26-05-08
Oud
Voila. Het is officieel. Ik ben een oude zak.
Jarenlang heb ik mezelf wijsgemaakt dat ik nog "mee" was. Vrienden van vroeger, mannen met wie ik uren kon doorbomen over muziek, kijken verbaasd op wanneer ik hen vraag waar zij nu naar luisteren. Zij houden zich al lang niet meer bezig met popmuziek. Sommigen zijn overgestapt op klassiek. Voor anderen hoeft het allemaal niet meer. De knop van het radiotoestel is voor eeuwig vastgeroest op Radio 2 of Radio Donna.
Ik dacht altijd: daar doe ik niet aan mee. Ik lees trouw elke maand Mojo, Uncut of Heaven. Dagelijks schuim ik het net af om de interessante blogs en fora te lezen. Nieuwe dingen ontdek ik via MySpace of Last FM. Of het enige muziekprogramma op TV: Later... With Jools Holland.
Ik doe niet mee met dat legertje van mensen die beweren "in onzen tijd, toen werd er nog muziek gemaakt." Integendeel zelfs: ik heb meer cd's in mijn kast staan die zijn uitgebracht sinds pakweg 2000 dan van de twee decennia daarvoor.
Maar nee, dit weekend is het allemaal pijnlijk duidelijk geworden: ik heb mezelf wat wijs gemaakt.
Het begon met Hoochiecoochie. In zijn stukje "Schrijven over muziek" legt Martin Pulaski uit hoe het komt dat hij zo graag terugblikt naar oudere dingen. Een zeer herkenbare uitleg. Het enige verschil is dat ik van negenenvijftig ben. Mijn "hoogtepunt" ligt dus in de jaren zeventig. The Modern Lovers, The Clash, David Bowie en Talking Heads waren mijn helden. En Elvis Costello natuurlijk.
Daarna klikte ik door naar Roen's Ranch. Hij verwees in zijn concertverslag over Tift Merritt naar een stukje van Auke Kok in de Nederlandse krant NRC onder de titel "Americana is muziek voor oudere, gescheiden mannen".
Zo, daar staat het zwart op wit: ik ben oud. Want ik hou van Americana.
Even dacht ik nog: ik ben niet gescheiden, dus dat valt nog wel mee.
Maar toen las ik in de Humo de cd-bespreking van de nieuwe van diezelfde Elvis Costello. (godb) besluit zijn lovende stukje over Momofuku met de woorden: "Hebt u die cursus Heuristiek van de Duitse Literatuur nu overigens al geblokt, of hebt u weer te lang in de Humo zitten lezen?"
Meteen is het weer duidelijk: het doelpubliek van het onafhankelijke weekblad voor radio en televisie is tussen de 16 en 22. Na je studententijd wordt je blijkbaar niet meer verondersteld naar muziek te luisteren.
Of alleen nog naar muziek voor oude zakken. Americana, dus.
Zoals ik.
11:54 Gepost door Peerke in persoonlijk | Permalink | Commentaren (6) | Email dit | Tags: hoochiekoochie, uncut, heaven, humo, elivis costello, jaren tachtig, jaren negentig, blogs, radio 2, radio donna, oude zak, the clash, heuristiek, duitse literatuur, blokken, studententijd, roen s ranch, americana, mojo, jools holland, tift merritt, talking heads, david bowie |
Facebook |
16-09-07
Bob Dylan: The Basement tapes

Later gaf hij toe: "Het keerpunt was kort na het ongeval. Op een nacht met een volle maan, keek ik uit over de donkere bossen en dacht: 'Er moet iets veranderen'."
Pas na zes weken keerde hij terug naar zijn vrouw en kinderen in het landelijke Byrdcliffe, nabij Woodstock. Die kunstenaarsenclave ligt op meer dan twee uur rijden van New York. Dylan had er in ’65 Hi Lo Ha gekocht, een groot cederhouten huis uit 1910, met vijf open haarden en evenveel badkamers. Ver van alle drukte geniet hij er met volle teugen van zijn leven als brave huisvader. Een van de weinige die hem daar af en toe ging opzoeken is Al Aronowitz, de journalist die hem bij The Beatles introduceerde. Aronowitz meende later: "Bob en Sara waren zowat het onafscheidelijkste koppel dat ik ooit heb gezien. In de jaren na zijn ongeval, was Bob doorlopend verliefd op zijn vrouw."
* * *
Omdat Dylan, volgens het contract uit 1961, CBS nog maar één plaat moet, begint zijn manager Albert Grossman, alvast aan het onderhandelen met andere platenmaatschappijen. MGM is geïnteresseerd. Zij bieden een miljoen dollar als voorschot. Een contract wordt getekend.
Maar Clive Davis, de vice-voorzitter van Columbia Records wil hem niet zomaar laten gaan. Hij speelt de verkoopcijfers van hun artiest door aan de concurrentie. Van Dylans platen zijn immers nooit meer dan een half miljoen verkocht, terwijl The Beatles, The Rolling Stones en zelfs Elvis Presley het veel beter doen. De rebelse Dylan slaat alleen aan bij een jonger publiek en schrikt hun kapitaalkrachtiger ouders af. MGM trekt zich terug.
Bij gebrek aan nieuw materiaal brengt Columbia op 27 maart 1967 dan maar een verzamelplaat uit: Bob Dylan's Greatest Hits - ook al zijn weinig van deze tracks echt hits geweest. Bij de plaat zit ook de nu wereldberoemde poster van Milton Glaser waarop Dylans haar vervangen is door psychedelische kleurenslierten.
De LP komt op 6 mei 1967 de Billboard-albumlijst binnen en bereikt de top tien.

Op 1 juli tekent Dylan dan een nieuw contract voor vijf jaar bij zijn oude platenmaatschappij. Hoewel het voorschot slechts 200 000 dollar is, krijgt hij 20% royalties op nieuwe platen , een extra 5% op oud werk en ongebruikelijke macht over zijn materiaal. De aanleiding tot zoveel toegefelijkheid is prestige. Andere, beter verkopende acts, willen graag op hetzelfde label als hun grote voorbeeld ondergebracht worden. En het mysterie dat om Dylans verdwijntruc hangt werkt: Greatest Hits is Dylans best verkochte plaat tot dan toe geworden: drie miljoen exemplaren.
* * *
Het eerste teken van leven van de man zelf komt op 7 mei 1967. Het New Yorkse Daily News publiceert een nieuw interview met de popster. Op de vraag van Michael Iachetta wat hij heeft gedaan de laatste maanden antwoordt Dylan: “Boeken gelezen van mensen waarvan jij nooit hebt gehoord, denken waar ik naar toe moet en waar ik loop. Ik ben met teveel tegelijk bezig!"
Het interview is bedoeld als promotie voor de documentaire film Don't Look Back die dezelfde dag in première gaat in het Presido Theatre in San Francisco. Dylan zelf komt natuurlijk niet opdagen.
Hij heeft het veel te druk met het hermonteren van de volgende film: Eat The Document. Enkele maanden geleden had D. A. Pennebaker hem een voorvertoning laten zien van de documentaire over zijn meest recente tournee. "Ze hadden er een tweede Don't Look Back van gemaakt," meende hij in 1978. "Alleen deze keer voor televisie. Ik had niks beters te doen dan de film te bekijken. Het hele spul, inclusief alle ongebruikt materiaal. Het werd me snel duidelijk dat het rommel was. Kilometers en kilometers rommel."
De confrontatie met zichzelf kwam hard aan.
"Toen hij de film voor het eerst zag was hij geschokt,” weet de zangeres Nico. “Niet omwille van zijn gedrag, maar om hoe hij er uit zag. Zijn voorkomen voor altijd vast gelegd op film, door iedereen te bekijken: mager als een lucifer, in een leren jas. Hij wou er uit zien als Brian [Jones] of Jim [Morrison], niet als een folkzanger. Dat is waarom hij de film wou tegenhouden. Vreemd, want hij had een eigen imago, als hij er niet probeerde uit te zien als iemand anders - het Dylan kapsel? Iedere artiest gaat door zo een fase. Ze maken hun eigen beeld, beetje bij beetje. Soms overdrijven ze en maken zich belachelijk - kijk naar Lou Reed. Het is niet altijd pure ijdelheid; het is ook voor hun volgelingen, om een held te zijn, een perfect idool."
Ontevreden met het resultaat zoals het door Pennebaker werd gepresenteerd, besloot Dylan om de hele film te verknippen en door elkaar te hutselen. Robbie Robertson kwam hem daarbij helpen. Hij trok voorlopig in bij Bob en Sara. En ook Howard Alk, de cameraman die de film in Engeland had geschoten, assiteerde.
Na enkele weken besloot Dylan dat hij wat extra scènes wou draaien. Hij nodigde wat vrienden uit om te komen te acteren. In februari arriveerden Rick Danko en Richard Manuel. Sinds het ongeval zaten The Hawks in het Chelsea hotel te wachten. Ze werden immers nog altijd doorbetaald. “Dat was de eerste keer dat ik aan Woodstock werd blootgesteld,” aldus Danko, “In de winter, filmend in de sneeuw.”
Passend bij het surrealistische resultaat werd de film Eat The Document gedoopt. Zelfs nu, veertig jaar later hebben weinig mensen de documentaire gezien.Wanneer Garth Hudson enkele weken later ook arriveert, huren The Hawks een huis in het nabijgelegen West Saugerties. Omwille van de aardbeienijs kleur waarin het is geverfd wordt het Big Pink gedoopt. Robertson en zijn vriendin Dominique verkiezen een ander verblijf.
Robertson blikt terug: "Ik woonde er wel niet, maar het idee was dat we, net als in New York, samen zouden hokken. Maar in plaats van in de stad was het nu in op het platteland. Het was een soort clubhuis en wij waren dan een bende - alleen speelden wij muziek in plaats van te gaan vechten. Elke dag kwamen we samen. En zodra Bob beter was, kwam hij ook elke dag."
“Bob en Robbie kwamen hier elke dag, vijf tot zeven dagen per week, zeven of acht maanden lang,” aldus Danko. “Bob verscheen altijd klokslag twaalf uur.” Hij zette een kop koffie en ratelde op de typmachine. The Hawks waren, na jaren van touren gewoon aan een nachtelijk regime van ’s avonds werken en overdag slapen. Met kinderen in huis was Dylan overgeschakeld op een meer geregeld leven. Met zijn irriterend getyp waarschuwde hij de mannen dat het tijd was om uit bed te komen.
"We verzamelden om een uur of één in de kelder van Big Pink,” bevestigd Robertson. ”Het was pure routine. Om niet gek te worden van verveling speelden we elke dag muziek… zomaar. Zonder een speciale reden. We waren geen plaat aan het maken. We dolden maar wat, om de tijd te doden."
Het maakt niet uit of het folk, blues of country is. Ieder nummer is diep geworteld in de tradities van de Amerikaanse muziek. "Met die covers wou Bob ons opvoeden," meent Roberston. "Wij moesten niks van dat folkgedoe hebben in het begin - we kenden daar absoluut niks van... Hij kwam dan met iets als '[The Banks of the] Royal Canal,' en wij riepen uit: 'Dat is prachtig!'"
... hij kende er zo veel. Hij kwam naar Big Pink of waar we ook waren en toverde dan weer zo een oud nummer uit zijn hoed. Hij had zich voorbereid. Hij oefende eerst en dan pakte hij er mee uit, om het ons te tonen."
De grote verscheidenheid aan materiaal is opmerkelijk. Van alles laat Dylan de revue passeren: van zeeliederen tot country tranentrekkers, van pure gospel tot eenvoudige moraliserende liedjes, van de Engelse en Ierse balladen tot die uit het Apalachen gebergte… Johnny Cash, the Stanley Brothers, Ian Tyson, Rick Van Schmidt…"Hij leek ze zomaar uit zijn mouw te schudden," herinnert Robbie Robertson zich. "We hadden geen idee of hij ze zich herinnerde of dat hij ze zelf geschreven had. Als hij het zong kon je geen verschil merken."
Regelmatig wordt de namiddag afgerond door twee of drie van de nummers die overdag waren gespeeld, op band te zetten. Gewoon, losjes, in één take.
Die bandopnemer was op een of andere manier nog was blijven liggen na de wereldtournee van 1966. Professioneel materiaal dus, uitgerust om drie microfoons per kanaal te werken en vier of vijf uitstekende Neumann microfoons. Garth Hudson nam het op zich om het toestel te bedienden. Later zou Dylan opmerken: "Zo zou je altijd moeten kunnen opnemen - in een vredige, relaxte omgeving… ergens in een kelder, met de ramen open en een hond aan je voeten."
* * *
Af en toe wordt er ook bij Dylan thuis verzameld. Dan musiceren ze in de Rode Kamer. Maar Sara maakt snel een einde aan die bijeenkomsten. Op 11 juli is Anna Lea Dylan, het tweede kind van Sara en Bob geboren. Zo’n bende in huis de hele dag vindt ze maar niks. Zeker met kleine kinderen die moeten slapen.
Terug dus naar de kelder van Big Pink. Vandaar de latere benaming: The Basement Tapes. Opvallend is dat van de meer dan honderd nummers die zijn bewaard gebleven er geen enkele een cover is van de nummers die in de hitparade van die tijd stonden. Niks Summer Of Love: geen Sgt. Pepper’s, geen Jefferson Airplane of Doors. In de kelder in de bossen van Woodstock worden oude Sun nummers als 'Big River' of 'Folsom Prison Blues' gevolgd door een doo-wop klassieker als 'Silhouettes', John Lee Hookers 'I'm In The Mood For Love' of Sam Cookes 'Bring It On Home'.
'All American Boy' was een hitje van Bobby Bare uit 1957 waarin de lof werd bezongen van Elvis. De verwijzingen naar Colonel Parker worden door Dylan echter veranderd in kritiek op zijn eigen manager Grossman.In het interview van mei 1967 had hij al verklaard: "Er zitten nog steeds songs in mijn hoofd. Maar ik zal ze niet opschrijven zolang bepaalde dingen niet zijn uitgeklaard. Niet voordat bepaalde mensen goedgemaakt hebben wat ze hebben aangericht."
Dylan lag overhoop met zijn manager omdat hij had vastgesteld dat de muziekuitgeverij Dwarf Music die Grossman voor hem had opgericht voor 50% eigendom was van zijn manager.Begin september worden de opnamen onderbroken. Dylan brengt dan met Aronowitz een bezoekje aan New York. Door zijn pluizige baard en een Gaucho hoed is hij onherkenbaar. Zelfs in Greenwich Village, waar hij toch verscheidene jaren heeft gewoond, valt hij niet op.
* * *
Terug thuis worden drie takes van 'Tears Of Rage' gevolgd door twee van 'Quinn The Eskimo (The Mighty Quinn)'.Aan het einde van de maand heeft Dylan meer dan dertig nieuwe nummers geschreven. Tien daarvan vindt hij de moeite waard om ze te laten registreren bij Dwarf Music. Daarvoor wordt een mono demo tape gemaakt: 'Million Dollar Bash', 'Yea Heavy and a Bottle of Bread', 'Please Mrs. Henry', 'Down In the Flood', 'Lo and Behold', 'Tiny
Bij twee geeft hij een van de bandleden op als coauteur: Richard Manuel voor 'Tears Of Rage' en Rick Danko bij 'This Wheel's On Fire'. "Hij kwam naar de kelder met een uitgetypte tekst... en hij zei, 'Heb je geen muziek hiervoor?'," herinnert Manuel zich. "Ik had wel iets dat paste ... dat werkte ik dan verder uit. Ik had geen flauw idee waar de tekst over ging. Ik kon moeilijk naar boven lopen en vragen, 'Wat betekent dat, Bob: 'Now the heart is filled with gold as if it was a purse'?'"
De eerste vier nummers van deze tweede demoband werden, samen met de nummers van de eerste band, op een acetate geplaatst die onder muzikanten werd verdeeld, om er eventuele covers van op te nemen.
In 1978 geeft Dylan toe dat dat ook de bedoeling was van de nummers die in Big Pink waren geschreven: "... Ik herinner me niemand specifiek ... In die tijd was psychedelische rock de grote mode en wij zaten daar maar ouderwetse ballads te zingen."
“We hadden er geen idee van dat iemand dat spul ooit zou horen,” legt Robertson uit. “Het was puur bedoeld voor de muziekuitgeverij. Erw aren geen arrangementen of zo. Niets was afgesproken, het was gewoon op band gezet zoals het geurde. Soms speelde we een nummer twee of drie keer, om een volledige versie te hebben, of om een ander tempo te proberen. Gewoon dat we het gevoel hadden van OK, dit is goed genoeg.”
Natuurlijk zorgt Grossman dat Peter, Paul and Mary de eerste keuze hebben. Zij komen in november 1967 al met ‘Too Much of Nothing’.
Hij was puur zakelijk. Niks gevoel. Het was zo van: “Hier zijn wat liedjes van Dylan - luister maar eens, zie wat je kan gebruiken.”
Ze kiezen er een viertal nummers uit, waarvan ze er later twee opnemen. ‘The Mighty Quinn’ wordt met een fluitarrangement van Klaus Voormann half januari uitgebracht. De single staat vanaf 14 februari '68 twee weken op de eerste plaats in de Engelse hitparade.
We waren er dan ook bijna allemaal bij. Zodra die plaat met het witte label opgelegd werd hoorden we een vreemd allegaartje van stijlen en rare teksten uit de speakers komen. Het leek zo ondergronds. Zo anders. We vonden het geweldig. Als we konden, hadden we ze allemaal gecoverd.”
Pas in 1975, geeft hij toestemming om het materiaal officieel uit te brengen. Zelf heeft hij geen zin om zich daar mee bezig te houden. Dus krijgt Robbie Robertson de opdracht om het materiaal te selecteren. In plaats van de veertien nummers, die al jaren circuleren gewoon op plaat te zetten, kiest die er voor een eigen selectie te maken van zestien nummers. Daar voegt hij dan acht onuitgegeven nummers van The Band aan toe, waarvan de helft effectief opgenomen zijn in Big Pink. Hij vindt het ook nodig om drums, gitaar en piano toe te voegen aan een aantal van de oorspronkelijke banden en dan het geheel in mono te remixen.
Bovendien is zijn songkeuze in enkele gevallen erg bedenkelijk: klassiekers als ‘I Shall Be Released’ en ‘The Mighty Quinn’ worden weggelaten, terwijl prachtige onuitgegeven songs als ‘Sign on the Cross’ en ‘’I'm Not There (1956)’ over het hoofd worden gezien. Ook geeft hij de voorkeur aan een ruwere eerste take van ‘Too Much of Nothing’, in plaats van de oorspronkelijk bekende en beter uitgevoerde tweede take.
Toch reageren zowel critici als het publiek erg enthousiast wanneer The Basement Tapes op 26 juni 1975 worden uitgebracht. Aan beide zijden van de Atlantische oceaan bereikt de dubbel-LP de top tien. Dylan reageert verbaasd:
De gekende muziekcriticus Greil Marcus schreef zelfs een heel boek over de opnamen: The Old, Weird America: The World of Bob Dylan's Basement Tapes. Daarin vergeleek hij de Basement Tapes met de Anthology of American Folk Music. Dat is een verzameling 78-toerenplaatjes uit de jaren 20 en 30, samengebracht door Harry Smith . In het boek betoogd Marcus dat beide collecties een alternatieve en veel vreemdere geschiedenis van de Verenigde Staten beschrijven.
Dylans terugkeer naar de traditionele muziek bleek niet minder revolutionair als zijn eerdere verwezenlijkingen. Rock bands als de Flying Burrito Brothers,
13:33 Gepost door Peerke in Bob Dylan | Permalink | Commentaren (2) | Email dit | Tags: the band, americana, woodstock, basement tapes |
Facebook |


