01-03-07
The Freewheelin' Bob Dylan

Eind januari 1962 was Bob Dylan begonnen met het schrijven van protestsongs. “Ik wou gewoon een lied om te zingen en ik kwam op een punt dat ik niks had om te zingen. Dus moest ik schrijven wat ik wou zingen want niemand anders schreef wat ik wou zingen. Als ik dat had gekund was ik waarschijnlijk nooit begonnen met schrijven.”
Het zal wel geen toeval zijn dat Bob begon met het schrijven van protestnummers kort nadat hij bij zijn vriendinnetje Suze Rotolo was ingetrokken op haar studiootje in de West 4th Street in New York. Suze kwam uit een familie met sterke linkse sympathieën en al op zeventienjarige leeftijd was zij actief bezig in de beweging voor rassengelijkheid. Ondanks haar jonge leeftijd had ze al veel gelezen en – niet te versmaden – haar zus had een indrukwekkende collectie platen met Amerikaanse folkmuziek.
Op 23 februari zou Dylan optreden tijdens een CORE (Congress of Racial Equality) benefiet in de City University. Twee weken daarvoor speelde hij voor zijn vrienden, de MacKenzies, een nummer dat hij speciaal daarvoor had geschreven: ‘The Death Of Emmett Till’. Hij verhaalt daarin het ware verhaal van een veertienjarige zwarte jongen, die in Mississippi werd vermoord omdat hij met een blank winkelmeisje had geflirt. Hij werd door enkele blanke heethoofden in het hoofd geschoten, waarna zijn lijk in de Tallahatchie rivier werd gegooid. De mannen werden vrijgesproken.
Met dat soort nummers was hij welkom bij het nieuwe tijdschrift Broadside. Dat gestencilde blaadje was door de folkzanger Pete Seeger met de hulp van Agnes “Sis” Cunningham opgezet om hedendaagse protestnummers te publiceren. Wanneer einde februari het eerste exemplaar wordt verspreid prijkt daarin Dylan’s ‘‘Talking John Birch Paranoid Blues’, een satire op moderne heksenjagers en hun obsessie met communistische indringers.
‘Let Me Die In My Footsteps’ was een ander uitstekend nieuw nummer dat hij in die tijd schreef. Het was een reactie op de obsessies van de Koude Oorlog met de aanleg van schuilkelders en oefeningen met luchtalarm.
Een vierde nieuw nummer, ook geschreven binnen de periode van een maand, was ‘The Ballad Of Donals White’. Voor de melodie maakte hij gebruik van Bonnie Dobsons versie van ‘The Ballad Of Peter Amberley’, een compositie van John Calhoun uit 1881. De tekst was dan weer gebaseerd op een documentaire die hij op TV zag.
Bob Dylan: “Ik schreef waar ik was. Soms zat ik een hele dag aan een tafeltje in een café, zomaar alles op te schrijven wat in mij opkwam… gewoon om het even wat. Ik keek uren naar de mensen en ik verzon van alles over hen. Of ik dacht, welk soort lied zouden die willen horen ? En dan bedacht ik er een.”
Nu hij meer zelf begon te schrijven moest hij een uitgever hebben. Zijn ontdekker/producer John Hammond regelde dat hij zijn nummers kan onderbrengen bij de muziek uitgeverij Leeds Music. Hij nam ook een aantal nummers voor hen op, zodanig dat ze door anderen konden worden gecoverd.
Het feit dat Bob goede, eigen nummers begon te schrijven maakte hem in de folkgemeenschap tot iets bijzonders en het nieuws verspreidde zich snel. Toch vertelde hij tegen de promotor Izzy Young, uitbater van het Folklore Center, dat hij zich van de folkscène los aan het maken was. Hij was “het moe in koffiehuizen te moeten spelen voor toeristen die aapjes kwamen kijken.”
