zijn bouwplannen terug gevonden waarop een cirkelvormig raam te zien is boven de inkompoort. Dat zou dan de opkomende zon zijn.
Pamela D. Arceneaux van het Williams Research Center & Historic New Orleans Collection schreef in 2003 dat er geen enkel bewijs hard bewijs is om welk gebouw dan ook aan te duiden als "het" huis. Haar besluit is dat misschien "sometimes lyrics are just lyrics".
New York - 7 juli 1941
Alan Lomax publiceerde de tekst van 'Rising Sun Blues' voor het eerst in 1941, in zijn baanbrekende liedboek Our Singing Country. Hij nam de tekst van Georgie Turner als basis, maar noteerde daarbij dat "enkele regels" kwamen uit de versie van Bert Martin.
Datzelfde jaar trad hij ook op als producer van de opname van de song door The Almanac Singers. Dat was een los-vast collectief van linkse folkzangers: Woody Guthrie, Lee Hays, Millard Lampell, Pete Seeger. Ze waren begin 1941 gaan samenwerken om op te roepen dat de Verenigde Staten zich niet zou gaan mengen in de Tweede Wereldoorlog. Later voegden ook Agnes 'Sis' Cunningham, Peter Hawes, Lead Belly en Josh White zich bij de groep. Zowat iedereen die iets betekende in folkkringen van de jaren veertig dus. De groep was zo invloedrijk dat ze letterlijk hebben bepaald hoe American folk en protestsongs moesten worden gezongen.
De opnamen vonden plaats in de Reeves Sound Studios, in New York op 7 juli en warden later dat jaar uitgebracht op de derde 78 toeren plaat van de groep: Sod-Buster Ballads. Het was Woody Guthrie die daarbij 'Rising Sun Blues' zong. 
New York - februari 1942
Het volgende jaar nam de charismatische zwarte folkzanger Josh White een eigen versie op van 'House Of the Rising Sun'. Zijn tekst was anders dan die uit het songbook van Lomax. Hij zong het nummer vanuit een mannelijk standpunt, over een gokker. Hij was ook de eerste om de akkoorden in mineur te spelen in plaats van in majeur zoals tot dan gebruikelijk was. Kortom zijn versie was het prototype van de song zoals we die tegenwoordig kennen.
Het label Keynote bracht de versie van White in 1944 op de markt in een "binder-album", een set van vier 78-toeren platen.
Lomax was woedend. Hij vond het ongepast om ook maar iets te wijzigen aan een bestaande tekst of melodie. Maar White legde uit dat hij de song al veel langer kende. Als jongetje van tien trok hij rond met blinde zwarte muzikanten. Omstreeks 1923 hoorde hij het spelen door een "blanke hillbilly in North Carolina". Mogelijk was dat Clarence Ashley, die in die periode, in die streek rondtrok met zijn medicine show. Ashley is ook de man van 'The Coo Coo Bird' en 'The House Carpenter'.
Clarence "Tom" Ashley had de song al op 6 september 1933 opgenomen. Zijn zang en gitaar werden daarbij aangevuld door Gwen Foster op harmonica. De 78 toeren plaat verscheen in februari 1934 bij het Vocalion label. Ashley verklaarde later dat hij het nummer had geleerd van zijn grootvader, Enoch Ashley. De Ashley waren afkomstig uit Bristol, Tennessee - slechts een paar Smoky Mountains verwijderd van Middlesboro.
Uit dezelfde streek was ook Roy Acuff afkomstig. Acuff leerde het vak van Ashley en bracht ook een commerciële opname van de song uit vóór de veldopname van Lomax. Acuff legde zijn versie voor eeuwig vast op 3 november 1938. Deze 78 toeren verscheen in augustus 1939 bij Vo/OK.

New York - 20 november 1962
Toen Bob Dylan begin 1962 in New York arriveerde, was Dave Van Ronk daar de toonaangevende figuur. Niet voor niets droeg hij de bijnaam The Mayor of MacDougal Street. Dat was de straat in de New Yorkse buurt Greenwich Village waar iedere avond de artiesten mekaar verdrongen om hun ding te kunnen doen in een van de vele koffiehuizen.
Van Ronk had zijn gitaarstijl gebaseerd op de stijlen van Mississippi John Hurt en Reverend Gary Davies. Als een soort Nonkel Bob bracht hij iedereen die dat wou de basisbeginselen van het gitaarspel bij. "Painting is all about space," leerde hij zijn pupillen, "and music is all about time."
Maar ook op ander manieren stond hij beginnende folkzangers bij. De jonge Bob Dylan vond die eerste maanden dikwijls een slaapplaats in het appartement van de grote bebaarde man.
In zijn memoires wijdt Van Ronk bijna een heel hoofdstuk aan 'House of the Rising Sun'. Zo vertelt hij dat hij de song leerde van de Texaanse zangeres Hally Wood. En die had het nummer rechtstreeks gehaald bij de veldopname van Georgia Turner.
Dave werkte een geheel nieuw arrangement uit, waardoor hij ook de melodie een stuk attractiever maakte. Dat sloeg erg aan en bij ieder optreden vroeg het publiek hem om het nummer te spelen.
"[Bob Dylan en ik] hadden een vreselijke ruzie over 'House of the Rising Sun'" vertelt Van Ronk. "Hij was altijd al een spons, nam alles rondom hem in zich op. Hij pikte mijn arrangement van dat nummer. Voor dat hij de studio introk vroeg hij me, 'Hey Dave, vind je het erg als ik jouw versie van de Rising Sun gebruik?' Ik zei 'Wel, Bobby, Ik ga binnenkort zelf een plaat maken en ik zou het willen opnemen.'
Later vroeg hij me het opnieuw en ik antwoordde opnieuw dat ik het zelf wou gebruiken. 'Oeps, ik heb het net deze middag opgenomen en ik kan er niks meer aan doen, want Columbia wil het.'
Dat moet dan op 20 november 1962 gebeurd zijn. Die dag nam Dylan zijn debuut-LP op voor Columbia.
"Zo een twee maanden lang spraken we niet meer tegen elkaar, " gaat Van Ronk verder. "Ik moest stoppen met het nummer live te brengen omdat ik steeds opmerkingen kreeg uit het publiek in de aard van "Oh, je speelt dat nummer van Bob Dylan!"
Hij heeft zich nooit verontschuldigd en dat vind ik straf."

Londen - 18 mei 1964
Tot dan toe was 'The House Of the Rising Sun' nog steeds gewoon een van de vele folksong gebleven. Joan Baez, Odetta en Nina Simone brachten het allemaal uit. Maar het was een Britse groep die er een absoluut onvergetelijk nummer van zou maken.
The Animals waren een van de vele bands die het Britse clubcircuit afschuimden met hun mengeling van blues en rhythm and blues songs. Covers van de platen die Amerikaanse zeelui meebrachten uit het land van de onbegrensde mogelijkheden aan de andere kant van de oceaan. De naam "animals" hadden ze te danken aan hun wilde podiumfratsen.
De vijf leden waren Eric Burdon, een klein mannetje met een gigantische stem, toetsenist Alan Price, gitarist Hilton Valentine, drummer John Steel en bassist Bryan "Chas" Chandler. Allemaal waren ze afkomstig uit de buurt van Newcastle-upon-Tyne. Maar in navolging van The Beatles waren ze in 1964 naar Londen getrokken.
Daar versierden ze een platencontract bij Columbia Graphophone. De eerste single was 'Baby Let Me Take You Home' - eigenlijk een rockende versie van de bluesstandard 'Baby Let Me Follow You Down'.
Ze kregen de kans op in een package tour op tournee te gaan met Chuck Berry en Jerry Lee Lewis. Ze begrepen dat ze iets nodig hadden om op te vallen. Iets dat anders klonk dan wat die grote mannen uit Amerika zoveel beter deden.
Toen Eric Burdon Dylan's debuutplaat hoorde, herkende hij 'House of the Rising Sun' meteen. Het herinnerde hem aan een folkzanger uit Northumbria, Johnny Handle. Die zong in zijn stamcafé in Newcastle een repertoire over schipbreuken en mijnrampen. Maar het meest succes had hij steeds met die song over dat bordeel.
"Ik wist één ding: je kunt gewoon niet beter rocken dan Chuck Berry," legde Eric Burdon uit, "Ik dacht, 'Als we nu dat nummer eens nemen. We reorganiseren het een beetje, laten wat van Dylan's tekst vallen en maken een nieuw arrangement. "
Een stoere Noordelijke vent kan toch moeilijk zingen dat hij een meisje is. Maar Alan Price herinnerde zich een andere versie - die van Josh White. Daarbij was een jongen het slachtoffer van dat huis in New Orleans. En de rol van de gokker en dronkenlap verschoof van het vriendje naar de vader van de verteller.
Hilton Valetine kwam met het typische gitaarloopje op zijn Gretsch. Alan Price
voegde nog wat meer pit toe door een solo op zijn Vox Continental orgeltje. De inspiratie daarvoor haalde hij bij de hit 'Walk on the Wild Side' van jazzman Willie Smith.
Zo brachten ze het als laatste nummer in hun set. Dramatisch uitgelicht met één enkele rode spot op Burdon's gezicht. Succes verzekerd.
Drummer John Steel "We speelden in Liverpool op 17 mei. Daarna reden we naar London waar [producer] Mickie [Most] een studio had geboekt voor opnamen voor Ready Steady Go van ITV! Omwille van de goede respons die we kregen op 'Rising Sun', vroegen we om dat op te nemen. Hij zei: 'OK, we doen het aan het einde van de sessie.'
We zetten alles klaar, speelden een paar maten voor de geluidstechnicus - het was mono zonder overdubs - en we speelden het één keer."
Volgens Burdon beperkte de rol van Most zich tot goedkeurend knikken tijdens de sessie. "Alles zat juist," bevestigt Most, "Het stond er op een kwartiertje op, dus kan ik niet veel eer opstrijken voor de productie. Het was puur kwestie van de atmosfeer inde studio vast te leggen."
Steel gaat verder: "[Na afloop] luisterden we er nog eens naar en Mickie zei: 'Dat is het. Dat wordt de single.'"
De geluidstechnicus wees er op dat het veel te lang was voor een single. Met 4:29 werd de standaard drie minuten grens ruim overschreden. Zoiets was nog nooit gedurfd. Meer nog: het was technisch onmogelijk.
Maar in plaats van het in te korten, durfde Mickie het aan om te zeggen: 'Tegenwoordig hebben ze hele dunne groeven. We doen het toch.'"
Toen het singeltje in juni 1964 werd uitgebracht bleek de mengeling van folk en rock onmiddellijk aan te slaan - ondanks de lengte. Al snel stond het nummer op 1 in Engeland.
De Amerikaanse platenmaatschappij ging niet akkoord met het overschrijden van de drie minuten regel. Zoiets zou eenvoudigweg niet op de radio worden gedraaid. Toen de single daar in augustus verscheen was er stevig in geknipt zodat er nog 2:58 overbleven.
Dat bleek niet te hinderen: het was de sound die aansloeg. Bob Dylan verklaarde dat toen hij de versie van The Animals voor het eerst hoorde op de autoradio hij "uit de zetel van zijn auto" sprong van opwinding. Het klonk dan ook zoals nog nooit iets had geklonken. De Amerikaanse muziekcriticus Dave Marsh beschreef het in 1989 als de "eerste folk-rock hit. [Het klinkt] alsof ze de oude melodie hebben aangesloten op een stroomkabel."
Ralph McLean van de BBC gaat nog een stapje verder: Hij noemt het "een revolutionaire single" die "het gelaat van de moderne muziek voor eeuwig heeft veranderd." Inderdaad, het was misschien wel het zetje dat Bob Dylan nodig had om zijn gitaar in te pluggen - tot woede en frustratie van puristen als Alan Lomax, Ewan McColl en Pete Seeger.
Op 5 september stootte de single 'Where did our Love Go' van The Supremes van de top van de Amerikaanse hitlijsten. Het werd daarmee het eerste Britse nummer in twee jaar aan de top van de Amerikaanse hitlijsten die niet door Lennon en McCartney was geschreven. Op vijf weken werden er meer dan twee miljoen exemplaren van verkocht.
Maar het succes bracht ook de nodige problemen mee. Op het label stond aangegeven: "Trad., arranged Alan Price". Volgens de platenmaatschappij was er niet genoeg plaats om iedereen te vermelden. Niemand had daar een probleem van gemaakt, tot bleek dat alle royalty's dan ook alleen naar de toetsenist gingen. Hilton Valentine kreeg nooit een cent voor de simpele maar uiterst herkenbare riff waarop duizenden mensen hebben leren gitaarspelen. De spanningen liepen op en in mei 1965 stapte Price op om een solo carrière te beginnen.
The House of the Rising' in de versie van The Animals
'Rising Sun Blues' door Georgia Turner
There is a house in New Orleans they call the Rising Sun.
It's been the ruin of many a poor girl and me, O God, for one.
If I had listened what Mama said, I'd be at home today.
Being so young and foolish, poor boy, let a rambler lead me astray.
Go tell my baby sister never do like I have done
To shun that house in New Orleans they call the Rising Sun.
My mother she's a tailor, she sewed these new blue jeans.
My sweetheart, he's a drunkard, Lord, Lord, drinks down in New Orleans.
The only thing a drunkard needs is a suitcase and a trunk.
The only time he's satisfied is when he's on a drunk.
Fills his glasses to the brim, passes them around.
Only pleasure he gets out of life is hoboin' from town to town.
One foot is on the platform and the other one on the train.
I'm going back to New Orleans to wear that ball and chain.
Going back to New Orleans, my race is almost run.
Going back to spend the rest of my days beneath that Rising Sun.
Enkele naschriften
In 1963 ging Alan Lomax Georgia Turner opzoeken. Ze was nog steeds straatarm. Ze had veertien kinderen gebaard, waarvan er tien in leven waren gebleven. Hij zorgde er voor dat ze wat royalties kreeg. Hij legde haar uit dat het nummer was "gekaapt".
Uiteindelijk kreeg ze alles samen iets meer dan $117.
Georgia overleed in 1969. Ze was pas 48.
In 2007 werd in New York een boek uitgegeven, helemaal gewijd aan de geschiedenis van het nummer: Chasing the Rising Sun: The Journey of an American Song door Ted Anthony.
Op deze site kun je maar liefst 80 versies van House Of The Rising Sun binnen halen:
http://coco-vinyl.blogspot.com/2008/05/house-of-rising-sun.html
Jammer genoeg is die van Georgia Turner er niet bij. Gelukkig kun je hier van haar versie een stukje beluisteren:
http://www.rounder.com/index.php?id=album.php&catalog_id=6504
09:23 Gepost door Peerke in Favoriete songs | Permalink | Commentaren (9) | Email dit | Tags: nonkel bob, alan lomax, woody guthrie, the animals, bob dylan, folk-rock, protitutie, gevangenis, new orleans, georgia turner, kentucky, new york, the supremes, john lennon, paul mccartney, josh white, bordeel, ongeluk, gokken, almanac singers, pete seeger, clarence ashley, joan baez, odetta, nina simone, ewan mccoll, gitaar |
Facebook |
06-05-08
Frankie & Albert

Frankie & Albert
Het openingsnummer van Bob Dylan's Good As I Been To You is 'Frankie And Albert'. De song is een van de bekendste Amerikaanse murderballads. Het werd dikwijls opgenomen, zowel door blanke als zwarte uitvoerders.
De populariteit van het nummer kan het best worden geïllustreerd door de vele varianten die er van in omloop zijn.
In 1962 gaf ene Bruce Buckley een studie uit waarin hij 410 verschillende versies beschrijft van 'Frankie'. Bij sommigen heet het nummer 'Frankie and Albert', bij anderen 'Frankie and Johnnie' of soms gewoon 'Frankie'.
Hoewel er veel onderzoek is gedaan naar de oorsprong van het bluesnummer is de eigenlijke auteur niet meer te achterhalen.
Verfilmingen
Het verhaal werd ook verschillende keren verfilmd. Dat gebeurde voor het eerst in 1930, als Her Man met Helen Twelvetrees. Zes jaar later volgde Frankie and Johnnie met Helen Morgan.
Daarna is het lang stil. Het verhaal wordt terug opgepikt in de jaren zestig voor een van de slechtste Elvis films: Frankie And Johnny. De meest recente verfilming, met Al Pacino en Michelle Pfeiffer, bereikte de bioscopen in 1991.
Hoewel het oorspronkelijke verhaal zich afspeelt in het milieu van wat tegenwoordig zo netjes African Americans heet, worden in deze verfilmingen de hoofdrollen telkens door blanken vertolkt.
De feiten
Waarschijnlijk is het nummer geïnspireerd op een waar gebeurd drama in Chestnut Valley, de rosse buurt van St. Louis, Missouri.
Op 19 oktober 1899 meldde de St. Louis Post-Dispatch dat de 17 jaar oude Allen Britt woensdagnacht was overleden in het City Hospital. Vier dagen eerder was de "Negro sporting man" neergeschoten door zijn vriendin, Frankie Baker, "an ebony hued cake-walker". Frankie was 22. Ze hadden mekaar ontmoet tijdens het Orange Blossom bal en vormden sindsdien een koppeltje.
Maar Frankie vermoedde dat hij haar bedroog. Die nacht ging ze hem opzoeken op zijn kamer in 212 Targee Street. Zoals ze gevreesd was hij niet alleen. Naast hem lag een prostitué, de18 jarige Alice Pryor.
Tijdens de discussie die volgde schoot Frankie haar geliefde neer.
De geschiedenis lijkt wel heel erg op die van de song. Te veel om toeval te zijn. Bovendien is het is erg aannemelijk dat de naam Allen Britt - afgekort tot Al Britt - werd verbasterd tot Albert.
Hoe verging het de echte hoofdrolspelers?
Al Britt overleed om 2:15, in de ochtend van de 19 oktober 1988 aan een kogelwonde in zijn lever..
Voor de rechtbank verklaarde Frankie dat Britt haar had bedreigd met een mes. Ze wist dat de jongen altijd een pistool onder het kussen had liggen. Dat kreeg ze te pakken. Tijdens het gevecht dat volgde, ging het fatale schot af.
De rechter oordeelde dat Frankie Baker gehandeld had uit zelfverdediging en sprak haar vrij.
Maar de gebeurtenissen bleven haar achtervolgen. Dat werd nog verergerd door de populariteit van de song, die ondertussen overal opdook . Zeker omdat sommige versies vermelden dat ze drie keer had geschoten of dat ze ter dood veroordeeld was. Frankie verhuisde dikwijls maar vond nergens rust.
Toen het verhaal dan ook nog eens werd verfilmd was voor haar de maat vol. In 1939 diende ze klacht in tegen Republic Pictures. Miss Baker eiste een schadevergoeding van $200,000 wegens laster en schending van privacy door de film.
De advocaat van de filmmaatschappij beweerde echter dat de song een bewerking was van een oude folk-ballad uit 1831. In Toe River, North Carolina, heeft toen ene Frankie Silver haar man vermoord met een bijl. Die stelling kon niet worden bewezen.
Na drie jaar werd de zaak onontvankelijk verklaard.
Het werd Frankie allemaal teveel en ze belande uiteindelijk in een instelling voor zwakzinnigen in Pendleton, Oregon. Daar overleed ze in 1952 op 75 jarige leeftijd.
Nog verder terug
Toch zijn er aanwijzingen dat de song inderdaad een langere geschiedenis heeft.
Zo is er het verslag van George St. Johns, uitgever van de St. Louis Post-Dispatch. Hij vertelt over het bezoek van de populaire Poolse pianist Ignace Paderewski aan zijn stad. Op zoek naar plaatsen waar authentieke muziek te horen was, leidde St. Johns hem rond in de uitgangsbuurt van de stad.
In The Castle, het bordeel van de flamboyante Babe Connor woonden ze het optreden bij van ene Mammy Lou, een "gnarled, black African".
De bejaarde zangeres zong allerhande aangebrande liedjes. Ze bracht er onder andere 'Ta-Ra-Ra-Boom-Der-E' en ... 'Frankie and Johnny'. "Iedereen kreeg kippenvel toen ze het refrein bracht," meldt St. Johns nog.
Paderewski's eerste Amerikaanse tournee vond plaats in 1891 terwijl The Castle werd afgebroken in 1998. Dus voor de fatale avond waarop Al Britt werd neergeschoten.
Een ander inwoner van de stad, Rusty David, meent dat de oorspronkelijke ballad was gebaseerd op een gelijkaardig incident in de rosse buurt van St. Louis, omstreeks 1865-70. Toen de Baker/Britt affaire dan plaats vond, zou het liedje zijn aangepast aan de nieuwe feiten.
De ragtime pianist Trebor Tichenor verklaarde: "Ik denk dat iedereen het erover eens is dat het gaat om een oude, geïmporteerde melodie - van Europeese afkomst. Maar dat die hier is aangepast en dat het een ballad werd... Volgens een legende uit St. Louis pikte een pianist, genaamd Dooley, in op een lokale moord. Dat was het verhaal van Frankie en Johnny in 1899 en dat hij zich daarop baseerde. Dat is natuurlijk maar wat er vertelt wordt. Maar het staat vast dat de oorsprong hier ligt."
Een lange weg
Vast staat dus enkel dat de song oorspronkelijk uit de zwarte gemeenschap kwam.
Voor publicaties, bestemd voor een blank publiek, werden de gebeurtenissen geadapteerd en gezuiverd weergegeven.
De regel 'He done me wrong' duikt voor het eerst op in 1904. Dat gebeurt in 'The Death of Bill Bailey', een nummer van ene Hughie Cannon. Hughie was een blanke komiek die met zwart geverfd gezicht zwarten imiteerde. De song is een vervolg op een eerder succesnummer van hem: 'Bill Bailey, Won't You Please Come Home'.
Vier jaar later publiceren een ander vaudeville team, Frank en Bert Leighton 'Bill You Done Me Wrong'. Hun nummer lijkt erg op dat van Hughie Cannon, maar ze gebruiken langere fragmenten van het origineel.
Nog eens vier jaar later volgt een her-publicatie van het nummer van de Leighton Brothers onder de titel 'Frankie and Johnnie', maar zowel de tekst als de muziek verschillen nog op vele punten van de tegenwoordig bekende versie.
De kenmerkende regel "Frankie and Johnnie were lovers" wordt voor het eerst genoteerd in 1925. Dorothy Scarborough publiceert dan 'Frankie and Albert' in On the Trail of Negro Folksongs.
In 1928 beleeft de Amerikaanse actrice Mae West haar doorbraak met het zelfgeschreven toneelstuk Diamond Lil. Het stuk, over een grofgebekte blonde stoot uit de jaren negentig van de vorige eeuw brengt haar tot Broadway. In het stuk zingt zij ook 'Frankie And Johnnie'
Mississippi John Hurt
De vroegste bekende opname dateert uit datzelfde jaar, 1928. Die is van de Delta Blues gitarist Mississippi John Hurt.
John Hurt werd omstreeks 1893 geboren in het dorpje Teoc in het hart van de Mississippi Delta.
Toen hij een jaar of negen was kocht zijn moeder een tweedehands gitaar. Omdat er niemand in de buurt woonde die het hem kon leren, bedacht hij zijn eigen manier van spelen. Dat leverde hem een heel eigen geluid op. Door het ritme en melodie te combineren klinkt het alsof hij twee gitaren tegelijkertijd bespeelt.
Vanaf zijn twaalfde verdiende hij wat bij door op te treden op lokale feesten. Na de dood van zijn vader hielp hij zijn moeder in het onderhoud van de dertien kinderen.
Omstreeks 1923 vroeg Willie Narmour, een blanke square dance fiddler, hem als begeleider. Narmour was erg goed. Zijn 'Carroll County Blues' wordt nog steeds gespeeld. Enkele jaren later won hij dan ook een fiddlerwedstrijd. Daardoor mocht hij een opname maken voor het Okeh platenlabel.
Toen producer T.J. Rockwell hem daarbij vroeg of er nog meer talent in de buurt was, verwees die naar zijn maat. Rockwell kwam Hurt opzoeken, liet hem spelen en nodigde hem uit om naar Memphis te komen voor een eigen opnamesessie. Die vond plaats op 14 februari 1928. "Het was een grote hal," herinnerde Hurt zich meer dan dertig jaar later. "Alleen Mr. Rockwell was er, een geluidstechnicus en ikzelf. Ik zat op een stoel en ze duwden een microfoon tot tegen mijn mond. Ik mocht mij niet meer bewegen eens ze de beste positie hadden gevonden. Man, ik was nerveus! Achteraf had ik nog dagenlang een pijnlijke nek."
Uit het dozijn opnamen werden er twee gekozen die op een 78-toeren plaat werden uitgebracht: 'Nobody's Dirty Business' en 'Frankie'. Hurt kreeg $20 per song - wat goed betaald was voor iemand die normaal $3 verdiende voor een dag hard labeur.
Hurt keerde terug naar vrouw en kinderen in het dorpje Avalon. De plaat deed het goed en in november nodigde Rockwell Hurt uit voor nieuwe opnamen. Deze keer reisde de man helemaal naar New York, waar hij op 21 en 28 december genoeg materiaal omnam om een hele plaat te vullen.
Maar die plaat deed niks, het platenlabel ging over kop tijdens de depressie en Hurt keerde terug naar het boerenwerk.
Folkrevival
In 1948 richtten Moses Asch en Marian Distler in New York The Folkways Records & Service Co. op. Het was hun bedoeling om geluiden van over de gehele wereld op plaat uit te brengen. Naast kikkergebrul en gedichten in alle mogelijke talen bestond een groot deel van hun uitgaven uit oude muziekopnamen. Voor de reeks American Folk Music konden ze beroep doen op Harry Smith. Die had als hobby het verzamelen van oude 78-toren platen. Hiju had er duizenden. Niemand was daar immers nog in geïnteresseerd en hij kon ze meestal voor een habbekrats krijgen.
In 1952 bracht Folkways de Anthology of American Folk Music uit. Harry Smith had daarvoor de selectie gemaakt en de bijbehorende teksten geschreven. Op zes langspeelplaten verzamelde hij 84 Amerikaanse folk opnamen uit de periode 1927 tot 1932. Daartussen zaten ook twee opnamen van "Missisippi" John Hurt: 'Spike Driver Blues' en... 'Frankie'.
Deze indrukwekkende uitgave lag mee aan de oorsprong van een hernieuwde interesse voor folk en bluesmuziek. Het hek was helemaal van de dam toen het Kingston Trio in 1958 een dikke hit scoorde met een remake van 'Tom Dooley'.
Een jaar later publiceerde een andere verzamelaar Samuel B. Charters The Country Blues.
Na het beëindigen van zijn studies was de jonge musicoloog, in 1951, verhuisd naar New Orleans, om er de Zuiderse cultuur van nabij de bestuderen. Vanaf 1954 maakte ging hij oude muzikanten opzoeken om hun werk vast te leggen.
Zijn boek zette vele andere aan om hetzelfde te doen.
Een van hen was een andere jonge musicoloog, Dick Spottswood. Hij was in de ban geraakt van de fingerpicking stijl van Hurt. Omdat in een van de nummers sprake was van "Avalon My Home Town" ging hij op oude kaarten zoeken naar het dorp. Korte tijd later moest een collega, Tom Hoskins, naar New Orleans. Op verzoek van Spottswood maakte hij een ommetje langs Avalon. Hurt bleek er nog steeds te wonen en zelfs nog te kunnen spelen. Hij was wel erg verbaasd dat iemand nog interesse had in iets van dertig jaar geleden. Met enige moeite kon Hoskins Hurt overhalen om af te reizen naar Washington, D.C., om er een nieuwe carrière te beginnen.
Hurt trad herhaaldelijk op tijdens concerten als Friends of Old Time Music en het Newport Folk Festival. Zo werd hij erg geliefd. Zijn onderkoelde wijze van gitaarspelen was van grote invloed op de blues en folk wereld.
Op 15 juli 1963 nam John Hurt in het Coolidge Auditorium van de Congressbibliotheek een aantal van zijn nummers uit de jaren twintig opnieuw op. Tussen de 39 songs zat ook een nieuwe versie van 'Frankie' - deze keer onder de titel 'Frankie And Albert'.
Jammer genoeg kon Hurt niet lang genieten van zijn succes. Hij overleed op 2 november 1966.
Tribute
In 1988 werd Mississippi John Hurt opgenomen in de Blues Hall of Fame.
En in juni 2003 bracht Vanguard Records Avalon Bleus - A Tribute To The Music Of Mississippi John Hurt. Onder supervisie van Hurt fan Peter Case brengen tal van bekende namen in de muziekwereld daarop hulde aan de meester. Daar zitten mensen bij als Beck, John Hiatt, Bruce Cockburn, Lucinda Williams, Steve & Justin Earle, Bill Morrissey en Taj Mahal. Het accent ligt daarbij meer op de spelvreugde dan op het bluesgevoel, zodat het een erg aangename plaat is geworden.
Het openingsnummer is Chris Smitten's vrolijke versie van 'Frankie & Albert'.
En waar haalde Bob Dylan de mosterd?
In 1992 bracht Bob Dylan het nummer ook al als opener van zijn akoestische roots-cd Good As I Been To You.
Hij moet zeker de oorspronkelijke versie van Mississippi John Hurt uit 1928 kennen van de Anthology of American Folk Music. Ongetwijfeld is hij ook vertrouwd met de versie die Hudie Leadbeater (alias Lead Belly) in 1934 zong. Dat gebeurde voor de microfoon van een andere verzamelaar van authentieke muziek, John Lomax in het Angola Prison in Louisiana.
Toch baseerde Bob Dylan zich voor zijn cover op de recentere versie van "Missisippi" John Hurt uit 1963.
Hij legt de nadruk veel meer op de muziek dan op de woorden.
Luisteren?
Versies door Johnny Hallyday, Taj Mahal, Bob Dylan, Brook Benton, The Ink Spots, Hank Snow, Sam Cooke en Big Bill Broozy kun je hier beluisteren:
http://michourock.centerblog.net/rub-reprise-Frankie-and-Johnny.html
En hier zijn er nog meer: Johnny Cash, Wilf Carter, Elvis Presley, Jimmie Rodgers (als 'Blue Yodel #9') en Mississippi John Hurt:
http://michourock.centerblog.net/rub-reprise-Frankie-and-Johnny-2.html
Jammer dat 'Hold Me Back' (Frankie & Johnny) van Michelle Shocked uit haar fantastische Arkansas Traveller er niet tussen staat.
Oh ja.
De Britse jaren tachtig band Frankie Goes To Hollywood heeft niets met dit verhaal te maken.
13:52 Gepost door Peerke in Murder ballads | Permalink | Commentaren (4) | Email dit | Tags: al pacino, delta blues, michelle pfeiffer, elvis presley, bob dylan, folkways, anthology of american folk music, harry smith, mississippi john hurt, lead belly, hudie leadbeater, authentieke muziek, john lomax, country blues, mae west, st louis, new orleans, new york, avalon, washington, peter case, beck, john hiatt, bruce cockburn, lucinda williams, steve earle, justin earle, bill morrissey, taj mahal, ta-ra-ra-boom-de-ray, frankie goes to hollywood, jaren tachtig, michelle shocked |
Facebook |
07-11-07
Bob Dylan: Greatest Hits, Vol. 2
Bob Dylan's Greatest Hits, Vol. 2

Begin jaren zeventig ondervindt Bob Dylan - meer dan ooit - dat zijn roem hem belet om een "gewoon leven " te lijden. Hij begint zich zijn verhuizing naar de New York wijk Greenwich Village, al snel serieus te berouwen. De plek waar hij tien jaar eerder als een schooier arriveerde en waar hij uitgroeide tot een boegbeeld van zijn generatie, is helemaal veranderd. Later kijkt hij op deze periode terug als "de rotste tijd van mijn leven".
Dat is voor een groot stuk te wijten aan zijn persoonlijke kwelgeest: Alan Jules Weberman, een fanaticus die zich Dylanoloog noemt en leider is van het "Dylan Bevrijdings Front". Weberman schaduwt 'D', doorzoekt zijn vuilniszakken en organiseert excursies naar zijn huis. Zo moet de "spreekbuis van een generatie", die "met countrygeneuzel de linkse revolutie heeft verraden", tot inkeer worden gebracht.
Voor types als Weberman is Dylan een gemakkelijke prooi. Niet alleen heeft hij met Nashville Skyline en zijn langdurige radiostilte vanuit Woodstock tienduizenden fans van zich vervreemd, ook zijn sympathie voor Israël, dat hij in de laatste jaren herhaaldelijk heeft bezocht, zet kwaad bloed. Weberman onthult dat Dylan de rechtse Joodse defensie Liga van de racistische rabbi Meir Kahane financieel steunt. En inderdaad, op zoek naar zijn joodse roots heeft Dylan contact gelegd met de liga.
Weberman is een hinderlijke gek, maar in het radicale klimaat van de vroege jaren zeventig wordt hij maar al te serieus genomen. Wanneer Weberman het gerucht begint te verspreiden dat 'D' heroïne spuit, voelt Dylan zich gedwongen contact met hem te zoeken. Tijdens een ontmoeting onder vier ogen, begin januari 1971, praat hij op Weberman in om hem van zijn ongelijk te overtuigen. Naar verluid toont hij hem zelfs zijn gave onderarmen.
Enkele dagen later wil Weberman een artikel publiceren in de East Village Other over het gesprek dat hij heeft gehad met Dylan. Die belt hem op om hem te zeggen dat hij geen toestemming geeft om dat te doen. Maar Weberman neemt het gesprek op en laat dat publiseren in Rolling Stone en zelfs op LP uitbrengen op Folkways.
* * *
Vanaf 16 maart 1971 werkt Bob Dylan drie dagen in Blue Rock, een kleine studio in Greenwich Village. Volgens Clinton Heylin was Leon Russell de producer bij deze sessies. Leon had een jaar eerder grote successen behaald met de tournee Mad Dogs and Englishmen, met Joe Cocker. Record Collector meent dan weer te weten dat George Harrison de sessies leidde.
Er is geen papierwerk opgedoken van deze sessies. Vast staat dat naast Leon op piano ook de gitaristen Jesse Ed Davis en Don Preston aanwezig waren. Voor de ritmesectie werd beroep gedaan op Carl Radle en Jim Keltner. Claudia Linnear & Kathy McDonald verzorgden de achtergrond zang.
Hoewel Leon Russell de sessies omschreef als erg dynamisch en positief, was het enige tastbare resultaat van drie dagen werk slechts twee nummers 'When I Paint My Masterpiece' en 'Watching The River Flow'. Beiden belichten openhartig hetzelfde thema: een gebrek aan inspiratie.
'Watching The River Flow' werd in juni 1971 op single uitgebracht. Voor de b-kant werd de solo versie van 'Spanish Is The Loving Tongue' gekozen, die werd opgenomen tijdens de New Morning sessies. Hoewel beide kanten van het 45 toerenplaatje uitstekend zijn, sloeg het niet aan en werd de Top 40 niet gehaald.
'When I Paint My Masterpiece' werd doorgegeven aan The Band, die hun versie uitbrachten op Cahoots.
De bewering van Heylin dat er ook werd gewerkt aan 'Spanish Harlem', 'That Lucky Ol' Sun', 'Alabama Bound', 'Blood Red River' en 'Rock Of Ages' zijn nooit hardgemaakt.
* * *
Die lente verhuist Dylan naar een huurhuis in East Hampton, Long Island. New Hampton was een toevluchtsoord geworden voor kunstenaars, schrijvers en rijke families.
Het huis dat Dylan huurt is van Henry Ford geweest. Het is een koloniaal huis met luiken in plantagestijl, gelegen in een rustige straat met majestueuze oude iepen. Het zicht op het gebouw wordt door hoge heggen onttrokken aan de straat. Een voordeel is ook de grote achtertuin - ideaal voor de kinderen. Inbegrepen is ook een sleutel die toegang geeft tot een omheind duin dat leidt naar een ongerepte Atlantisch zandstrand.
Dylan begint er landschappen te schilderen en kan er veel uitstapjes maken met zijn kinderen.
* * *
Volgens hardnekkige geruchten zou er half mei 1971 een opnamesessie hebben plaatsgevonden met Elvis Presley en Bob Dylan in de RCA Studios in Nashville. Er circuleert zelfs een lijst met 17 titels. Het is echter erg onwaarschijnlijk dat de sessie ooit heeft plaatsgevonden.
Temeer daar Dylan en Sara omstreeks die tijd weer met vakantie zijn in Israël. Het is bedoeld als een soort tweede huwelijksreis, want de kinderen zijn thuis gebleven. Sinds de dood van zijn vader is hij geïnteresseerd geraakt in de Joodse godsdienst. Op 24 mei viert hij zijn dertigste verjaardag in Jerusalem. Samen met Sara wordt hij er gefotografeerd aan de Klaagmuur.
Onmiddellijk na publicatie van de foto wordt het koppel belaagd door de pers.
Later verteld hij daar over: "Dat bezoek had niet veel belang. Maar ik ben wel geïnteresseerd in wat en wie een Jood is. Het interesseert mij dat Joden Semieten zijn, net als Babyloniërs, Hittieten, Arabieren, Syriërs, Ethiopiërs. Maar een Jood is anders, omdat vele mensen Joden haten."
Enkele dagen later bezoeken Bob en Sara de kibbutz Givat Haim, om de mogelijkheden te bekijken om er zich te vestigen. Het plan strandt op de weigering van de bewuste kibboets om tegemoet te komen aan Dylans hoge eisen op het gebied van huisvesting en privacy.
* * *
Op 17 juli 1970 komen Bob Dylan en zijn vroegere manager Albert Grossman eindelijk tot een overeenkomst om hun samenwerking officieel te verbreken. Grossman behoudt zijn rechten op de nummers geschreven in de periode dat hij het management deed voor de zanger. Hij behoudt ook zijn rechten van zijn muziekuitgeverij Witmark, de gemeenschappelijk opgezette muziekuitgevrij Dwarf Music en de samenwerkingsovereenkomsten Big Sky. Dylan krijgt de controle en de administratie in handen van zowel de gemeenschappelijke als de samenwerkingsovereenkomsten.
* * *
In juli 1971 hebben George Harrison en Ravi Shankar hebben hun vrienden opgetrommeld voor een groots benefiet. Met de opbrengsten willen ze de noodleidende bevolking van Bangla Desh helpen. Die hebben bovenop een burgeroorlog ook nog een zware overstroming, gevolgd door massale hongersnood te verwerken gekregen.
George heeft de andere Beatles gevraagd, plus Bob Dylan en Eric Clapton. Die laatste heeft zich sinds enkele jaren terug getrokken in zijn eigen drugswereldje. Paul McCartney heeft laten weten dat hij het te vroeg vindt voor een reünie. Bovendien staat zijn vrouw op het punt te bevallen. John zegt toe, op voorwaarde dat Yoko mee mag doen. Wanneer George daar zijn veto over stelt, leidt dat tot een serieuze echtelijke ruzie waarbij John alleen naar Engeland vlucht.
Bob Dylan heeft na lang aandringen van George toegezegd. Maar wanneer hij dan een grote hoeveelheid apparatuur ziet klaarstaan, probeert hij er met een smoes van af te komen. Bassist en vriend van The Beatles Klaus Voormann: "Het bleef onzeker of Dylan zou spelen. Het maakte in feite niet uit. Natuurlijk was het fantastisch als hij speelde, maar het concert zou even goed verbazingwekkend zijn als hij niet kwam. Ik heb geen idée hoe het met hem gesteld was toen, maar ik weet dat hij van George houdt en dat George hem aanbad."
Als reserve heeft George een set van Apple protégés Badfinger voorzien. Gitarist Joey Molland: "Tegen zaterdag hadden we de show op poten staan en gingen naar Madison Square Garden voor de laatste repetitie. We waren net klaar om terug naar het hotel te vertrekken toen Dylan het podium op wandelde. Hij begint gewoon te spelen - het was een soort privé concert. We zaten allemaal in de hal en het was moeilijk te geloven dat het echt gebeurde. Niemand had Dylan verwacht en ook Eric Clapton kwam pas die dag af."
Op zondag 1 augustus 1971 vinden dan de twee benefietconcerten plaats in Madison Square Garden, New York. De legendarische producer Phil Spector maakt 16-sporen opnamen van de concerten, met 44 microfoons. Sol Swimmer filmt alles.
Na een set van Ravi Shankar, (die overigens al een warm applaus krijgen voor het stemmen van de instrumenten) speelt George een paar solo-nummers. Dan komen Billy Preston en Ringo Starr elk hun recente hitsingles brengen. George keert terug om de band te introduceren en nog enkele Beatlessongs te zingen, onderbroken door een medley van Leon Russell.
Pas wanneer hij Bob aanstalten ziet maken om het podium op te stappen durft George het aan hem aan te kondigen: "Here's another friend of us all: Mr. Bob Dylan." Het gejuich is overdonderend.
Bob Dylan laat dan ook vele harten sneller kloppen met het onverwachte optreden. Gekleed in een vaalblauw spijkerpak zingt hij onder meer het inmiddels klassieke 'A Hard Rain's A-Gonna Fall' en 'Blowin' In The Wind'. Hij begeleidt zichzelf op gitaar en harmonica en zingt met zijn oude, rauwe jaren-zestigstem. Van de gereserveerde countryheer op Nashville Skyline is geen spoor meer te bekennen.
Daarna komt George Harrison erbij met een akoestische gitaar, plus Leon Russell op bas en Ringo met een tamboerijn.
Dylan brengt eerst nog 'It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry' en dan, 'Love Minus Zero/No Limit' en 'Just Like A Woman'.
Daarna sluit George de show af met nog twee nummers.
Dit is voor het eerst in acht jaar dat Dylan 'Blowin' In The Wind' gezongen heeft. Volgens Phil Spector was dat op speciaal verzoek van George Harrison. "Denk je dat je 'Blowin' In The Wind' kunt zingen? Het publiek zou er gek van worden. Bob keek hem aan: 'Ben je geïnteresseerd in 'Blowin' In The Wind'? Ga jij 'I Wanna Hold You Hand' zingen?"
Voor de avondshow vervangt Dylan 'Love Minus Zero/No Limit' door 'It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry'. Voor de rest blijft de setlist identiek voor beide concerten.
Na afloop is er een feestje bij Ugano's. George en Bily Preston treden er op en Phil Spector brengt er een unieke versie van 'Da Do Ron Ron' met Keith Moon op drums.
* * *
Met hun sterartiest terug in de belangstelling en geen nieuw plaatwerk van hem in het verschiet wil CBS Records een tweede verzamelaar uitbrengen van Bob Dylan. Clive Davis stelt voor er een dubbellaar van te maken. Dylan gaat akkoord, op voorwaarde dat een hele kant wordt besteed aan uitgegeven materiaal.
Hij levert een selectie in van tracks uit de Basement Tapes, maar Davis vindt de productie van dat materiaal ondermaats.
Daarom trekt Bob op 24 september 1971 weer de studio in, om een paar Basement Tapes songs opnieuw op te nemen. Voor de gelgenheid heeft hij zijn buurman Happy Traum uitgenodigd.
Happy, die eigenlijk gewoon Harry heet, was een banjospeler en gitarist die het vak in de jaren vijfig had geleerd van bluesmuzikant Brownie McGee. Met zijn groep The New World Stingers, was hij een van de eersten die nummers van de jonge Dylan hadden gecoverd. Dylan speelde dan weer mee (onder de naam op Blind Boy Grunt)op zijn allereerste LP, Broadside, Vol.1, opgenomen voor Folkways Records.
"Hij wist dat [Columbia] nummers had uitgekozen voor een dubbele verzamel-LP," vertelt Happy Traum. "Hij was niet akkoord met de keuze. Hij had het gevoel dat hij een aantal nummers die hij had geschreven en die door anderen waren gedaan, dat hij die zelf moest doen en die dan op de plaat zetten.
Dus deden we dat op een namiddag. Gewoon wij tweeën en een technicus. Het was heel eenvoudig: we namen vijf nummers op. Daar koos hij er drie van en die werden ter plaatse gemixt. Allemaal op één namiddag. Ik wist dikwijls niet eens of het de laatste take was en dan zei hij: 'OK, kom we gaan het mixen'."
De drie die worden geselecteerd zijn: 'You Ain't Goin' Nowhere', 'Crash On The Levee (Down In The Flood)' en 'I Shall Be Released'.
Overigens heft Dylan de tekst van 'You Ain't Going Nowhere" wat aangepast om een sneer te kunnen geven aan het adres van Roger McGuinn. Hij adviseert hem "pick up your tent, you ain't going nowhere". Dat is een reactie op McGuinn's eigen tekstwijziging. Die had bij de versie van The Byrds, uitgebracht op Sweetheart of the Rodeo, gezongen "Pack up your money/ Pick up your tent" in plaats van "Pick up your money/ Pack up your tent" zoals Dylan origineel zong.
Eeen vierde nummer is een nieuwe versie van 'Only A Hobo' uit 1963. Dit nummer wordt in 1991 geselecteerd voor The Bootleg Series Volumes 1-3 (Rare & Unreleased) 1961-1991, maar blijft uiteindelijk onuitgebracht.
Welk het eventuele vijfde nummer was, is niet gekend.
* * *
Amper twee weken later staat Bob Dylan opnieuw in de studio. Hij heeft in de krant een artikel gelezen over de dood van een jonge zwarte activist.
George Jackson is op 21 augustus door een bewaker neergeschoten tijdens een opstand in de San Quentin-gevangenis in Californië. Jackson zou drie dagen later opnieuw voor de rechter moeten verschijnen. Hij zat een gevangenisstraf van achttien jaar uit, omdat hij bij een roofoverval op een benzinestation $71 had buitgemaakt. In de gevangenis was hij lid geworden van de Black Panther-beweging van Malcolm X. Tijdens zijn gevangenschap had hij twee boeken geschreven: Blood In My Eye en Soledad Brother.
Het gebeuren heeft Dylan zo aangegrepen dat hij op 4 november nog eens een heuse protestsong op wil opnemen. Of misschien is het gewoon zijn bedoeling om Weberman de wind uit de zeilen te nemen.
Hij neemt twee versies op van 'George Jackson': één solo en één met een band. Ook 'Wallflower' komt uit deze sessie.
Met steel gitarist Ben Keith , drummer Kenneth Buttrey en Leon Russell op bas wordt eerst 'Wallflower' op band gezet. Dit nummer blijft in de kast tot het in 1991 wordt bovengehaald voor The Bootleg Series, 1961-1991.
Daarna wordt een lange 'big band' versie opgenomen van 'George Jackson'.
Na afloop zet Bob solo ook nog een kortere, akoestische versie van de protestsong op band.
Beide versies worden samen op 12 november 1971, amper een week na de opname uitgebracht. De single komt op 4 december '71 de Billboard Hot 100 binnen, maar komt niet hoger dan 33.
Vijf dagen later ligt Bob Dylan's Greatest Hits, Volume 2 in de winkels. Op deze dubbel-lp staan naast een pak oudere nummers dus ook een vijftal recente opname, plus een schitterende live-versie van 'Tomorrow Is A Long time' - opgenomen op 12 april 1963 en geselecteerd voor de onuitgebracht live LP.
De foto op de voorzijde van de hoes was getrokken door Barry Feinstein tijdens het Bangla Desh concert. Het is een opzettelijke imitatie van de foto die Rowland Scherman in 1965 maakte voor Greatest Hits Vol. 1.

De verzamelaar komt op 11 december '71 de Billboard-albumlijst binnen en bereikt, als hoogste notering, een veertiende plaats.
In Europa heet de plaat overigens More Bob Dylan's Greatest Hits.
Het is een van Dylans best verkochte platen.
Pas in juli 1972 verschijnt een single met twee nummers uit de Greatest Hits collectie: 'When I Paint My Masterpiece'/'I Shall Be Released'.
De akoestische versie van 'George Jackson' is later ook nog eens uitgebracht op de Australische verzamelaar Masterpieces, maar de 'big band' versie is zeer moeilijk te vinden.
* * *
De driedubbele boxset The Concert For Bangla Desh wordt met heel veel vertraging pas op 20 december 1971 uitgebracht. In Amerika wou Capitol wou de LP niet distribueren indien ze er geen winst aan hadden. Dat was genoeg om zelfs de vredelievende George Harrison woest te krijgen. Iedereen had immers gratis gespeeld en de platenmaatschappij van The Beatles, Apple Corps, had de kosten voor het boekje op zich genomen. En EMI had geen enkel bezwaar gemaakt tegen de Europeese ditributie. Pas wanneer George ermee dreigde naar CBS te stappen, bond Capitol in en gaf $ 3,7 miljoen als vooruitbetaling.
De verdeling van de cassettes en 8-tracks werd toevertrouwd aan Columbia Records, in ruil voor hun toestemming voor het gebruik van Dylans bijdrage, die een hele plaatkant besloeg. Uiteindelijk ontving enkel Columbia $ 0,25 per verkochte LP. Dylan zelf zag daarvan nooit een cent.
Het geheel brengt uiteindelijk iets meer dan $ 15 miljoen op, al zou het door allerhande administratieve beslommeringen jaren duren eer het geld terecht kwam bij de noodlijdende bevolking van Bangla Desh.

18:39 Gepost door Peerke in Bob Dylan | Permalink | Commentaren (5) | Email dit | Tags: capitol, weberman, george jackson, greenwich village, bob dylan, george harrison, leon russell, happy traum, ravi shankar, bangla desh, new york, ringo starr, greatest hits, john lennon, paul mccartney, elvis presley, woodstock, nashville skyline, the byrds, roger mcguinn |
Facebook |
22-10-07
Bob Dylan: New Morning
New Morning

Einde april 1970 gaat George Harrison nog eens op bezoek bij zijn vriend Bob Dylan in diens appartement in Greenwich Village. De Beatle heeft Apple woordvoerder Derek Taylor meegebracht.
Bij het genot van een paar glazen rode wijn, speelt Dylan wat oude en nieuwe nummers voor op de piano. Na een tijdje grijpt George een rondslingerende gitaar en wordt er wat gejamd. Bob zet de bandopnemer aan.
Via acetates gemaakt voor Columbia komen opnamen van 'When Everybody Comes To Town' en 'I'd Have You Anytime'in de jaren zeventig in handen van bootleggers.
Na afloop nodigt Bob George en Derek uit om de volgende dag samen de studio in te duiken.
Op 1 mei wordt er om 14:30 verzameld in de Columbia Studio B, in New York. De beide legendarische figuren worden begeleid door bassist Charlie Daniels en drummer Russ Kunkel. Bob Johnston springt geregeld bij aan de piano.
Eerst wordt er uitgebreid gerepeteerd. "Dylan was erg ontspannen tijdens die sessie," vertelt Charlie Daniels. "Hij was goed gezind die dag en zong nummer na nummer, zo goed als alles wat we vroegen." Er wordt begonnen met enkele van Dylans oudste eigen nummers: 'Song To Woody', 'Mama You Been On My Mind' en een instrumentale versie van 'Don't Think Twice'.
Na enkele regels 'Yesterday' is 'Just Like Tom Thumb's Blues' aan de beurt. De alles-kan, niks moet sfeer is duidelijk wanneer 'Da Doo Ron Ron' wordt aangepakt. Of 'Ghost Riders In The Sky', 'Cupid' van Sam Cooke en 'All I Have To Do Is Dream' van The Everly Brothers. Natuurlijk kent Dylan de teksten niet helemaal van buiten, maar dat mag de pret niet drukken.
'Gates Of Eden' komt voorbij, 'I Threw It All Away' en 'I Don't Believe You', maar dan is het weer tijd voor wat Carl Perkins klassiekers met 'Matchbox' en 'Your True Love'. Dat brengt hen bij de blues: eerst 'Las Vegas Blues' en dan 'Fishing Blues' van Henry Thomas.
'Honey Just Allow Me One More Chance' vraagt Dylan voor hij afsluit met het vrolijke 'Rainy Day Women #12 & 35'.
"Ik zal die dag nooit vergeten," vertelt Charlie Daniels, "Het waren niet alleen Bob Dylan en George Harrison. Het waren vier kerels in een studio die muziek maakten. Alles klikte. Hij kon zingen... Het was fijn. Een fijne dag, uur na uur."
Ook producer Bob Johnston is heel tevreden: "Het was heel fijn... George zong niet ...hij speelde alleen gitaar, maar op een paar nummers hoor je hem meezingen ..."
Op de bootlegs Almost Went To See Elvis en Possum Belly Overalls zijn meer dan een uur van deze opnamen te horen.
Na het avondeten wordt het wat serieuzer. Dylan besluit van de aanwezigheid van de uitstekende muzikanten gebruik te maken om enkele nieuwe nummers uit te proberen voor zijn volgende plaat. Dat zijn: 'Sign On The Window', 'If Not For You', 'Time Passes Slowly', 'Working On A Guru' en 'Went To See The Gypsy'.
Officieel wordt de sessie om half twee 's nachts afgesloten, maar er wordt nog tot 10 uur in de ochtend doorgewerkt aan overdubs.
Omdat George geen werkverguning heeft voor de Verenigde Staten kunnen de nummers met zijn bijdrage niet officieel worden uitgebracht op New Morning. Deze versie van 'If Not For You' verschijnt dan ook pas in 1991 op The Bootleg Series, Vol. 1 -3. De andere nummers blijven op de plank.
* * *
Na een onderbreking van een maand wordt op 1 juni de draad terug opgenomen voor vijf verdere sessies voor New Morning. Omdat Dylan slechts een handvol nieuwe nummers klaar heeft, wordt het grootste deel van de sessies opnieuw besteed aan het opnemen van covers. Hij wil blijkbaar het idee van een coversplaat niet opgeven. Voor de begeliding zorgen de gitaristen David Bromberg en Ron Cornelius, plus Al Kooper op orgel, Charlie E Daniels op bas en Russ Kunkel op drums.
De ervaren sessiegitarist Ron Cornelius over de opnamen: "Je hebt geen bladmuziek. In Nashville worden de muzikanten geboekt omdat ze ter plekke kunnen bedenken, niet om te spelen wat er op papier staat. Iedereen creëert zijn bijdrage terwijl de banden draaien. Van iedereen waarmee ik heb gewerkt, ken ik niemand die sympathieker is dan Bob Dylan. Hij behandelde me uitstekend, maar tegelijkertijd besef je door dag na dag met hem om te gaan, dat deze man elke morgen in een andere wereld wakker. Op creatief gebied is dat een goede zaak en door te proberen te raden of door hem te vragen wat hij met die teksten bedoeld tast je in het duister, want hij zal het je toch niet gaan vertellen. Het zou goed kunnen zijn dat hij de waarheid spreekt als hij zegt 'Ik weet het niet, want betekent het voor jou?'"
Behalve 'Ballad Of Ira Hayes' van zijn oude compaan Peter LaFarge dat er in één keer op staat, wordt van elke cover wel een take of vijf-zes opgenomen. Dat zijn de traditionals 'Mary Anne' en 'Sarah Jane', 'Lonesome Me' en 'Alligator Man'.
De volgende dag vinden er nog twee zo'n sessies plaats: een in de namiddag en een in de vooravond.
Zes takes van ' Mr. Bojangles' van Jerry Jeff Walker, opnieuw acht van de traditional 'Mary Anne' en veertien van 'Time Passes Slowly'. Een solo piano versie van 'Spanish Is My Loving Tongue' en een remake van 'If Not For You' staan er in telkens één à twee takes op. Volgens Russ Kunkel waren de eigen nummers bijzaak en werd er vooral aandacht besteedt aan de covers.
'Time Passes Slowly' is een eigen compositie. Het is een van de drie nummers die hij in oktober 1969 heeft geschreven voor het toneelstuk de dichter Archibald MacLeish. De anderen zijn: 'New Morning' en 'Father Of Night' (een bewerking van het Joodse gebed Amidah). Hij heeft er demo's van opgenomen in de Brill Building in New York en ze aan Stewart Ostrow, de producent van het toneelstuk, gegeven. Maar nadat MacLeish de acetates heeft beluisterd liet hij Dylan weten dat ze niet donker genoeg waren. Blijkbaar heeft Dylan beslist ze dan maar zelf te gebruiken.
Op 3 juni zijn er weer twee sessies. Opnieuw met maximaal drie takes per nummer. 'Kingston Town' en 'Lily Of The West' zijn oude songs waarop geen copyright meer rust. 'Long Black Vail' is een gekende country ballade en 'Can't Help Falling In Love With You' van George Weiss is vooral bekend in de versie van Elvis Presley. Het enige eigen nummer is 'One More Weekend'
Tijdens de beide sessies op 4 juni worden de twee andere nummers voor de musical ook op band gezet. De meeste aandacht gaat echter naar een cover van 'Big Yellow Taxi', een nummer van de jonge Canadees zangeres Joni Mitchell. Lead Belly's 'Bring Me A Little Water, Sylvie' en een remake van zijn eigen 'Tomorrow Is A Long Time' (uit 1962) staan er in twee takes op.
Tijdens de laatste opnamedag worden acht takes besteed aan 'What It's All About' (een werktitel voor 'Sign On The Window') en 'Father Of Night' krijgt er zelfs elf.
"Dylan had een zware verkoudheid die week'" vertelt Ron Cornelius."je hoort het goed op 'Sign On The Window'. Dat stukje over 'Brighton girls are like the moon,' waar zijn stem het begeeft. Maar het past bij het nummer."
De rest van de nummers krijgt maximaal vier takes. Dat zijn het merkwaardige 'If Dogs Run Free', een nieuwe poging om 'Went To See The Gypsy' op te nemen, 'Winterlude', een cover van het Sun nummer 'I Forgot To Remember To Forget', 'The Man In Me' en nog eens 'Lily Of The West'.
Bij 'Went To See The Gypsy' speelt Dylan elektrische piano. "Zijn pianospel is vreemd," herneemt Cornelius. "Hij begint met zijn handen aan de uiteinden van het toetsenbord en beweegt dan zo naar het midden toe - iedere keer opnieuw! Te gek, gewoon."
Nog vreemder is het 'If Dogs Run Free', een uniek nummer in Dylan's oeuvre, waarbij Maeretha Stewart scatvocals brengt terwijl Al Kooper jazz speelt op de piano.
De nieuwe nummers zijn het gevolg van zijn beslissing om de nummers van de musical voor zichzelf te houden. Door deze nummers te spelen kreeg hij blijkbaar weer zin om te schrijven.
* * *
Vier dagen na de laatste opname aanvaardt Dylan een eredoctoraat in muziek aan de universiteit van Princeton. David Crosby is er bij aanwezig.
"Ik meen dat we bij John Hammond thuis waren. Sara wou dat hij naar de universiteit van Princeton ging, waar hij dat eredoctoraat zou krijgen. Bob had geen zin. Ik zei, 'Kom aan , Bob, het is een hele eer!' Sara en ik bewerkten hem een hele tijd. Uiteindelijk ging hij akkoord.
Mijn auto stond buiten - een grote limousine. Dat stond hem natuurlijk weer niet aan. We rookten wat onderweg en ik merkte dat Dylan behoorlijk paranoïde werd. Toen we in Princeton aankwamen, brachten ze ons naar een kamertje waar ze Bob vroegen om een cape aan te trekken en zo'n hoedje op te zetten. Hij weigerde gewoonweg, maar ze zeiden dat hij zijn onderscheiding niet kreeg als hij dat niet droeg. Dylan antwoordde: 'Prima. Ik moest het zo al niet hebben.' Uiteindelijk overtuigden we hem dat toch aan te trekken."
Tot zijn grote woede wordt hij er aangekondigd als "de authentieke spreekstem van het verstoorde en verontruste geweten van een Jong Amerika." - een titel die hij absoluut van zich wil afschudden.
* * *
Aan het einde van de maand wordt een hele dag besteed aan het proberen om een nieuwe versie op te nemen van 'Blowin' In Th Wind'. Waarom?
Ondertussen wordt er getracht een plaat samen te stellen uit de opgenomen nummers. Het is niet echt dringend, want Selfportrait licht zelfs nog niet in de winkels.
Een vroege versie van New Morning ziet er zo uit:
Kant 1:
Ballad Of Ira Hayes
Mr. Bojangles
One More Weekend
Tomorrow Is A Long Time
New Morning
Kant 2:
If Dogs Run Free
Sign On The Window
The Man In Me
Father Of Night
* * *
Dylan vindt het niet goed genoeg. Bob Johnston wordt aan de kant geschoven en Al Kooper stelt dan voor een aantal tracks te bewerken met overdubs.
In latere interviews beweert Kooper dat hij de leiding over de sessies had, maar Bob Johnston ontkent dat ten stelligste. "Wat een onzin! Ik was het die met Charlie Daniels aankwam en met George Harrison, die meespelen op die plaat. Als hij "onofficieel producer" was van die opnamen, dan was ik de onofficiële producer van de Rolling Stones, of Pink Floyd!"
In ieder geval wordt er in juli nogal wat tijd besteed aan mixen en hermixen van de opnamen.
Op 13 juli worden in de ochtend strijkers en orgel toegevoegd aan 'New Morning' en in de namiddag strijkers en blazers voor 'What's It All About'.
Tien dagen later vindt nog een experimentele overdub sessie plaats, waarbij opnieuw enkele nummers meer worden ingekleed. Charlie McCoy voegt bas toe en Norman K. Spicher, Lloyd Green en Charlie E. Daniels spleen gitaren en dobro.
De nummers zijn 'Went To See The Gypsy', 'Spanish Is The Loving Tongue', 'If Not For You' en 'Sign On The Window'.
Toch bestaat er een band met daarop "Al's Mix":
Kant 1:
The Man In Me
Winterlude
Mary Anne
One More Weekend
Kant 2:
Mr. Bojangles
Tomorrow's A Long Time
Three Angels
Ballad Of Ira Hayes
If Dogs Run Free.
Een duidelijk teken dat Kooper bezig was met het samenstellen van de plaat. Ook deze versie is een mengeling van covers en eigen werk.
Volgens Al Kooper, raakte hij het niet eens met Bob Dylan over de arrangementen. Die is dan ook niet tevreden. Kooper vertelt er later over: "Toen ik klaar was met die plaat, wou ik hem nooit meer zien. Het stond mij absoluut niet aan [hoe moeilijk het allemaal was]. Hij veranderde alle vijf minuten van gedachte. Ik moest daardoor het werk doen aan drie platen. ... We waren akkoord over één kant van de plaat en we maakten een master ervan en dan zei hij, 'Nee, nee, nee. Dat wil ik niet.' En dan, 'Nee, laat ons dit zo opnemen...' Er was een schitterende versie van 'Went to see The Gypsy'... Het was voor het eerst dat ik een arrangement kon uitwerken en dat hij dat dan kon inzingen. Het was zo goed.. en dan deed hij net alsof hij niet begreep wanneer hij moest zingen."
Een aantal van deze nummers in "Kooper's arrangementen" zijn einde jaren negentig opgedoken op The Genuine Bootleg Series. Dat is een alternatief carrièreoverzicht door bootleggers samengesteld met uitsluitend onuitgebrachte nummers en interessante live versies. Er zijn drie delen van telkens drie cd's.
* * *
In de zomer van 1970 brengen Bob en Sara een bezoek aan Israël. Wanneer ze terug zijn van hun vakantie heeft Dylan nog steeds niet kunnen kiezen tussen de twee versies van 'If Not For You' en 'Time Passes Slowly'. Dus besluit hij ze allebei opnieuw op te nemen. Dat gebeurt op 12 augustus.
Hij maakt van de gelegenheid gebruik om ook één nieuw nummer op band te zetten over zijn recente doctoraatstitel: 'Day Of the Locust'. Een verwijzing naar de krekels die tijdens de ceremonie tsjirpten.
Uiteindelijk heeft hij nu genoeg eigen nummers om een hele plaat met allemaal eigen nummers samen te stellen. Alle nieuwe opnamen worden aan het begin geplaatst.
* * *
Daardoor ligt er op 21 oktober 1970, amper vier maanden na Self Portrait alweer een nieuwe lp in de winkel. En opnieuw is er gekozen voor een suggestieve titel: New Morning.
Er staan fraaie songs op - de titelsong en 'If Not For You' - en nogal wat jazzy probeersels. De plaat krijgt een redelijk warm onthaal van pers en publiek en wordt opgevat als een spijtbetuiging voor Self Portrait. Dylan ontkent dat echter: "Ik heb nooit gedacht, 'Och God, zij houden er niet van, laat ik maar snel een andere maken'. Zo is het niet gegaan. Het was gewoon toeval dat de ene uitkwam en dat ik aan de volgende zo snel al bezig was. Selfportait zat er gewoon al een jaar lang aan te komen. We waren aan New Morning aan het werken terwijl Selfportait werd samen gesteld."
De LP komt op 14 november 1970 de Billboard-albumlijst binnen. Hij haalt de zevende plaats in de US en gaf hem zijn zesde nummer 1 plaat in Engeland.
* * *
Dylan denkt er over om opnieuw op tournee te gaan, met een kleine groep van drie of vier mensen: Al Kooper, Harvey Brooks... "We praten wat over optreden, maar het kwam er niet echt van. We hebben zelfs wat gerepeteerd, in een studio in Houston Street, waar hij veel schilderde... We hebben een paar verschillende combinaties van muzikanten geprobeerd, maar het klikte niet."
Uiteindelijk besluit Dylan dat het nog niet het moment is, zeker omdat Sara opnieuw verwachting is.
In maart 1971 brengt de platenmaatschappij 'If Not For You'/'New Morning' uit als single. Een cover van Olivia Newton-John doet het in Engeland opmerkelijk beter dan Dylans eigen versie. Haar single bereikt er de zevende plaats.
En George Harrison bracht een eigen versie van 'If Not For You' uit op zijn All Things Must Pass. Op dat driedubbel-album staat daarnaast ook een nummer dat hij samen met Bob Dylan heeft geschreven: 'I'd Have You Anytime'.
Een groot aantal van de covers, opgenomen tijdens deze sessies zullen in november 1973 worden uitgebracht op de LP Dylan. Maar daar komen we op terug bij het verhaal achter Planet Waves.
De prachtige solo versie van 'Spanish Is My Loving Tongue' van Charles Badger Clark wordt in 1971 op een single uitgebracht.
En mocht je je afvragen hoe het de musical van Archibald MacLeish vergaan is, zonder de muziek van Dylan. Die is op 6 mei 1971 in première gegaan, op Broadway in het St. James Theater onder de titel Scratch en, merkt Bob Dylan fijntjes op in zijn Kronieken "... sloot twee dagen later op 8 mei."
19:14 Gepost door Peerke in Bob Dylan | Permalink | Commentaren (1) | Email dit | Tags: bob dylan, new york, al kooper, david bromberg, archibald macleish, george harrison, kronieken, olivia newton john |
Facebook |
15-10-07
Bob Dylan: Selfportrait
SELFPORTRAIT

Amper twee maanden na zijn laatste sessie en goed twee weken nadat Nashville Skyline is uitgebracht staat Dylan op 24 april 1969 al terug in de Columbia Recording Studios in Nashville, Tennessee, om nog meer country nummers op te nemen. Omdat zijn muse hem in de steek heeft gelaten wil hij nummers van anderen opnemen. Clive Davis, de grote baas van zijn platenmaatschappij: “Bob had mijn gedacht gevraagd over het concept. Niet dat mijn mening hem van het gedacht zou afbrengen, maar ik wist dat hij moeite had met het schrijven van eigen materiaal… dus moedigde ik hem aan.”
Dezelfde groep studiomuzikanten van het A-team zijn weer opgetrommeld: pianist Bob Wilson, gitarist Charlie Daniels, steel gitarist Peter Drake en de ritmesectie bestaande uit bassist Charlie McCoy en drummer Kenneth Buttrey.
Bob Johnston is weer producer.
“Dylan kwam binnen en vroeg, ‘Wat denk je ervan om wat nummers van anderen op te nemen?’” vertelt Johnston. “Wanneer hij me vraagt, ‘Wat denk je?’ zeg ik altijd, ‘Maakt het iets uit wat ik denk?’ Ik dacht dat het een goed idee was om nummers van anderen te coveren, als dat was wat hij wou doen. Hij kwam naar de studio met oude boeken en bijbels en begon aan de opnamen.”
Ze beginnen met een eigen compositie: het speelse 'Living The Blues'. In een tweede sessie volgt een cover van 'Spanish Is The Loving Tongue' van Charles Badger Clark. Dat nummer werd eerder ook al eens opgenomen tijdens de Basement Tapes opgenomen. Voor deze sessie komt Fred F. Carter Jr. als extra gitarist meedoen.
Twee dagen later nemen ze nog meer covers op, tijdens weer twee sessies van 18 tot 21 en van 22 tot 1 uur 's nachts: 'Take Me As I Am' van Boudleaux Bryant, 'A Fool Such As I' van Bill Trader, 'I Forgot More Than You'll Ever Know' van Cecil A. Null en zelfs 'Let It Be Me' van Gilbert Becaud.
Maar waar Dylan altijd erg goed nummers van anderen naar zijn hand wist te zetten, scheen dat deze keer niet te lukken. Dat is nog het best te merken aan de versies van de twee nummers die hij eerder ook al met The Band had opgenomen in Big Pink, tijdens de Basement Tapes sessies. Zowel de interpretatie van 'Spanish Is The Loving Tongue' als die van 'A Fool Such As I' lijken slechts karikaturen van wat hij toen uit deze nummers haalde.
* * *
Ter promotie van Nashville Skyline doet Dylan op aan de opnamen van de Johnny Cash Show. De opname vindt op 1 mei plaats in het Ryman Auditorium in Nashville. De plaats van de beroemde Grand Ole Opry concerten.
Johnny Cash: “Ik denk dat Bob Dylan schrik had of zelfs wat beschaamd was. Hij is erg verlegen. Ik begrijp dat. Toen we gingen repeteren hadden ze een oude schuur achter hem opgehangen, aan kabels, om het er wat landelijk te laten uitzien. Hij was er helemaal van ondersteboven. ‘Ze gaan me uitlachen! Mijn fans lachen me in het gezicht uit met zo’n ding!’
Ik vroeg hem, ‘Wat zou je willen?’ Hij antwoordde: ‘Laat ze dat ding weghalen. Laat me gewoon mijn ding doen.’ Geen probleem, zei ik, dat komt in orde.“
Dylan zingt er eerst twee nummers solo. Eerst zijn recente single, 'I Threw It All Away' en daarna 'Living The Blues' – gepland als de volgende single. Hij sluit af met 'Girl Of The North Country' als een duet met zijn gastheer. Ze worden begeleid door dezelfde groep muzikanten als tijdens de studio opnamen. Het programma wordt uitgezonden op 7 juni door ABC-TV.
Na de opnamen gaan ze terug naar het huis van Cash. Volgens de Man in Black waren de bekende bluegrass banjospeler Earl Scruggs, Bob Johnston en country songwriter Boudleaux Bryant uitgenodigd. Volgens Dylan waren ook nog Harlan Howard, Mickey Newberry en Joe en Janette Carter er bij.
Maar Graham Nash herinnert zich ook een etentje bij Cash, waar hij aanwezig was samen met zijn toenmalige vriendin Joni Mitchell, Kris Kristofferson en Eddy Arnold. Waarschijnlijk was dat hetzelfde diner.
In ieder geval, na het diner wordt een akoestische gitaar bovengehaald, waar ieder om een beurt een nummer op speelt. Nash meent dat Dylan vier of vijf nummers bracht en hij vertelt dat bij Sara de tranen over de wangen liepen van de emoties.
Cash herinnert zich dat Dylan koos voor het oude ‘These Working Hands’.
Op 3 mei vindt een laatste sessies plaats met coveropnamen. Nog een nummer van de Bryants, 'Take A Message To Mary' en de klassieker 'Blue Moon' plus nog twee nummers slappe versies van Johnny Cash songs ('Ring Of Fire' en 'Folsom Prison Blues') worden op band worden gezet.
In totaal heeft hij nu elf nummers opgenomen, genoeg voor een tweede (opnieuw erg korte) country LP. Het zijn praktisch allemaal nummers die hij kent uit zijn jeugd: The Everly Brothers, Johnny Cash en Elvis.
Maar de platenmaatschappij is niet tevreden over de banden die Johnston hen laat horen. De plaat gaat de kast in en zelfs 'Living The Blues' wordt niet als volgende single uitgebracht, zoals gepland. In plaats daarvan wordt gekozen voor 'Lay Lady Lay' - zeer tegen de zin van de zanger in. Nochtans scheert de single die zomer overal hoge toppen.
* * *
Dylan heeft niet veel zin om nog een zomer door te brengen in Woodstock. Niet alleen raakt de watervoorraad er op wanneer het lang droog blijft. Erger zijn de vele toeristen die er speciaal naar toe trekken om hem te komen opzoeken. Ze betekenen een voortdurend overlast voor hem en zijn buren. Ze dringen zelfs zijn huis binnen.
Dylan heeft dan ook veel van zijn vrije tijd in Nashville doorgebracht met het kijken naar huizen.
Waneer hij daar niet meteen iets geschikt vindt, besluit hij onder te duiken op Fire Island. voor de kust van Long Island. Hij huurt er een huis in Bay Berry Dunes. Uit de eerste twee strofen van ‘Sara’ op Desire blijkt dat de familie er idyllische tijden beleeft.
Wanneer ze geen wandelingen maken langs het strand of picknicken in de duinen, gaat Bob wat jammen met een vriend, David Amram. Na een tijdje komen ook andere mensen langs. Ieder die zin heeft mag meespelen. Op een dag komen er twee jonge kerels langs, maar na een kwartiertje leggen ze hun instrumenten neer en lopen het water in. Achteraf blijkt dat ze dachten dat ze aan het hallucineren waren en dat wat afkoeling hun goed zou doen. Ze konden toch niet echt met Bob Dylan aan het spelen zijn!
* * *
Op 13 augustus stappen Bob en Sara aan boord van het luxeschip de Queen Elisabeth II om de oceaan over te steken. Ze nemen hun twee oudste kinderen, Maria en Jesse mee. Bob gaat in Engeland optreden tijdens een festivalletje op het eiland Wight.
De organisatoren, twee broers Ray en Ron Foulk, hebben vorig jaar met 10 000 mensen een eerste succes geboekt. Deze keer hebben ze hun maatstaven wat hoger gelegd en gaan ineens voor de top. Ze hebben een brochure laten drukken, waarin de kwaliteiten van het Isle of Wight als een vakantieoord wordt benadrukt. Bovendien hebben ze ook nog eens een filmpje laten maken. Een van de broers gebruikt de laatste winst om de folder en het filmpje persoonlijk te gaan afgeven bij Dylan thuis. Dylan krijgt twee weken vakantie aangeboden, met alles er op en eraan, plus $60,000. Het zal een kleinschalig, intiem festival worden op een pittoresk eilandje, zo legt hij uit. Het optreden van Dylan is gepland als hoogtepunt op de zondagavond. Hij zal worden begeleid door The Band, die daarnaast ook een eigen set spelen.
Sara ziet zo'n uitstapje wel zitten. Alles is beter dan in Woodstock te blijven.
Huisvader Dylan heeft nog een andere reden om op de uitnodiging in te gaan: op 15 augustus begint in Bethel het driedaagse Woodstock festival. Dylan ziet de invasie van hordes bloemenkinderen in zijn domein met angst en beven tegemoet. Altijd het meest op zijn gemak in kleine kring, heeft hij meer dan genoeg van de miljoenenkoppige Woodstockgeneratie en hun adoratie. Hij wil alles doen om het festival te ontlopen, zelfs optreden aan de overkant van de oceaan.
De organisatoren van Woodstock, Mike Lang en John Roberts, hadden nochtans het festival zo kort mogelijk bij Dylan huis willen houden, in de hoop dat ze hem daarmee uit zijn isolement zouden kunnen lokken. Maar het gemeentebestuur van het stadje zag dat allemaal niet zitten en daarom werd uitgeweken naar het terrein van een boer, Max Yasgur, zo'n 60 mijl verderop, bij het dorpje Bethel.
Om alvast te testen of een groot publiek iets voor hem is, is Dylan, onder het pseudoniem "Elmer Johnson", op 14 juli, voor enkele bisnummers te gast bij het concert van The Band tijdens het Mississippi River Festival aan de universiteit van Edwardsville in Illinois. Ze brengen er Woody Guthries 'Ain't Got No Home', Leadbellys 'In The Pines' en 'Slippin' and Slidin' van Little Richards.
Achteraf zegt hij tegen Amram: “Er waren zo’n 30 000 mensen en ze waren me niet vergeten… Dat deed deugd… Het is goed om terug hier te zijn, op het strand, met die stilte.”
* * *
Maar we hadden Bob en zijn familie even achtergelaten aan boord van de Queen Elisabeth II, klaar om te vertrekken naar Engeland. Er is echter iets fout gelopen bij het inschepen: pas aan boord is de vier jaar oude Jesse met zijn hoofd ergens tegen aangelopen. Hij is bewusteloos en moet snel naar de spoedafdeling worden gebracht. De dokter zegt dat hij best twee dagen ter observatie moet worden opgenomen. De boot vertrekt zonder de familie Dylan.
De Britse pers meldt dat Bob Dylan niet komt en de ticketverkoop voor het festival van het Isle of Wight valt compleet stil.
* * *
Op 26 augustus - twaalf dagen later dan gepland - arriveert Bob Dylan dan toch met Sara en de kinderen op Heathrow Airport. Bij hen zijn ook nog de journalist Al Aronowitz, die optreedt als Dylans roadmanager en Grossmans vennoot Bert Block, met vrouw en dochter.
Van Portsmouth worden ze met de Hovercraft naar het eiland Wight gebracht, waar ze verblijven in Foreland Farms. Het 16de eeuwse herenhuis is volledig omgeven door een hoge muur. Daarbinnen zijn er tuinen, een zwembad, tennisvelden en een schuur ingericht als repetitieruimte.
The Band met hun road manager Jonathan Taplin worden ondergebracht in een klein hotelletje aan de kust.
Ondertussen zijn er allerhande geruchten ontstaan. Zo wordt er gefluisterd dat Bob wel drie uur zal optreden en dat hij een supersessie zal doen met leden van The Beatles en the Rolling Stones.
Bob en Sara gaan Osborne House bezoeken. Dat is het buitenverlijf waar Queen Victoria haar zomers doorbracht met haar elf kinderen.
Drie dagen voor het concert arriveert Beatleshulpje Mal Evans met een Daimler limousine in Foreland Farms. De journalist Al Aronowitz heeft hem uitgenodigd om hem te helpen om een persconferentie te organizeren voor Bob Dylan.
Op de vraag waarom hij hier wel wilt optreden, antwoordt Dylan: "Ik wou het huis van Alfred Lord Tennyson bezoeken."
Ook George Harrison en zijn vrouw Patti komen Bob Dylan bezoeken. Aronowitz heeft hun gevraagd om ook wat "rookwaren" mee te brengen. "George kwam een dag later aan, helemaal van Portsmouth, in zijn blauwe Italiaanse sportwagen. Die, grapte hij, meer had gekost dan een huis! Natuurlijk was hij met de ferry de Solent overgstoken. George dacht dat het veiliger was om Ringos marihuana voorraadje zo te transporteren voor Bob, The Band en mij.
George bracht ook een kopie mee van de LP Abbey Road (die toen nog niet uit was). We speelden hem door de boxen in de repetitieschuur. Het publiek bestond uit Robbie Robertson en The Band plus Dylan en ikzelf. Hoewel ik behoorlijk ondersteboven was, reageerden de anderen erg koeltjes. In feite, als ze iets lieten merken, was het vooral jaloezie!
Mal, George en Pattie bleven bij ons overnachten in de Forelands Farm om Bobs optreden de zondag avond mee te maken.”
“Ik kwam op een dag door de zitruimte, " herinnert organisator Ray Foulk zich, "en Dylan en Harrison zaten daar op de zetel ‘All I Have To Do Is Dream’ van The Everly Brothers te zingen. Het klonk ongelofelijk…precies de Everlys.”
De conciërge, Judy Lewis herinnert zich vooral dat Dylan haar gebak lekker vond: appeltaart met zwarte bessen, appelflappen en vruchtcakes. "Sara zat hem voortdurend op zijn kop over zijn dieet. Ik moest voortdurend kopjes thee aanslepen voor hem en George. George bewonderde hem, maar ik had de indruk dat Dylan niet graag had dat Harrison voortdurend wilde spelen.”
Op 31 augustus arriveren nog meer Beatles op het eiland Wight. Paul kan niet komen, omdat Linda net bevallen is. Ringo en Maureen zouden Elizabeth Taylor meebrengen, maar uiteindelijk blijken ze John en Yoko bij te hebben. Ze landen zondagnamiddag met een helikopter op het erf van de boerderij. John en Yoko worden natuurlijk - zoals dat toen hun gewoonte was - gevolgd door een cameraploeg, die elke beweging van het koppel vast moet leggen.
De Lennons hadden duizenden pamfletten laten drukken die ze uit de helikopter wilden strooien boven het festivalterrein. De piloot weigerde dat en dus hadden ze honderden witte ballons laten opblazen door het personeel van Apple. Tot iemand opmerkte dat ze die opgeblazen ballonnen niet in de helikopter kregen!
Bob nodigt The Beatles uit tot een spelletje tennis. Natuurlijk speelt John met Bob, tegen Ringo en George.
Hoewel Aronowitz niets meldt over een jamsessie meent de promotor zich er toch een te herinneren.
Rikki Farr: “We hadden geprobeerd The Beatles te overtuigen om te komen optreden, maar dat ging niet door. Er was wel een spontane jamsessie in de namiddag. Op de scène stond de ongelofelijkste supergroep ooit: Dylan, The Beatles, Eric Clapton, Jackie Lomax…. Ginger Baker kwam van het drummerskrukje en Ringo kwam in zijn plaats. Eric Clapton speelde een solo en dan nam George Harrison de volgende. Verbluffend!"
Omstreeks half zes worden Bob en Sara, Ringo, Maureen en Al Aronowitz in een busje naar het festivalterrein in Woodside Bay gebracht.
Door problemen met de klankinstallatie kan The Band pas met anderhalf uur vertraging het podium op. Dylan’s optreden begint daardoor ook veel later dan gepland.
Bij zijn opkomst om elf uur ’s avonds, wordt Dylan verwachtingsvol aangestaard door de 200 000 op elkaar geplakte jongeren. Op de eerste rij wachten George en Patti, Ringo en Maureen, John en Yoko, Neil Aspinall en Mal Evans om getuige te zijn van het eerste optreden van Bob Dylan in Engeland sinds 1965.
Omdat hij geen instrumenten heeft meegebracht heeft George hem zijn akoestische gitaar geleend. Van zijn stuk gebracht door de massa – hij heeft nog nooit voor zoveel mensen gestaan – worstelt Dylan zich door de eerste nummers, 'She Belongs To Me' en 'I Threw It All Away' heen. Maar het klikt niet tussen de gretige meute en de onwennige artiest. Alleen al door zijn uiterlijk: Dylan draagt een hagelwit herenkostuum en heeft een oud-christelijk ringbaardje laten staan. Bovendien zingt hij in zijn zalvende Nashville Skyline-stem.
De rest van de set brengt hij een mengeling van recente nummers als 'I Dreamed I Saw St. Augustine' en 'Lay Lady Lay', met oudere als 'Maggie's Farm' en 'To Ramona'. Er zitten zelfs een paar unieke nummers bij die hij nooit nadien nooit meer heeft gebracht. Eerst de Britse traditional 'Wild Mountain Thyme' en als bisnummer, 'Minstrel Boy'.
Het concert wordt opgenomen voor een mogelijke live plaat.
Na zeventien nummers is het plots gedaan. Er overheerst wederzijdse teleurstelling. Het publiek had op veel meer gehoopt en Dylan op veel minder publiek. Bovendien had hij zich serieus opgewonden over het veel te lange wachten. Hij had gedaan wat hij moest doen en werd uitgejouwd als dank.
Na afloop van het optreden vliegt het hele gezelschap per helikopter naar Georges huis in Tittenhurst Park, waar Bob en Sara blijven overnachten. De volgende middag brengt George hen naar Heathrow Airport, met zijn Mercedes.
Bij zijn aankomst in New York laat Dylan de pers weten dat dit zijn laatste bezoek is geweest aan Engeland: “Ze doen daar veel te gewichtig over liedjeszangers.”
* * *
Op zoek naar rust en inspiratie verhuist Dylan die winter met zijn gezin naar New York. Het eens zo landelijke en rustige Woodstock is de laatste tijd overwoekerd met dagjesmensen en toeristen. Maar ook in de stad zijn de tijden veranderd. De artistieke enclave Greenwich Village is een toeristische attractie geworden voor jonge hippies. “Terug kijkend was het geen goed idee,” meent Dylan in ’84. “Maar er was een huis te koop in MacDougal Street en ik herinnerde me dat als een aangename plaats. Dus kocht ik het huis, ongezien. Maar het was niet meer hetzelfde. De Woodstockgeneratie had het daar ook al voor het zeggen.”
Op het eerste gezicht heeft het huis nochtans zijn voordelen: er is een ommuurde tuin, alleen toegankelijk voor de bewoners van het pand. De kinderen kunnen re dus rustig buiten spelen. En de plaatselijke school staat goed aangeschreven.
* * *
In interview met Ed Ward voor Rolling Stone, vertelt Roger McGuinn dat er plannen waren om The Byrds en Bob Dylan samen een plaat te laten opnemen. "Clive Davis, de grote baas van Columbia, belde me op met de vraag of ik een plaat met Dylan wou opnemen. Daar wou ik graag aan meewerken.
Dus belde ik Dylan. Hij was op de hoogte van het voorstel en ik vroeg of hij ideeën had. Maar hij zei dat hij er zelf nog niet over had nagedacht. "Misschien dat jij wat oud material kunt meebrengen? Dan doe ik dat ook en dan komt het wel in orde." Ik vroeg hem of hij misschien wat nummers had liggen die hij zelf niet op zou nemen, maar hij zei dat het schrijven niet wou vlotten tegenwoordig. Ik zei dat we allemaal dik en lui werden en we lachten er om."
We vertrokken naar New York, want we moesten er sowieso al zijn om paar optredens te spelen. Maar maandag hadden we nog altijd niets gehoord. Rond de middag namen de de jongens het vliegtuig en een uur later belde iemand van de platenmaatschappij om te zeggen dat we om half drie verwacht werden in de studio. Ik legde haar de toestand uit. Zij belde naar Dylan en die was er niet over te spreken dat we niet braafjes op een telefoontje hadden zitten wachten.
Het bleek dat er iemand naar het optreden had moeten komen om de zaak te regelen, maar die was niet komen opdagen. Maar ik denk dat het gewoon een vuil spelletje was. Wij hadden Bob Johnston als producer de laan uitgestuurd. Hij had ons 12 uur op voorhand moeten verwittigen - dat is vastgelegd door de vakbond. Hij heeft het met opzet gedaan."
* * *
Na een onderbreking van tien maanden duikt Dylan weer de studio in, op 3 maart 1970. Voor het eerst sinds 1965 kiest hij er voor om terug op te nemen in New York City. In de Columbia Recording Studios hebben ze ondertussen 16-sporen apparatuur geïnstalleerd. Bob Johnston is nog steeds producer.
De klemtoon is verschoven van country naar roots nummers. Maar het blijven voornamelijk covers die Dylan opneemt met zijn favoriete muzikanten: Al Kooper en David Bromberg, plus fiddlespeler Emanuel Green. Het opvallendst is dat hij oude krassende stem terug gebruikt. Weg is het zalvende geluid van de country platen.
Tijdens de sessie in de namiddag van 14:30 tot 18:30 wordt er eerst geprobeerd een fatsoenlijke opname van 'Pretty Saro' op band te zetten. Wanneer dat niet lukt wordt er van het ene na het andere nummer gesprongen. Aan de meeste wordt zelfs geen tweede take besteedt. Alsof hij aan de muzikanten duidelijk wil maken: het lukt in één keer, of we vergeten het maar. Dylan zingt uiterst losjes en klinkt soms alsof hij een slok teveel op heeft.
Toch zullen een aantal van deze nummers, weliswaar met een pak overdubs, worden geselecteerd voor Self Portrait. Van deze sessie zijn dat twee versies van het aloude 'Little Sadie', het prachtige 'Belle Isle' en 'Copper Kettle', 'It Hurts Me Too' (eigenlijk ‘When Things Go Wrong With You’ van Big Bill Broonzy) en een godsalmachtig slechte versie van Paul Simons 'The Boxer' waarop Bob probeert met zichzelf in duet te gaan. Misschien koos hij voor dit nummer omdat het gerucht liep dat het over hem ging?
De volgende dag vinden er weer drie sessies plaats volgens hetzelfde patroon, tussen 14:30 en 2:30. 'Went To See The Gypsy' en een cover van 'Thirsty Boots' van Eric Andersen krijgen elk een vijftal pogingen en alle volgende nummers staan er in één take op. Dylans ene eigen compositie is een verslag over een bezoek aan Graceland, in een poging om Elvis te ontmoeten.
Mogelijk worden er daarna telkens overdubs toegevoegd op de beschikbare sporen. Zo zijn Alvin Rogers (drums) en Stu Woods (bas) toegevoegd in een ander handschrift aan de opnamebladen van 'Days of '49' en 'The Boxer'. Versies van 'Railroad Bill' en 'House Carpenter' blijven ongebruikt, maar een cover van 'Early Morning Rain' van Gordon Lightfoot en het instrumentale 'Wigwam' worden goed genoeg bevonden.
Op 5 maart is er slechts één sessie, van 16:30 tot 20:00. Daarbij zijn er voor het eerst tijdens een sessie van Bob Dylan, een aantal backing zangeressen ingehuurd - maar niet voor het laatst. Verder is er ook een ritmesessie aanwezig: drummer Alvin Rogers en bassist Stu Woods.
De meeste aandacht gaat naar 'Alberta', 'My Previous Life' en 'Time Passes Slowly'. 'Gotta Travel On' van zijn oude maat Paul Clayton kent hij al heel lang en dat staat er dan ook in één keer op. Het laatste nummer van die dag is 'All The Tired Horses', waarvan de volledige tekst luidt: "All the tired horses in the sun/How am I supposed to get any riding done?' Of is het "writing'?
Er is genoeg materiaal opgenomen voor een album: maar liefst 26 verschillende nummers. Maar nadat hij de banden heeft nog eens in alle rust heeft beluisterd, ziet Dylan af van het idee van een folk-covers album. Hij laat Bob Johnston de banden meenemen naar Nashville om ze er uitgebreid te laten bewerken met overdubs. Zelf blijft hij in New York.
Het overdubben begint al op 11 maart. De muzikanten reageren verbaasd op wat ze te horen krijgen. “Dylan stuurde de banden naar hier met de opdracht dat we gewoon er over moesten opnemen, wat er al op stond..." vertelt Charlie McCoy die gitaarpartijen moet inspelen op 'Days Of '49', 'Little Sadie', 'Alberta' en 'All The Tired Horses'.
"Het waren meestal nummers van anderen en het leek alsof hij er mee aan het experimenteren was. De tempo’s waren niet altijd even vast en hij speelde ook niet altijd zuiver op zijn gitaar…. Ik had de indruk… dat hij zomaar wat bij elkaar had gegooid.”
Drummer Ken Buttrey: “Charlie McCoy had zijn werk gedaan en dan kwam ik de studio in, terwijl hij stond in te pakken…. En hij zei: ‘Dit ga je nooit geloven.”
Na hem volgt ook nog bassist Bob L. Moore.
Ook de volgende twee dagen doen de studiomuzikanten hun best om te redden wat ze kunnen.
Na het weekend wordt eerst nog met een beperkte groep muzikanten nieuwe backing tracks opgenomen voor 'Early Morning Rain' en 'Woogie Boogie'.
Maar dan worden alle registers open getrokken. Tijdens een bijna zes uur durende sessie worden onder leiding van de arrangeur Bill Walker blazers en strijkers toegevoegd aan 'Copper Kettle', 'Belle Isle' en 'All The Tired Horses'. Ook zijn er opnieuw drie zangeressen ingehuurd voor nog meer backing vocals.
Twee weken later worden er, op 26 en 27 maart, nog meer blazers en backing vocals toegevoegd aan een aantal tracks in een studio in Hollywood. Bob Johnston kijkt goedkeurend toe.
Maar het resultaat is nog niet naar zijn tevredenheid, want hij keert terug naar Nashville voor nog meer overdubs: sax en gitaar. Zo zijn er op 2 april twee sessies van elk drie uur voor 'The Boxer'. Had Dylan zelf maar zoveel tijd gestoken in zijn zang!
* * *
Wanneer de banden terug wordt een LP samengesteld. Maar voor de tweede keer op rij is Clive Davis niet onder de indruk.
Dylan besluit dan maar er een soort “eigen bootleg” van te maken, naar het voorbeeld van Great White Wonder - de allereerste rock bootlegplaat. Die zogenaamde “witte plaat” van Bob Dylan werd in de zomer van 1969 verkocht op universiteitscampussen en tweedehands zaken. Er staan nummers van de "hotel tape" uit '61, een radio programma uit ’62, wat nummers van de Basement Tapes en ‘Living The Blues’ van de Johnny Cash Show.
De kwaliteit is niet schitterend en er staat geen informatie op de witte kartonnen hoes, maar dat draagt allemaal bij tot de mysterieuze aantrekkingskracht. Op 20 september werd de plaat zelfs in Rolling Stone besproken.
Dylan besloot dus dat voorbeeld te volgen: een paar nummer van zijn onuitgebracht country covers album, een pak nummers van de recentere opnamen in New York en, waarom ook niet…. wat live opnamen van het concert in Wight.
En dan moet er nog een hoes rond en een titel. “Het was uiteindelijk een concept-LP geworden met een titel die alle kanten uitkon: Selfportrait…. Het was nooit mijn bedoeling om mezelf te schilderen.”
Self Portrait wordt op 8 juni 1970 uitgebracht: een dubbel-lp, met een naïef-expressionistich zelfportrait op de hoes. De reacties liegen er niet om: “Wat is dit voor gelul?” vraagt de vooraanstaande rockcriticus Greil Marcus zich in Rolling Stone af. Een goede vraag. Het vierentwintig liedjes lange zelfportret bestaat uit slappe covers van evergreens als ‘Let It Be Me’, ‘Blue Moon’, ‘Take A Message To Mary’ en ‘The Boxer’.
Dylan zal het album later uitleggen als een bewuste poging zijn fans te schofferen. “Ik wilde iets maken waar de mensen niets mee konden, zodat ze naar iemand anders zouden lopen,” zegt hij tien jaar later in datzelfde Rolling Stone.
Maar waarom een dubbel-lp? “Als je dan toch een hoop flauwekul gaat maken, kun je het net zo goed zo hoog mogelijk opstapelen.“
Maar bij die kul zit ook een aantal nummers waarop Dylan wel min of meer zijn best doet, en die erop wijzen dat hij er niet alléén maar op uit was om zijn aanhang te bruuskeren.
Johnston blijft de plaat verdedigen: “Ik hield van die plaat, maar natuurlijk werd het neergesabeld. Maar luister er eens naar. Niet zo van, ‘Dit is de nieuwe plaat van Dylan.’ Luister gewoon naar wat er te beleven valt. Het is een schitterende plaat.”
En ook het publiek schijnt het wel te lusten: Self Portret komt op 4 juli '70 de Billboard-albumlijst binnen en bereikt even later de vierde plaats.
20:02 Gepost door Peerke in Bob Dylan | Permalink | Commentaren (1) | Email dit | Tags: isle of wight, woodstock, popfestival, the band, fire island, new york |
Facebook |
13-03-07
Joni Mitchell - Hejira
Joni Mitchell - Hejira
Telkens Joni Mitchell met problemen werd geconfronteerd, ging ze haar geluk elders zoeken. Maar in het voorjaar van 1976, met een turbulente relatie die op de klippen was gelopen en teveel drugs in haar aderen, trok ze vol overtuiging op weg. "Ik liep weg van de liefde, ik wou weg van de waanzin en ik zocht iets dat zin gaf aan alles," zegt ze. "De weg werd een metafoor voor mijn leven."
En het werd de inspiratie voor een plaat, die voor vele van haar fans en critici als haar meesterwerk wordt beschouwd. De negen nummers van Hejira vormen een opmerkelijk en persoonlijk verslag van een nomadische, romantische dromer. De plaat staat vol verhalen over gedoemde liefde, dansvloeren in baancafe's in de vroege uurtjes, dromen over trouwjurken, gemiste kansen en een diep verlangen om te ontsnappen en opnieuw te beginnen.
De verhalen die ze vertellen zijn zo levendig, de observaties zo puur en de landschappen zo beeldend dat Kris Kristofferson haar ooit aanspoorde om "zichzelf wat meer te beschermen... nog wat achter te houden voor zichzelf uit het zicht van de fans."
Maar Mitchell zegt dat te biecht gaan bij zichzelf, hoe riskant en onthullend ook, essentieel was voor haar schrijfstijl in die periode. "Mijn nummers zijn altijd autobiografischer geweest dan die van de meeste anderen," zegt ze. "Je moet er wel eerlijk in zijn. Ik was net terug aan het keren naar het normale, na de uitersten van een zeer abnormale geestesh-gesteldheid toen ik het merendeel van die nummers (op Hejira) schreef. Wanneer het leven interessant wordt, wordt ik zeer alert. En het leven was erg interessant, toen. Ik denk dat, dat het schrijven op een hoger niveau heeft gebracht."
Ook met haar teksten sloeg ze nieuwe wegen in. Ze maakte maximaal gebruik van de vrijg-heden die de losse structuren haar boden. Ze geeft haar woorden een eenvoudige directheid en poetische schittereing die ze zelden heeft bereikt in haar muziek daarvoor of daarna. "Wat mij betreft, vind ik het hele Hejira album erg geïnspireerd," zegt Mitchell. "Er is een ongebondenheid, zeker, maar er valt ook heel wat te ontdekken onderweg."
Joni Mitchell vertelt dat de nummers van Hejira werden geschreven tijdens of na drie reizen die ze maakte in het najaar van 1975 en de eerste helft van 1976.
De eerste was een Bob Dylans Rolling Thunder Review. Zijn zigeunerachtige, van drugs doordongen circus trok in de herfst van 1975 door de noordelijke staten van Amerika. Iedereen die er zin in had mocht meedoen. Joan Baez, Mick Ronson, Roger McGuinn, T-Bone Burnett, Ronee Blakely, Allan Ginsburg en vele anderen trokken mee rond. Joni haakte half november in en trok mee tot het einde, een maand later. Mitchell zette hen af in Maine en reed dan verder langs de kust tot Florida, rond de Golf van Mexico en dan door het Zuidwesten, over de Blue Highway US 80 terug naar Californië. "Ik reed zonder rijbewijs," blikt ze terug. "Ik moest voortdurend achter vrachtwagens blijven hangen. Die geven mekaar signalen wanneer er ergens politie staat. Ik kon dan ook alleen overdag rijden, om problemen te vermijden."
In Memphis, Tennessee ziet ze de bijna tachtigjarige blueszanger Walter "Furry" Lewis optreden. Ze vindt dat de man beter verdient dat de sjofele club in het aftandse Beale Street. Ze gaat hem achteraf opzoeken en hij vertelt haar dat hij haar niet mag. Wanneer zij dat later verwerkt tot 'Furry Sings The Blues' vindt de oude man dat hij recht heeft op een minstens een deel van de royalties… omdat zijn naam wordt vernoemd.
Op zoek naar een gepaste titel voor één van de nummers, stootte ze in een woordenboek op het woord "hejira". Dat is een Islamitische term voor exodus of breuk met het verleden. Mohammed moest weg uit Mecca - het betekent een droom verlaten, zonder schuld. "Ik had moeite om een titel te vinden voor dat nummer," zegt ze. "Het idee van een eervol vertrek vatte goed het gevoel waarnaar ik op zoek was."
18:51 Gepost door Peerke in Joni Mitchell | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: joni mitchell, hejira, jaco pastorius, bob dylan, rolling thunder revue, new york, black crow |
Facebook |
01-03-07
The Freewheelin' Bob Dylan

Eind januari 1962 was Bob Dylan begonnen met het schrijven van protestsongs. “Ik wou gewoon een lied om te zingen en ik kwam op een punt dat ik niks had om te zingen. Dus moest ik schrijven wat ik wou zingen want niemand anders schreef wat ik wou zingen. Als ik dat had gekund was ik waarschijnlijk nooit begonnen met schrijven.”
Het zal wel geen toeval zijn dat Bob begon met het schrijven van protestnummers kort nadat hij bij zijn vriendinnetje Suze Rotolo was ingetrokken op haar studiootje in de West 4th Street in New York. Suze kwam uit een familie met sterke linkse sympathieën en al op zeventienjarige leeftijd was zij actief bezig in de beweging voor rassengelijkheid. Ondanks haar jonge leeftijd had ze al veel gelezen en – niet te versmaden – haar zus had een indrukwekkende collectie platen met Amerikaanse folkmuziek.
Op 23 februari zou Dylan optreden tijdens een CORE (Congress of Racial Equality) benefiet in de City University. Twee weken daarvoor speelde hij voor zijn vrienden, de MacKenzies, een nummer dat hij speciaal daarvoor had geschreven: ‘The Death Of Emmett Till’. Hij verhaalt daarin het ware verhaal van een veertienjarige zwarte jongen, die in Mississippi werd vermoord omdat hij met een blank winkelmeisje had geflirt. Hij werd door enkele blanke heethoofden in het hoofd geschoten, waarna zijn lijk in de Tallahatchie rivier werd gegooid. De mannen werden vrijgesproken.
Met dat soort nummers was hij welkom bij het nieuwe tijdschrift Broadside. Dat gestencilde blaadje was door de folkzanger Pete Seeger met de hulp van Agnes “Sis” Cunningham opgezet om hedendaagse protestnummers te publiceren. Wanneer einde februari het eerste exemplaar wordt verspreid prijkt daarin Dylan’s ‘‘Talking John Birch Paranoid Blues’, een satire op moderne heksenjagers en hun obsessie met communistische indringers.
‘Let Me Die In My Footsteps’ was een ander uitstekend nieuw nummer dat hij in die tijd schreef. Het was een reactie op de obsessies van de Koude Oorlog met de aanleg van schuilkelders en oefeningen met luchtalarm.
Een vierde nieuw nummer, ook geschreven binnen de periode van een maand, was ‘The Ballad Of Donals White’. Voor de melodie maakte hij gebruik van Bonnie Dobsons versie van ‘The Ballad Of Peter Amberley’, een compositie van John Calhoun uit 1881. De tekst was dan weer gebaseerd op een documentaire die hij op TV zag.
Bob Dylan: “Ik schreef waar ik was. Soms zat ik een hele dag aan een tafeltje in een café, zomaar alles op te schrijven wat in mij opkwam… gewoon om het even wat. Ik keek uren naar de mensen en ik verzon van alles over hen. Of ik dacht, welk soort lied zouden die willen horen ? En dan bedacht ik er een.”
Nu hij meer zelf begon te schrijven moest hij een uitgever hebben. Zijn ontdekker/producer John Hammond regelde dat hij zijn nummers kan onderbrengen bij de muziek uitgeverij Leeds Music. Hij nam ook een aantal nummers voor hen op, zodanig dat ze door anderen konden worden gecoverd.
Het feit dat Bob goede, eigen nummers begon te schrijven maakte hem in de folkgemeenschap tot iets bijzonders en het nieuws verspreidde zich snel. Toch vertelde hij tegen de promotor Izzy Young, uitbater van het Folklore Center, dat hij zich van de folkscène los aan het maken was. Hij was “het moe in koffiehuizen te moeten spelen voor toeristen die aapjes kwamen kijken.”
