08-12-08

Het haaienverhaal van Led Zeppelin

decoration

  

 

Een klassieker onder de straffe rockverhalen is het "haaienverhaal" van Led Zeppelin.

 

Het was 1969. Led Zeppelin had indruk gemaakt met hun debuutplaat en Amerika lustte wel pap van hard bluesrock. Die zomer doorkruisten ze de Verenigde Staten en ze genoten met volle teugen. 

Richard Cole, die mee rond trok als hun tour manager getuigde in de biografie van de band, Hammer of The Gods: "In die tijd kon er van alles gebeuren tijdens het touren. Je kon doen wat je maar wou met de meisjes die in het hotel opdoken. Die tweede tour van Led Zeppelin sloeg alles. Ik amuseerde me te pletter. We waren op weg naar de top, maar niemand hield ons in de gaten. Je kon je naar hartelust je gang gaan."

Op 29 juli stond de band op de affiche van het popfestival in het Gold Creek Park van Seattle, samen met een pak andere grote namen: The Doors, Ike and Tina Turner, Vanilla Fudge….

En waar in Seattle konden de bands beter worden ondergebracht dan in de beroemde Edgewater Inn? Het hotel had naam gemaakt in augustus 1964, toen The Beatles er een nacht hadden gelogeerd tijdens hun Amerikaanse tournee. Het mooie aan het hotel was dat het was gelegen aan de  Stille Oceaan. Of liever, boven de oceaan, want het is op een pier gebouwd, in de baai van Puget Sound. Het management ging er prat op dat de klanten die overnachten op de onderste verdieping  vanuit hun kamer konden vissen. In de lobby kon men zelfs visgerief huren of kopen. 

decoration
The Beatles aan het vissen uit het raam van de Edgewater Inn.

Zoiets moesten de jongens natuurlijk uitproberen.

"Ik kan me vaag herinneren dat John Bonham en Jimmy Page helemaal opgingen in het vissen," vertelt Mark Stein, de zanger van Vanilla Fudge, die getuige was van het gebeuren. "Ze vonden het te gek om vanuit het raam te vissen. Ik heb geen idee wat ze vingen… wat voor vis…

We hadden gewoon plezier. De rest zijn geruchten…

Volgens die geruchten hadden een aantal groupies de suite in weten te geraken. Eén van hen was een knappe jonge meid met rood haar. Het zou allemaal begonnen zijn toen iemand een zak vol vis over het naakte meisje uit kieperde. Dan zouden ze het meisje hebben vastgebonden op het bed. Toen kwam iemand op het idee om te proberen stukken vis in haar lichaamsopeningen te stoppen.

Stein zou alles hebben gefilmd met zijn 8 mm camera.

Enkele weken later moesten de mannen van Vanilla Fudge op de vlieghaven van Chicago wachten op hun vertrek. Toevallig raakten ze er aan de praat met de Don Preston, de pianist van Zappa's band, de Mothers Of Invention. Ze pochten over het filmpje van Led Zeppelin, de groupie en de vissen.…. en een legende was geboren. 

In zijn eigen boek, Stairway to Heaven: Led Zeppelin Uncensored, vertelt Cole: "Het gerucht ging al snel een eigen leven lijden. Er werd verteld dat het meisje verkracht werd… dat ze hysterisch aan het huilen was… dat ze me smeekte er mee op te houden… dat ze had willen weg geraken… dat ze met een vis zou zijn gepenetreerd. Dat is allemaal niet waar."

Volgens een variante zou het meisje zijn afgeranseld met een levende inktvis.

Toen aan de bassist van de band, John Paul Jones, om tekst en uitleg werd gevraagd, probeerde die een en ander recht te zetten: "Volgens mij is dat inktvisverhaal niet helemaal waar. Voor zover ik mij herinner was het een dode haai."

Frank Zappa pikte het haaienverhaal op en schreef er een nummer rond: 'The Mud Shark' - terug te vinden op de liveplaat 'The Mothers Fillmore East, June 1971'.

In Hammer Of The Gods probeerde Cole later het verhaal tot de juiste verhouding terug te brengen: "Bonzo (John Bonham) had er niks mee te maken. Robert (Plant) en Bonzo wisten van niks: dat waren nog kinderen. En trouwens, het waren geen stukken haai: het was alleen de neus van de vis. Die vissen leefden nog. …Het waren geeneens haaien. Het was roodbaars. En die rosse griet had een rosse poes… vandaar.

Dat is de waarheid. Bonzo was er bij maar ik heb het gedaan. Mark Stein heeft alles gefilmd…

En zij genoot er van. 'Eens kijken of die rosse van roodbaars houdt!' Dat was het. Het was alleen de neus van de vis en ze is zeker twintig keer klaar gekomen.

Ik zeg niet dat het grietje niet dronken was - en wij waren zeker zat - maar we wilden niemand kwaad doen of pijnigen. Echt niet. Ze heeft misschien wat klappen gekregen met een haai omdat ze niet deed wat wij zeiden, maar ze heeft er zeker niks aan over gehouden."

 

Wat is er echt gebeurd? Wie zal het zeggen. 

Misschien was het hele verhaal wel een publiciteitsstunt van twee jonge bands, op weg naar de top. Het bewijs, het fameuze filmpje van Mark Stein, is zelfs nu - bijna veertig jaar later - nog steeds niet opgedoken. "Ik heb de filmpjes niet meer," verklaart Stein: "Onze tourmanager van toen heeft die allemaal achter gehouden. Ik zou ze wel graag terug hebben."

In ieder geval mocht Led Zeppelin in 1973 terug overnachten in het hotel.

Alleen maakte ze het deze keer wel heel bont. Ze vingen zo'n dertig haaien en verstopten die overal in het hotel: onder bedden, in toiletten, in de liften, in badkuipen. Bovendien gooiden ze alles wat los en vast zat uit het raam: bedden, Tv's, lampen, gordijnen…

Daarna waren ze niet meer welkom in de Edgewater Inn.

 

decoration

de Edgewater Inn

 

The Mud Shark - Frank Zappa

22-12-07

'Sunny Goodge Street'

Sunny Goodge Street

decoration



Natuurlijk kende ik het nummer al langer, van op een compilatie van Donovan. Bij oppervlakkige beluistering leek het een leuk, jazzy, loom zomers melodietje. Een beetje ongewoon dat wel. Maar nadat het in december 2002 opdook op een cd bij het tijdschrift Mojo, rond het thema drugssongs ging ik voor het eerst echt naar de tekst luisteren. Toen bleek er heel wat meer achter de zitten.


Een nieuw geluid

Miles Davis pakte in 1969 op zijn In A Silent Way verrassend uit met een samensmelting van jazz en rock. Toch was hij daarmee niet de eerste. De Schotse folkzanger Donovan Leitch deed het hem vier jaar eerder al voor met 'Sunny Goodge Street' op zijn tweede LP.

Die plaat, Fairytale, werd op 22 oktober 1965 uitgebracht in Engeland. Net als op zijn debuutplaat What's Bin Did and What's Bin Hid, staan op Fairytale voornamelijk liedjes waarop Donovans zang enkel wordt begeleid door zijn eigen harmonica en akoestische gitaar. Af en toe kleurt Shawn Phillips de zaak wat in met een twaalfsnarige gitaar. Het zijn dan ook voornamelijk zelfgepende folksongs, aangevuld met wat covers van collega-folklui als Bert Jansch.

De uitzondering is echter 'Sunny Goodge Street', dat met zijn jazzy feel en de beschrijving van het leven in het stadse Londen vooruitloopt op de richting die hij de volgende jaren zou inslaan.

Het nummer werd dan ook in een afzonderlijke sessie opgenomen, einde september 1965, in de Peer Music in de Londense Denmark Street. Producer Terry Kennedy schreef ook het arrangement. De legendarische Pentangle bassist Danny Thompson bespeelde hierbij naast de akoestische bas ook de cello, aangevuld met Harold McNair op fluit en Franse hoorn, terwijl Skip Alan met borsteltjes het drumstel beroerde.

Hoewel Donovan op basis van zijn eerste singles en langspeelplaat door de Britse pers werd beschouwd als een imitator van Bob Dylan, bewees hij hiermee dat dit eigenlijk onterecht was. Zeker, ze waren beiden zwaar beïnvloed door dezelfde voorbeelden: Woody Guthrie, Derroll Adams en Ramblin' Jack Elliott.

Maar terwijl zijn Amerikaanse tegenhanger het hield bij folk, blues en rock, was de jonge Donovan ook geïnteresseerd in moderne jazz, zoals die werd gebracht door Charles Mingus en Jimmy Giuffre.

Bij de voorbereidingen voor zijn zeer interessante boek Turn! Turn! Turn!: The 1960s Folk-Rock Revolution, interviewde Richie Underberger de zanger hierover.
"Ik luisterde naar jazz, klassieke muziek, Billie Holiday en [klassieke cellist] Pablo Casals. Ik las poëzie en new wave literatuur en ik zag al deze dingen versmelten tot een geluid,” vertelt hij. "Louter muzikaal was 'Sunny Goodge Street' jazz fusion, zelfs wanneer ik het puur akoestisch speelde. De vermenging van de muzikale stijlen kondigde het afbrokkelen aan van de barrières en categorieën in de muziek. Ik introduceerde niet enkel het Keltische-rock genre, ik absorbeerde en verwerkte wereld muziek in het algemeen, trouw aan het credo dat alle muziek evenwaardig is, net als alle mensen op de planeet evenwaardig zijn."


Geestverruimende middelen

“Iedere vrijdagavond reisden enkele van ons, vanuit het beatcafé in St Albans (in Hatfield, waar hij toen woonde), per autostop naar Londen, om er een stukje hashies te gaan kopen. In Londen namen we de metro en kwamen dan bovengronds in het station aan Goodge Street, waar we ons gingen bevoorraden.”

Sinds er in de jaren vijftig een aantal jazzclubs in de buurt waren geïnstalleerd was het bepaalde kringen geweten dat er in de cafe’s in de omgeving van het metrostation illegale spullen konden worden gekocht.

On the firefly platform on sunny Goodge Street
Violent hash-smoker shook a chocolate machine
Bobbed in an eating scene.
Involved in an eating scene.

Smashing into neon streets in their stillness
Smashing into neon lights in their stonedness
Smearing their eyes on the crazy Kali goddess
smearing their eyes on the crazy kerb goddess.
Listenin' to sounds of Mingus mellow fantastic.
"My, my", they sigh,
"My, my", they sigh.

In dull house rooms with coloured lights swingin'
Strange music boxes sadly tinklin'
Drink in the sun shining all around you.
"My, my", they sigh,
"My, my", they sigh, mm mm.
"My, my", they sigh,
"My, my", they sigh.

The magician, he sparkles in satin and velvet,
You gaze at his splendour with eyes you've not used yet.
I tell you his name is Love, Love, Love.
"My, my", they sigh,
"My, my", they sigh.
"My, my" - sigh.


Met zo een thema is het niet te verwonderen dat ‘Sunny Goodge Street’ één van de allereerste popsongs is waarin expliciet druggebruik werd vermeld.

“Maar het nummer gaat niet alleen over de drugs maar ook over het verruimen van het bewustzijn, waar we toen mee bezig waren,” haast Donovan zich, er aan toe te voegen.

"'Sunny Goodge Street' anticipeerde op de spirituele trip van de volgende generaties. De tekst is waarschijnlijk de allereerste in de populaire muziek, waarin het spirituele pad wordt vermeld, met de regels 'the magician he sparkles in satin and velvet, you gaze at his splendour with eyes you've not used yet'. Een verwijzing naar het verruimen van het bewustzijn dat groeide in de generatie van de late jaren vijftig en vroege jaren zestig. Folk-rock is niet alleen een sound. Het is een manifest voor veranderingen!"

Het was als het ware een voorbode voor de summer of love die voor de deur stond.

Voor Donovan zelf was het een scharnierpunt. Die herfst brak hij met zijn manager Ashley Kozak en ging in zee met de Amerikaanse impresario Allen Klein (die later het management van The Rolling Stones en The Beatles zou overnemen). Klein introduceerde hem bij de producer Mickie Most.
Donovan veranderde van een verlegen tweederangs Dylan in een popster. Hij werkte samen met de beste muzikanten uit de Londense scene, waaronder Jack Bruce en de toekomstige leden van Led Zeppelin, John Paul Jones en Jimmy Page. Maar ook jazzmuzikanten als Danny Thompson, Spike Heatley, Tony Carr en John Cameron bleven opduiken op de hoezen van zijn platen en vooral in zijn begeleidingsband tijdens tournees.

Midden 1966 was hij de eerste Britse popmuzikant die werd opgepakt voor drugsbezit. The Rolling Stones volgden en tenslotte werden George Harrison en John Lennon opgepakt.

Toen hij aan het einde van de jaren zestig brak met Mickie Most waren zijn gloriejaren voorbij. Toch ontkent Donovan dat hij het succes alleen aan Most te danken had.

In een interview, gepubliceerd in maart 1997 in het tijdschrift Grip Monthly, vertelde Donovan: ”Op Fairy Tale was er één nummer, ‘Sunny Goodge Street,’ dat ik schreef voor ik Mickie leerde kennen. Dat nummer gaf aan dat er iets aan het veranderen was in mijn muziek. Het was afstand nemen van de folk scène en meer in de richting van jazz en het mystieke. Door dat nummer realiseerde ik me dat ik die elementen kon samenbrengen en ik dacht: ‘dit is buitengewoon. Nu wil ik meer elementen samen laten versmelten.’ En natuurlijk bracht Mickie er het element pop in – hij maakte de singles. Maar eigenlijk was ik toen al meer een ‘singles man'.”


Coverversies

Amper vijf maanden na het origineel bracht Boudewijn de Groot het nummer al, op zijn titelloze debuutplaat. Deze Nederlandse "vertaling" als 'Draai weer bij' was het werk van Harry Geelen, die bovendien ook nog een ander nummer van Donovan onder handen nam: 'The Ballad Of The Chrystal Man' werd 'Nee, Meeuw'.

Harry Geelen was een striptekenaar, die Maarten Toonder assisteerde bij het werk aan diens stripreeks Tom Poes. Later werd hij tekstschrijver voor de televisiereeksen voor de jeugd, Hamelen en Q & Q. Hij schreef ook talrijke jeugdboeken, maar van liedjesteksten hield hij zijn handen af.

Misschien is dat maar goed ook.

Op het platdak wappert je was zo welwillend,
rook uit je schoorsteen kringelt kalm omhoog.
Gunstig voor jou en mij.

Duiven zijn her en der goedmoedig doende,
dom tussen kiezel en asbest en mossen,
vliegend en vlug van dak naar dak
naar de drempel,
laag laag voorbij,
laag laag voorbij.

Een man in het blauw hijst een windwijze wimpel,
blij en voorbeeldig, heer en meester.
Hoog in de zon en wind speelt heel plezierig.
Draai draai weer bij.
Draai draai weer bij.
Wind, draai weer bij.
Wind, draai weer bij.

De brandladder klimt als een kat naar de zon
en handdoeken lachen hoog op je balkon.
En vertel me: wie heb je lief lief lief?
Draai draai weer bij.
Draai draai weer bij.
Draai draai weer bij.


Dezelfde bewerking werd ook nog eens door Liesbeth List op haar debuutplaat Pastorale gezet, in 1968. Waarschijnlijk doordat die plaat gemaakt werd met het team achter de platen van Boudewijn de Groot: producer Tony Vos en arrangeur Bert Paige.

In Engeland bracht de toen nog fréle Marianne Faithfull een bluesy versie van ‘Sunny Goodge Street’ op haar langspeelplaat North Country Maid, uitgebracht op 1 april 1966. Op haar versie speelt de mondharmonica een prominente rol.

Voor de eerste Amerikaanse coverversie werd de toch wat donkere sfeer van Donovans versie omgezet in een vrolijk en helder piano arrangement. Judy Collins bracht het in november 1966 op haar plaat In My Life.


In deze clip brengt Donovan ‘Sunny Goodge Street” op akoestische gitaar: http://www.youtube.com/watch?v=Bs_6cVfL590&feature=re...


22-05-07

Nick Drake: Bryter Layter

Nick Drake

Bryter Layter

 
2748_6346


Nick Drakes eerste lp werd uitgebracht in september 1969. 'Five Leaves Left' bleek een respectabel debuut te zijn. Weinig omzet, maar niet minder dan kon worden verwacht van een eerste lp. 

Om de verkoop te stimuleren begon Nick op te treden. Op 24 september 1969 speelde hij als openingsact voor John & Beverley Martin en Fairport Convention in de Royal Festival Hall, Londen. Het was zijn eerste grote optreden: voor 2 500 man in een luxueuze omgeving. Het was het eerste optreden van de Fairports na het ongeluk waarbij drummer Martin Lamble was omgekomen. "Het publiek was stil en beleefd," zei Joe Boyd. "Nick's optreden was briljant, het publiek overrompelt.'

Maar andere optredens verliepen niet zo vlekkenloos: folkzanger Michael Chapman herinnert zich een optreden een folk club in Hull. "Ergens in 1969, in een pub met de naam the Haworth. De folkies zagen hem niet zitten; het publiek wou liedjes met refreinen. Ze begrepen er niets van. Ze zagen de zachtaardigheid niet, de subtiliteit. Nick speelde prachtig. Ik veronderstel dat het allemaal eigen nummers waren. Ik herken er enkele van de lp's. Hij deed geen aankondigingen. Hij zei trouwens de hele avond geen woord. Het was eigenlijk pijnlijk om zien. Ik weet niet wat het publiek verwachtte, ik bedoel, ze hadden toch kunnen weten dat ze geen zeeliederen en meezingers zouden te horen krijgen bij een optreden van Nick Drake!'

Nick's laatste optreden van 1969 was in een club in Smethwick, bij Birmingham, waar Nick moest spelen voor een ongeïnteresseerd publiek tussen een diner en de disco. "Dat gaf hem echt de genadeslag,' zei John Martyn een paar jaar later op BBC Radio 1, "ik denk dat ze liever the Troggs hadden gehoord.
Het gaf zijn zelfvertrouwen echt een knak. Ik herinner mij dat hij er dagenlang kapot van is geweest."

Nick's eerste optreden in 1970 vond plaats op zaterdag, 24 januari, in het Ewell Technical College als voorprogramma van Genesis en Atomic Rooster.

Op 21 februari opende hij weer voor John & Beverley Martyn, nu in de Queen Elizabeth Hall, voor wat werd aangegeven als 'een concert van hedendaagse muziek'. Voor een publiek van ongeveer 1 500 mensen speelde Nick voor het eerst twee nieuwe nummers: 'Hazey Jane I' en 'Things Behind The Sun'.

David Sandison, Nick's toenmalige persman herinnert zich: "Hij was ongemakkelijk, als je iets verwachtte als  "Hallo! Hier is mijn nieuwe single," of, "Dit is een nummer van mijn nieuwe lp." Hij was ongemakkelijk omdat hij heel onhandig was. Er waren lange pauzes tussen de nummers omdat hij ofwel zijn gitaar aan het herstemmen was of er over dacht ze te gaan herstemmen. Maar het was intens. Ik had hem die set graag zien spelen in een kleinere ruimte. Liever dan in zo'n grote zaal. Het was te onpersoonlijk. Maar het contrast tussen hem en John en Beverley Martyn die nam hem kwamen met een volledige bezetting was enorm. Het contrast kon niet groter zijn."

Nick had inmiddels zijn studies in Cambridge, een jaar te vroeg, afgebroken. Hij was naar Londen verhuisd om er alleen te zijn. Dat had hij nodig om de nummers te schrijven voor een tweede plaat.

Hij woonde er in een éénkamer appartement, op de benedenverdieping in Haverstock Hill (vlak bij het Chalk Farm metrostation). Weinig meubels, een platendraaier, wat boeken, een éénpersoons bed en een paar posters aan de muur. Met de hoge plafonds in het Victoriaans gebouw was het er in de winter zo koud in de kamer dat hij de matras van het bed haalde, het tot bij het gasvuur sleepte en zich in dekens wikkelde om zich op te warmen. 


De opnamen begonnen in januari 1970. De streefdatum was 5 maart. Het team was hetzelfde gebleven als dat voor zijn debuutplaat: producer Joe Boyd en  geluidstechnicus John Wood. Arrangeur Robert Kirby schreef weer de arrangementen voor bas en strijkers.
Nick keek vol verwachting uit naar het resultaat. Volgens Wood was Nick vastbesloten dat deze lp de doorbraak zou worden.

In de studio zocht Nick naar de perfectie.
John Wood legt uit: "Met hem kon je altijd werken. Je kan je op de anderen richten. Zijn gitaarspel was altijd in orde. Hij was er gewoon. Als je nu naar de platen luistert springt vooral zijn gitaarspel eruit. Hij speelt zo precies, zo krachtig. De noten zo mooi in balans. Het gebeurt niet vaak dat zulke ingenieuze gitaarpartijen noot voor noot zo precies en zo krachtig worden gespeeld dat je de hele opname om de gitaarpartij heen kunt bouwen."

Er werd gewerkt met 8-sporen apparatuur."De gitaar zit altijd op spoor 1. Dat is het fundament waarop alles wordt gebouwd." gaat Boyd verder. "Zang op twee. Andere instrumenten konden dan worden toegevoegd." 

De hulp werd ingeroepen van drie leden van Fairport Convention: gitarist Richard Thompson en de ritmesectie Dave Mattacks en Dave Pegg. Pat Arnold en Doris Troy, twee uiterst gerespecteerde backing zangeressen kwamen de sessies versterken. 

Er bestaan geen outtakes van 'Bryter Layter'. Dat geeft aan dat Nick niet meer nummers had dan de tien op de plaat.

Maar er is ook een andere theorie die meent dat er meer dan tien nummers waren, maar dat hij ze niet wou spelen. De reden daarvoor zou zijn dat hij zo fier was op de drie instrumentale nummers dat hij schrik had dat ze weg gelaten zouden worden voor andere, gezongen nummers. 

Joe Boyd was er inderdaad niet zo blij mee: "Wel, we hadden afgesproken met de arrangeur. Dat was iets dat hij samen Robert zou gaan regelen. Ik was zeer sceptisch daarover en ik had er mijn twijfels over. Ik zei, we kunnen ze opnemen, maar dan alleen aan het einde van de sessies, wanneer we een fatsoenlijk arrangement hebben voor het nummer. Het idee van instrumentale nummers leek bij een beetje 'Chinees' voor 'Nick kon geen teksten bedenken'.
En ik zette hem onder druk om teksten te schrijven maar hij bleef koppig en zei 'Nee, dit zijn geen liedjes, dit zijn instrumentale stukken en ik wil er één aan het begin, en één aan het einde. En zo zal de plaat worden uitgebracht.'
Ik bleef aandringen, maar hij bleef bij zijn standpunt en deed het, en ik dank dat het resultaat er mag zijn. "

Maar na twee maanden werken was Nick niet tevreden met het geluid en de arrangementen van de violen. Hij verwierp de opgenomen resultaten. De release datum moest worden uitgesteld.  De promotie afspraken lagen inmiddels echter vast.

Dus trok Nick in maart op tournee met Sandy Denny's band Fotheringay. Ze speelden vijf optredens:

16 maart:  Birmingham Town Hall
18 maart:  Leicester De Montfort Hall
20 maart:  Manchester Free Trade Hall
22 maart:  Bristol Colston Hall
30 maart:  London Royal Festival Hall

Over dat laatste optreden vertelt John Martyn: "Hij was verlamd van schrik. Ik bedoel hij was totaal overhoop voor het optreden. Je werd er ongemakkelijk van om hem te zien. Hij was voortdurend op zijn ongemak. De muziek was uitstekend, maar hij wou absoluut ergens anders zijn."

Op 13 april speelt Nick een sessie voor de BBC Radioprogramma van John Peel.

In  de lente trokken Joe Boyd en Nick terug naar de studio. Alles bij elkaar zou de opname voor deze plaat zowat negen maanden duren. 

"Nick en ik woonden toen in Londen," vertelt Kirby. "Voor het nummer 'At The Chime Of The City Clock' probeerden we de sfeer van de stad op te roepen. Een naargeestige, eenzame, natte avond in oktober, waarop je over de een of andere straat loopt, in Londen of zo.Nick heeft meer van die nummers: 'Parasite' van Pink Moon heeft ook zo iets. We kozen ervoor om tegenstemmen te gebruiken en geen akkoorden. Een tweede stem, bijna Gregoriaans, om het naargeestig te maken. Het waren de violen die in octaven speelden of cello's die een lage stem deden.

Op 'Fruit Tree' spelen hobo en althobo één lange melodielijn. Ze moeten de gitaarpartij niet overstemmen, want die is... Dat merk je wel, als je het hoort. De gitaar is net een machine. Ik wil niets afdoen van zijn spel, want dat is erg spiritueel... Maar die gitaar is erg dwingend. Nick houdt vast aan dat ritme. We zochten naar een naargeestig, eenzaam geluid en dat heeft John mooi opgelost. Gitaar, strijkers en de blazers overheen." 

De opnamesessies werden regelmatig onderbroken voor nog meer optredens: op 8 mei speelde Nick tijdens een nachtlang festival in Bedford College waar ook groepen optraden als Spencer Davis, John Martyn en Graham Bond. 

Verder speelde hij, bijna regelmatig zaterdag in Cousins in Greek Street. Hij trad er dan op als voorprogramma van the Third Ear Band, John Martyn of John James.

Brian Cullman, die er op een avond voor hem optrad, herinnert zich: "Zijn verlegenheid en straalden van hem af. Een lange man, zijn kledij - een zwarte floeren jas en broek, gekreukt wit hemd - hingen rond hem als slaapkleren na een zware nacht. Hij zat op een barkruk, gebogen over zijn kleine Guild gitaar. Hij begon een nummer en vergat dan halverwege waar hij was gekomen... begon opnieuw of begon een totaal ander nummer, dat hij dan ook weer afbrak als hij zich herinnerde hoe het andere verder ging. Hij zong niet in de microfoon, mompelde en fluisterde. Het was te vergelijken met het zitten aan het bed van een stervende man die je een geheim wil vertellen, maar zich steeds weer bedenkt.

Er was een nieuw nummer dat hij die avond wilde spelen, dat hij altijd maar opnieuw inzette en afbrak. Hij kwam nooit tot het einde en speelde tenslotte steeds opnieuw de openingsregels: 'Do you curse where you came from/Do you swear in the night?' (Hazey Jane I). 'Het was verkillend en merkwaardig fascinerend. Niemand keek ook maar een ogenblik weg - er waas een gevoel dat als je ook maar even weg zou kijken hij zou verdwijnen of gewoon vergeten dat we er waren en zou gaan slapen."

Nick's laatste gekende optreden was opnieuw in het Ewell Technical College, waar hij op 25 juni 1970 speelde als voorprogramma van Ralph McTell.
Die vertelt: "Het enige gesprek dat ik met hem voerde was vooraf in de kleedkamer. Ik ben altijd vreselijk nerveus en loop dan te ijsberen. Ik reageer mij af door aan iedereen te vragen 'Alles in orde?' Nick antwoordde in woorden van één lettergreep. Voor dat optreden was hij uiterst verlegen. Hij deed zijn eerste set en er moet iets vreselijks gebeurd zijn. Tijdens 'Fruit Tree' stapte hij halverwege het optreden plots van het podium."

In scherpe tegenstelling met verlegenheid op het podium staat het bijna arrogante zelfvertrouwen dat hij in die periode inde studio uitstraalde. Nick wist zeker dat de plaat een schitterend werkstuk werd. De opnamen verliepen de hele zomer door, met onregelmatige tussenpozen, tot in de vroege herfst.

John Cale voegde viola, orgel en celeste toe. Het is merkwaardig hoe Cale er in slaagt, telkens op de meest cruciale momenten van de popgeschiedenis op te duiken. Beginnend bij de Velvet Underground, baande hij de weg voor David Bowie (zoals die aangeeft op de hoes van Hunky Dory). Hij produceerde de debuut-lp's van zowel Patti Smith als Jonathan Richman (er stond daarbij aan de wieg van de geboorte van de punk) en gaf Brian Eno een duwtje in de rug.

Cale's bijdrage is duidelijk merkbaar in de textuur van 'Northern Sky'. Dat nummer vormt voor velen het hoogtepunt van Nick's kunnen. Het klinkt alleen en kwetsbaar, als een gebed voor de redding die het eerste ochtendgloren moet brengen. De ochtend waarvan Nick smachtend hoopt dat het hem zal bevrijden van de zware nachtlucht die hem langzaam verstikt. Cale's orgel en piano werk geven het nummer een smekende, hymne-achtige kwaliteit die uiteindelijk hoop aangeven, als om aan te geven dat Nick de ochtend kan bereiken als hij maar blijft vertrouwen. De beelden zijn verblindend in de kleine woordnuances die de melodie begeleiden. Jammer genoeg streeft Nick alweer naar iets waarvan hij weet dat hij het nooit zal bereiken.

'Northern Sky' had voor Nick duidelijk het potentieel van een single die de doorbraak kon forceren. Hij was er van overtuigd dat deze lp hem in de schijnwerpers zou plaatsen. 

Joe Boyd vertelt over de bijdrage van nog een andere gast: "Ik had een sessie gedaan voor een jazz plaat, met Chris McGregor. Chris is een fantastische, excentrieke, blanke Zuid Afrikaan, die het merendeel van zijn leven is opgegroeid tussen de zwarte bevolking van Transkei. Hij draagt kleurrijke kleren, enz... Hij rookt veel van die zeer zware Zuid Afrikaanse Daga. Die rookt zijn gras altijd in een pijp.
Het was tijdens een van die 'bandwerk' dagen dat ik een sessie had in de namiddag en één in de avond. We hadden de sessie met Chris McGregor afgewerkt en iedereen was in aan het pakken, toen Nick binnenkwam met de drummer en de bassist om te werken aan 'Poor Boy'.
Chris zat daar maar in de studio, aan het roken, en vroeg 'Hindert het als ik blijf zitten en luisteren?'
En ik zei, 'Nee, doe maar.'
Dus, hij zat daar en ik luisterde naar de track en keek naar Chris en plots kreeg ik een idee. Ik zei, 'Waarom speel je niet mee. In plaats van rond te hangen ga ik je aan het werk zetten.'
En hij zei 'Waarom ook niet!'
Hij was stoned en tot alles in staat. Hij wandelde binnen en dat was de eerste take. De take die we gebruikten en ik denk dat zijn pianospel de track echt tot leven brengt. Dat was zo één van die kleine toevalligheden, die echt goed uitpakten."

Zowel Joe Boyd als John Wood zijn uiterst tevreden over het resultaat. Beiden noemen 'Bryter Layter' de perfecte lp, een meesterwerk.
Joe Boyd: "Bryter Layter is de plaat waar ik zelf het meest tevreden over ben. Het is de enige plaat waar ik naar kan luisteren zonder te denken, 'Ik wou dat we dat anders gemixt hadden, of dat had anders gemoeten' 

John Wood: "Bryter Layter, is wat mij betreft, op vele vlakken de plaat waar ik het meest voldoening van heb dat ik er aan heb gewerkt. Het is de enige plaat waaraan ik niets zou willen veranderen." 


BRYTER LAYTER werd tenslotte in november 1970 uitgebracht. 

De titel is, volgens Chas Keep, "een woordspeling op de uitspraak van de BBC weermannen uit die tijd".

Op de hoes staat een foto van Drake van Nigel Waymouth: Nick zit in elkaar gedoken over zijn gitaar gebogen. Voor zijn voeten staat een paar kleurrijke schoenen. 

Er is nog een alternatieve hoes opgedoken. Deze samengestelde hoes, is volledig afgewerkt, inclusief catalogusnummer. In de hoes, die werd aangetroffen in een tweedehands zaak staken twee eenzijdige proefpersingen. Op de voorzijde staat een glimlachende Drake. Zijn gezicht gloeit rood-oranje, en is geplaatst tegen een 'op-art' achtergrond van geometrische patronen en stippen.
De achterzijde omvat een gekende foto van Nick aan een snelweg en geeft aan dat Nigel Waymouth (gekend van Haphash and the Coloured Coat) de ontwerper was.
Hoewel de eigenaar er voor geen geld afstand van wil doen wordt de waarde van dit exemplaar geschat op meer dan £1,000. 

Bij het uitbrengen waren de besprekingen over het algemeen lovend.

Jerry Gilbert in Sounds van 13 maart 1971: "Ik heb het gevoel dat enkel een Joe Boyd-Paul Harris verbintenis zulk een buitengewoon album als dit had kunnen produceren. En opnieuw moet een groot deel van de lof gaan naar Robert Kirby, wiens schitterende arrangementen even uitstekend zijn als op Nick Drake's vorige lp. Op zich zijn de liedjes van Nick Drake niet zo sterk, maar Nick was altijd al een evenwichtige, zij het introverte performer." 

En een zekere L.G. in Record Mirror van 20 maart 1971: "Een schitterend gitarist - zuiver en met een perfecte timing - begeleid door zachte, prachtige arrangementen van Robert Kirby. Nick is niet de beste zanger ter wereld, maar hij heeft fantastische nummers geschreven die uitstekend passen bij de strijkers. Zeker één van de mooiste (en dat kan tellen!) en meest indrukwekkende albums die ik ooit heb gehoord. "

Boyd was ervan overtuigd dat Nick Drake een ster zou worden. Maar zo'n vaart liep het niet.

Integendeel, de verkoop valt tegen. Het publiek merkte de plaat niets eens op.  Natuurlijk was de concurrentie in die periode enorm. Dé plaat van het jaar was Led Zeppelin II. The Beatles sloten hun carrière af met Let It Be en Abbey Road. Vanaf het najaar van 1970 kwam er een stroom van nieuwe lp's op de koper af. Kort na elkaar kwamen uit: Simon and Garfunkel met 'Bridge Over Troubled Waters', the Rolling Stones met 'Sticky Fingers', John Lennon met 'Imagine' en Rod Stewart met 'Every Picture Tells a Story'. 

Maar timing was natuurlijk niet het enige probleem. Er waren nog andere gevoelige singer/songwriters die zich een plaatsje wisten te verwerven aan het begin van de jaren '70: Al Stewart, Cat Stevens, Paul Simon, John Martyn, Neil Young en Bob Dylan. 

Nick was teleurgesteld.

Bovendien kreeg hij van uit onverwachte hoek nog een tweede opdoffer te verwerken. Joe Boyd, de manager en promoter die hem zo geduldig door zijn twee albums had geloodst verkocht begin 1971zijn maatschappij aan Chris Blackwell van Island Records. Hij verliet Londen om een job te beginnen in de muziekafdeling van Warner Brothers in Californië.

Hij wou Nick echter niet in de kou laten staan en stelde als één van de voorwaarden voor de overname aan Blackwell dat Nick's platen nooit zouden worden geschrapt uit de Island cataloog. Dat was geen enkel probleem, vermits Blackwell altijd al Drake's werk had bewonderd Island Records was dan wel enthousiast over hun nieuwste aanwinst, maar ze hadden geen idee hoe ze hem aan de man moesten brengen.

Een persbericht uit die periode toont de verwarring: "Nick Drake is groot en slank. Hij woont ergens in de buurt van de universiteit... omdat hij het haat tijd te verliezen door te reizen. Hij heeft geen telefoon - meer omwille van de kosten dan dat hij a-sociaal zou zijn. Hij heeft de gewoonte regelmatig een dag of drie, vier te verdwijnen, wanneer hij aan het schrijven is. Maar bovenal... maakt hij muziek." 

Sindsdien zijn er wilde speculaties geweest over de gevoelens van Nick voor Boyd, maar er zijn bewijzen van enige romantische verbintenis. Trouwens er zijn geen bewijzen dat Nick romantische gevoelens voor om het even wie zou hebben gehad.
Volgens Linda thompson, die met beide mannen lange tijd bevriend is geweest, was Nick een totaal buitenwerelds individu: iemand die "echt, echt nergens scheen thuis te horen." Eerder dan geheim verlangen, was Nick's verhouding tot Boyd er een van geheime jaloezie. Boyd, een knappe jongeman, zoals Drake zelf, was vol zelfvertrouwen en spraakzaam, alles wat Nick niet was. Hij zag Boyd mogelijk als de man die hij zou worden, of zou willen worden. 

Eens dat Boyd vertrokken was, werd Nick nog meer in zichzelf gekeerd.
Linda Thompson: "Het was bijna autistisch. Het werd steeds erger en erger... Mensen zeiden: "Oh, je hebt een relatie met Nick, dat is ongelofelijk. Sloeg hij zijn arm om je heen? Dat is bijna openbare zedenschennis voor Nick." 

Na BRYTER LAYTER, bereikte Nick's onvrede met zijn muziek en zijn leven een hoogtepunt. Hij had zo al weinig vrienden en nu zijn nieuwe lp over het hoofd werd gezien, sloot hij de deur. Hij keerde terug naar het ouderlijk huis in Far Leys, waar hij uren naar de lucht staarde. Om de een of andere reden had hij het gevoel dat hij zijn familie en vrienden teleur had gesteld en hij trok zich dat aan.

Island Records zag in dat Nick Drake nooit een goed verkopende folk artiest zou worden, maar liet hem ook niet vallen.

Joe Boyd was in Amerika, waar hij de hits aan elkaar reeg voor Maria Muldaur.

Het zag er naar uit dat Nick Drake's carrière voorbij was, nog voor ze goed en wel was begonnen.

 

Copia%20di%20Nick%20Drake