22-05-07

Nick Drake: Bryter Layter

Nick Drake

Bryter Layter

 
2748_6346


Nick Drakes eerste lp werd uitgebracht in september 1969. 'Five Leaves Left' bleek een respectabel debuut te zijn. Weinig omzet, maar niet minder dan kon worden verwacht van een eerste lp. 

Om de verkoop te stimuleren begon Nick op te treden. Op 24 september 1969 speelde hij als openingsact voor John & Beverley Martin en Fairport Convention in de Royal Festival Hall, Londen. Het was zijn eerste grote optreden: voor 2 500 man in een luxueuze omgeving. Het was het eerste optreden van de Fairports na het ongeluk waarbij drummer Martin Lamble was omgekomen. "Het publiek was stil en beleefd," zei Joe Boyd. "Nick's optreden was briljant, het publiek overrompelt.'

Maar andere optredens verliepen niet zo vlekkenloos: folkzanger Michael Chapman herinnert zich een optreden een folk club in Hull. "Ergens in 1969, in een pub met de naam the Haworth. De folkies zagen hem niet zitten; het publiek wou liedjes met refreinen. Ze begrepen er niets van. Ze zagen de zachtaardigheid niet, de subtiliteit. Nick speelde prachtig. Ik veronderstel dat het allemaal eigen nummers waren. Ik herken er enkele van de lp's. Hij deed geen aankondigingen. Hij zei trouwens de hele avond geen woord. Het was eigenlijk pijnlijk om zien. Ik weet niet wat het publiek verwachtte, ik bedoel, ze hadden toch kunnen weten dat ze geen zeeliederen en meezingers zouden te horen krijgen bij een optreden van Nick Drake!'

Nick's laatste optreden van 1969 was in een club in Smethwick, bij Birmingham, waar Nick moest spelen voor een ongeïnteresseerd publiek tussen een diner en de disco. "Dat gaf hem echt de genadeslag,' zei John Martyn een paar jaar later op BBC Radio 1, "ik denk dat ze liever the Troggs hadden gehoord.
Het gaf zijn zelfvertrouwen echt een knak. Ik herinner mij dat hij er dagenlang kapot van is geweest."

Nick's eerste optreden in 1970 vond plaats op zaterdag, 24 januari, in het Ewell Technical College als voorprogramma van Genesis en Atomic Rooster.

Op 21 februari opende hij weer voor John & Beverley Martyn, nu in de Queen Elizabeth Hall, voor wat werd aangegeven als 'een concert van hedendaagse muziek'. Voor een publiek van ongeveer 1 500 mensen speelde Nick voor het eerst twee nieuwe nummers: 'Hazey Jane I' en 'Things Behind The Sun'.

David Sandison, Nick's toenmalige persman herinnert zich: "Hij was ongemakkelijk, als je iets verwachtte als  "Hallo! Hier is mijn nieuwe single," of, "Dit is een nummer van mijn nieuwe lp." Hij was ongemakkelijk omdat hij heel onhandig was. Er waren lange pauzes tussen de nummers omdat hij ofwel zijn gitaar aan het herstemmen was of er over dacht ze te gaan herstemmen. Maar het was intens. Ik had hem die set graag zien spelen in een kleinere ruimte. Liever dan in zo'n grote zaal. Het was te onpersoonlijk. Maar het contrast tussen hem en John en Beverley Martyn die nam hem kwamen met een volledige bezetting was enorm. Het contrast kon niet groter zijn."

Nick had inmiddels zijn studies in Cambridge, een jaar te vroeg, afgebroken. Hij was naar Londen verhuisd om er alleen te zijn. Dat had hij nodig om de nummers te schrijven voor een tweede plaat.

Hij woonde er in een éénkamer appartement, op de benedenverdieping in Haverstock Hill (vlak bij het Chalk Farm metrostation). Weinig meubels, een platendraaier, wat boeken, een éénpersoons bed en een paar posters aan de muur. Met de hoge plafonds in het Victoriaans gebouw was het er in de winter zo koud in de kamer dat hij de matras van het bed haalde, het tot bij het gasvuur sleepte en zich in dekens wikkelde om zich op te warmen. 


De opnamen begonnen in januari 1970. De streefdatum was 5 maart. Het team was hetzelfde gebleven als dat voor zijn debuutplaat: producer Joe Boyd en  geluidstechnicus John Wood. Arrangeur Robert Kirby schreef weer de arrangementen voor bas en strijkers.
Nick keek vol verwachting uit naar het resultaat. Volgens Wood was Nick vastbesloten dat deze lp de doorbraak zou worden.

In de studio zocht Nick naar de perfectie.
John Wood legt uit: "Met hem kon je altijd werken. Je kan je op de anderen richten. Zijn gitaarspel was altijd in orde. Hij was er gewoon. Als je nu naar de platen luistert springt vooral zijn gitaarspel eruit. Hij speelt zo precies, zo krachtig. De noten zo mooi in balans. Het gebeurt niet vaak dat zulke ingenieuze gitaarpartijen noot voor noot zo precies en zo krachtig worden gespeeld dat je de hele opname om de gitaarpartij heen kunt bouwen."

Er werd gewerkt met 8-sporen apparatuur."De gitaar zit altijd op spoor 1. Dat is het fundament waarop alles wordt gebouwd." gaat Boyd verder. "Zang op twee. Andere instrumenten konden dan worden toegevoegd." 

De hulp werd ingeroepen van drie leden van Fairport Convention: gitarist Richard Thompson en de ritmesectie Dave Mattacks en Dave Pegg. Pat Arnold en Doris Troy, twee uiterst gerespecteerde backing zangeressen kwamen de sessies versterken. 

Er bestaan geen outtakes van 'Bryter Layter'. Dat geeft aan dat Nick niet meer nummers had dan de tien op de plaat.

Maar er is ook een andere theorie die meent dat er meer dan tien nummers waren, maar dat hij ze niet wou spelen. De reden daarvoor zou zijn dat hij zo fier was op de drie instrumentale nummers dat hij schrik had dat ze weg gelaten zouden worden voor andere, gezongen nummers. 

Joe Boyd was er inderdaad niet zo blij mee: "Wel, we hadden afgesproken met de arrangeur. Dat was iets dat hij samen Robert zou gaan regelen. Ik was zeer sceptisch daarover en ik had er mijn twijfels over. Ik zei, we kunnen ze opnemen, maar dan alleen aan het einde van de sessies, wanneer we een fatsoenlijk arrangement hebben voor het nummer. Het idee van instrumentale nummers leek bij een beetje 'Chinees' voor 'Nick kon geen teksten bedenken'.
En ik zette hem onder druk om teksten te schrijven maar hij bleef koppig en zei 'Nee, dit zijn geen liedjes, dit zijn instrumentale stukken en ik wil er één aan het begin, en één aan het einde. En zo zal de plaat worden uitgebracht.'
Ik bleef aandringen, maar hij bleef bij zijn standpunt en deed het, en ik dank dat het resultaat er mag zijn. "

Maar na twee maanden werken was Nick niet tevreden met het geluid en de arrangementen van de violen. Hij verwierp de opgenomen resultaten. De release datum moest worden uitgesteld.  De promotie afspraken lagen inmiddels echter vast.

Dus trok Nick in maart op tournee met Sandy Denny's band Fotheringay. Ze speelden vijf optredens:

16 maart:  Birmingham Town Hall
18 maart:  Leicester De Montfort Hall
20 maart:  Manchester Free Trade Hall
22 maart:  Bristol Colston Hall
30 maart:  London Royal Festival Hall

Over dat laatste optreden vertelt John Martyn: "Hij was verlamd van schrik. Ik bedoel hij was totaal overhoop voor het optreden. Je werd er ongemakkelijk van om hem te zien. Hij was voortdurend op zijn ongemak. De muziek was uitstekend, maar hij wou absoluut ergens anders zijn."

Op 13 april speelt Nick een sessie voor de BBC Radioprogramma van John Peel.

In  de lente trokken Joe Boyd en Nick terug naar de studio. Alles bij elkaar zou de opname voor deze plaat zowat negen maanden duren. 

"Nick en ik woonden toen in Londen," vertelt Kirby. "Voor het nummer 'At The Chime Of The City Clock' probeerden we de sfeer van de stad op te roepen. Een naargeestige, eenzame, natte avond in oktober, waarop je over de een of andere straat loopt, in Londen of zo.Nick heeft meer van die nummers: 'Parasite' van Pink Moon heeft ook zo iets. We kozen ervoor om tegenstemmen te gebruiken en geen akkoorden. Een tweede stem, bijna Gregoriaans, om het naargeestig te maken. Het waren de violen die in octaven speelden of cello's die een lage stem deden.

Op 'Fruit Tree' spelen hobo en althobo één lange melodielijn. Ze moeten de gitaarpartij niet overstemmen, want die is... Dat merk je wel, als je het hoort. De gitaar is net een machine. Ik wil niets afdoen van zijn spel, want dat is erg spiritueel... Maar die gitaar is erg dwingend. Nick houdt vast aan dat ritme. We zochten naar een naargeestig, eenzaam geluid en dat heeft John mooi opgelost. Gitaar, strijkers en de blazers overheen." 

De opnamesessies werden regelmatig onderbroken voor nog meer optredens: op 8 mei speelde Nick tijdens een nachtlang festival in Bedford College waar ook groepen optraden als Spencer Davis, John Martyn en Graham Bond. 

Verder speelde hij, bijna regelmatig zaterdag in Cousins in Greek Street. Hij trad er dan op als voorprogramma van the Third Ear Band, John Martyn of John James.

Brian Cullman, die er op een avond voor hem optrad, herinnert zich: "Zijn verlegenheid en straalden van hem af. Een lange man, zijn kledij - een zwarte floeren jas en broek, gekreukt wit hemd - hingen rond hem als slaapkleren na een zware nacht. Hij zat op een barkruk, gebogen over zijn kleine Guild gitaar. Hij begon een nummer en vergat dan halverwege waar hij was gekomen... begon opnieuw of begon een totaal ander nummer, dat hij dan ook weer afbrak als hij zich herinnerde hoe het andere verder ging. Hij zong niet in de microfoon, mompelde en fluisterde. Het was te vergelijken met het zitten aan het bed van een stervende man die je een geheim wil vertellen, maar zich steeds weer bedenkt.

Er was een nieuw nummer dat hij die avond wilde spelen, dat hij altijd maar opnieuw inzette en afbrak. Hij kwam nooit tot het einde en speelde tenslotte steeds opnieuw de openingsregels: 'Do you curse where you came from/Do you swear in the night?' (Hazey Jane I). 'Het was verkillend en merkwaardig fascinerend. Niemand keek ook maar een ogenblik weg - er waas een gevoel dat als je ook maar even weg zou kijken hij zou verdwijnen of gewoon vergeten dat we er waren en zou gaan slapen."

Nick's laatste gekende optreden was opnieuw in het Ewell Technical College, waar hij op 25 juni 1970 speelde als voorprogramma van Ralph McTell.
Die vertelt: "Het enige gesprek dat ik met hem voerde was vooraf in de kleedkamer. Ik ben altijd vreselijk nerveus en loop dan te ijsberen. Ik reageer mij af door aan iedereen te vragen 'Alles in orde?' Nick antwoordde in woorden van één lettergreep. Voor dat optreden was hij uiterst verlegen. Hij deed zijn eerste set en er moet iets vreselijks gebeurd zijn. Tijdens 'Fruit Tree' stapte hij halverwege het optreden plots van het podium."

In scherpe tegenstelling met verlegenheid op het podium staat het bijna arrogante zelfvertrouwen dat hij in die periode inde studio uitstraalde. Nick wist zeker dat de plaat een schitterend werkstuk werd. De opnamen verliepen de hele zomer door, met onregelmatige tussenpozen, tot in de vroege herfst.

John Cale voegde viola, orgel en celeste toe. Het is merkwaardig hoe Cale er in slaagt, telkens op de meest cruciale momenten van de popgeschiedenis op te duiken. Beginnend bij de Velvet Underground, baande hij de weg voor David Bowie (zoals die aangeeft op de hoes van Hunky Dory). Hij produceerde de debuut-lp's van zowel Patti Smith als Jonathan Richman (er stond daarbij aan de wieg van de geboorte van de punk) en gaf Brian Eno een duwtje in de rug.

Cale's bijdrage is duidelijk merkbaar in de textuur van 'Northern Sky'. Dat nummer vormt voor velen het hoogtepunt van Nick's kunnen. Het klinkt alleen en kwetsbaar, als een gebed voor de redding die het eerste ochtendgloren moet brengen. De ochtend waarvan Nick smachtend hoopt dat het hem zal bevrijden van de zware nachtlucht die hem langzaam verstikt. Cale's orgel en piano werk geven het nummer een smekende, hymne-achtige kwaliteit die uiteindelijk hoop aangeven, als om aan te geven dat Nick de ochtend kan bereiken als hij maar blijft vertrouwen. De beelden zijn verblindend in de kleine woordnuances die de melodie begeleiden. Jammer genoeg streeft Nick alweer naar iets waarvan hij weet dat hij het nooit zal bereiken.

'Northern Sky' had voor Nick duidelijk het potentieel van een single die de doorbraak kon forceren. Hij was er van overtuigd dat deze lp hem in de schijnwerpers zou plaatsen. 

Joe Boyd vertelt over de bijdrage van nog een andere gast: "Ik had een sessie gedaan voor een jazz plaat, met Chris McGregor. Chris is een fantastische, excentrieke, blanke Zuid Afrikaan, die het merendeel van zijn leven is opgegroeid tussen de zwarte bevolking van Transkei. Hij draagt kleurrijke kleren, enz... Hij rookt veel van die zeer zware Zuid Afrikaanse Daga. Die rookt zijn gras altijd in een pijp.
Het was tijdens een van die 'bandwerk' dagen dat ik een sessie had in de namiddag en één in de avond. We hadden de sessie met Chris McGregor afgewerkt en iedereen was in aan het pakken, toen Nick binnenkwam met de drummer en de bassist om te werken aan 'Poor Boy'.
Chris zat daar maar in de studio, aan het roken, en vroeg 'Hindert het als ik blijf zitten en luisteren?'
En ik zei, 'Nee, doe maar.'
Dus, hij zat daar en ik luisterde naar de track en keek naar Chris en plots kreeg ik een idee. Ik zei, 'Waarom speel je niet mee. In plaats van rond te hangen ga ik je aan het werk zetten.'
En hij zei 'Waarom ook niet!'
Hij was stoned en tot alles in staat. Hij wandelde binnen en dat was de eerste take. De take die we gebruikten en ik denk dat zijn pianospel de track echt tot leven brengt. Dat was zo één van die kleine toevalligheden, die echt goed uitpakten."

Zowel Joe Boyd als John Wood zijn uiterst tevreden over het resultaat. Beiden noemen 'Bryter Layter' de perfecte lp, een meesterwerk.
Joe Boyd: "Bryter Layter is de plaat waar ik zelf het meest tevreden over ben. Het is de enige plaat waar ik naar kan luisteren zonder te denken, 'Ik wou dat we dat anders gemixt hadden, of dat had anders gemoeten' 

John Wood: "Bryter Layter, is wat mij betreft, op vele vlakken de plaat waar ik het meest voldoening van heb dat ik er aan heb gewerkt. Het is de enige plaat waaraan ik niets zou willen veranderen." 


BRYTER LAYTER werd tenslotte in november 1970 uitgebracht. 

De titel is, volgens Chas Keep, "een woordspeling op de uitspraak van de BBC weermannen uit die tijd".

Op de hoes staat een foto van Drake van Nigel Waymouth: Nick zit in elkaar gedoken over zijn gitaar gebogen. Voor zijn voeten staat een paar kleurrijke schoenen. 

Er is nog een alternatieve hoes opgedoken. Deze samengestelde hoes, is volledig afgewerkt, inclusief catalogusnummer. In de hoes, die werd aangetroffen in een tweedehands zaak staken twee eenzijdige proefpersingen. Op de voorzijde staat een glimlachende Drake. Zijn gezicht gloeit rood-oranje, en is geplaatst tegen een 'op-art' achtergrond van geometrische patronen en stippen.
De achterzijde omvat een gekende foto van Nick aan een snelweg en geeft aan dat Nigel Waymouth (gekend van Haphash and the Coloured Coat) de ontwerper was.
Hoewel de eigenaar er voor geen geld afstand van wil doen wordt de waarde van dit exemplaar geschat op meer dan £1,000. 

Bij het uitbrengen waren de besprekingen over het algemeen lovend.

Jerry Gilbert in Sounds van 13 maart 1971: "Ik heb het gevoel dat enkel een Joe Boyd-Paul Harris verbintenis zulk een buitengewoon album als dit had kunnen produceren. En opnieuw moet een groot deel van de lof gaan naar Robert Kirby, wiens schitterende arrangementen even uitstekend zijn als op Nick Drake's vorige lp. Op zich zijn de liedjes van Nick Drake niet zo sterk, maar Nick was altijd al een evenwichtige, zij het introverte performer." 

En een zekere L.G. in Record Mirror van 20 maart 1971: "Een schitterend gitarist - zuiver en met een perfecte timing - begeleid door zachte, prachtige arrangementen van Robert Kirby. Nick is niet de beste zanger ter wereld, maar hij heeft fantastische nummers geschreven die uitstekend passen bij de strijkers. Zeker één van de mooiste (en dat kan tellen!) en meest indrukwekkende albums die ik ooit heb gehoord. "

Boyd was ervan overtuigd dat Nick Drake een ster zou worden. Maar zo'n vaart liep het niet.

Integendeel, de verkoop valt tegen. Het publiek merkte de plaat niets eens op.  Natuurlijk was de concurrentie in die periode enorm. Dé plaat van het jaar was Led Zeppelin II. The Beatles sloten hun carrière af met Let It Be en Abbey Road. Vanaf het najaar van 1970 kwam er een stroom van nieuwe lp's op de koper af. Kort na elkaar kwamen uit: Simon and Garfunkel met 'Bridge Over Troubled Waters', the Rolling Stones met 'Sticky Fingers', John Lennon met 'Imagine' en Rod Stewart met 'Every Picture Tells a Story'. 

Maar timing was natuurlijk niet het enige probleem. Er waren nog andere gevoelige singer/songwriters die zich een plaatsje wisten te verwerven aan het begin van de jaren '70: Al Stewart, Cat Stevens, Paul Simon, John Martyn, Neil Young en Bob Dylan. 

Nick was teleurgesteld.

Bovendien kreeg hij van uit onverwachte hoek nog een tweede opdoffer te verwerken. Joe Boyd, de manager en promoter die hem zo geduldig door zijn twee albums had geloodst verkocht begin 1971zijn maatschappij aan Chris Blackwell van Island Records. Hij verliet Londen om een job te beginnen in de muziekafdeling van Warner Brothers in Californië.

Hij wou Nick echter niet in de kou laten staan en stelde als één van de voorwaarden voor de overname aan Blackwell dat Nick's platen nooit zouden worden geschrapt uit de Island cataloog. Dat was geen enkel probleem, vermits Blackwell altijd al Drake's werk had bewonderd Island Records was dan wel enthousiast over hun nieuwste aanwinst, maar ze hadden geen idee hoe ze hem aan de man moesten brengen.

Een persbericht uit die periode toont de verwarring: "Nick Drake is groot en slank. Hij woont ergens in de buurt van de universiteit... omdat hij het haat tijd te verliezen door te reizen. Hij heeft geen telefoon - meer omwille van de kosten dan dat hij a-sociaal zou zijn. Hij heeft de gewoonte regelmatig een dag of drie, vier te verdwijnen, wanneer hij aan het schrijven is. Maar bovenal... maakt hij muziek." 

Sindsdien zijn er wilde speculaties geweest over de gevoelens van Nick voor Boyd, maar er zijn bewijzen van enige romantische verbintenis. Trouwens er zijn geen bewijzen dat Nick romantische gevoelens voor om het even wie zou hebben gehad.
Volgens Linda thompson, die met beide mannen lange tijd bevriend is geweest, was Nick een totaal buitenwerelds individu: iemand die "echt, echt nergens scheen thuis te horen." Eerder dan geheim verlangen, was Nick's verhouding tot Boyd er een van geheime jaloezie. Boyd, een knappe jongeman, zoals Drake zelf, was vol zelfvertrouwen en spraakzaam, alles wat Nick niet was. Hij zag Boyd mogelijk als de man die hij zou worden, of zou willen worden. 

Eens dat Boyd vertrokken was, werd Nick nog meer in zichzelf gekeerd.
Linda Thompson: "Het was bijna autistisch. Het werd steeds erger en erger... Mensen zeiden: "Oh, je hebt een relatie met Nick, dat is ongelofelijk. Sloeg hij zijn arm om je heen? Dat is bijna openbare zedenschennis voor Nick." 

Na BRYTER LAYTER, bereikte Nick's onvrede met zijn muziek en zijn leven een hoogtepunt. Hij had zo al weinig vrienden en nu zijn nieuwe lp over het hoofd werd gezien, sloot hij de deur. Hij keerde terug naar het ouderlijk huis in Far Leys, waar hij uren naar de lucht staarde. Om de een of andere reden had hij het gevoel dat hij zijn familie en vrienden teleur had gesteld en hij trok zich dat aan.

Island Records zag in dat Nick Drake nooit een goed verkopende folk artiest zou worden, maar liet hem ook niet vallen.

Joe Boyd was in Amerika, waar hij de hits aan elkaar reeg voor Maria Muldaur.

Het zag er naar uit dat Nick Drake's carrière voorbij was, nog voor ze goed en wel was begonnen.

 

Copia%20di%20Nick%20Drake

08-05-07

Shoot Out The Lights

19235

 

SHOOT OUT THE LIGHTS

 

Als jonge zangeres ontmoette Linda Pettifer, Richard Thompson voor het eerst, toen ze, op uitnodiging van haar vriendin Sandy Denny meeging naar een sessie van Liege And Lief . Maar het was de producer Joe Boyd die haar wegkaapte. Ze volgde hem in 1970 naar Los Angeles, waar hij zijn Hannibal label ging opstarten.

 

Wanneer de relatie misliep omdat Boyd geen kinderen wilde, keerde ze terug naar Londen waar ze Richard opnieuw ontmoette. Die was net uit de Fairports gestapt om een solocarrière te beginnen. Linda zong mee op zijn eerste solo LP Henry The Human Fly. 

 

Ze trouwden in ‘72 en tegen mei ’73 was Linda zwanger. Ze maakten van de gelegenheid gebruik om het wat rustiger aan te doen en ondertussen een eerste LP samen op te nemen. In november trokken ze op tournee, als Hokey Pokey, een trio met Richards oude Fairport maatje Simon Nicol. Hokey Pokey was ook de werktitel van hun eerste plaat, maar dat stuitte op het veto van de platenmaatschappij. Tegen maart was het trio uitgegroeid tot een rockband Sour Grapes om het voorprogramma te verzorgen van Traffic in de U.K. en Europa. Wanneer een maand later I Want To See The Bright Lights Tonight werd uitgebracht was de groep alweer gesplit. Hoewel de critici lovend waren bleef het succes uit. Vooral Linda trok zich dat erg aan.

 

Om een groter publiek aan te spreken werd gepoogd de volgende platen wat vrolijker te maken. Maar Hokey Pokey (dan toch) noch Pour Down Like Silver sloegen aan. Na twee tournees in 1975 hield Richard het voor bekeken. "Ik wou geen muziek meer spelen. En eigenlijk heb ik dat ook twee jaar niet meer gedaan.” Ze begonnen een winkel in antiek.

 

Richard had zich inmiddels bekeerd tot het Sufisme. Samen met Linda nam hij verschillende elementen van het Islam leven over. Zo droegen ze bijvoorbeeld lange gewaden en liet Richard zijn baard staan. Hij hechtte geen waarde aan materiele zaken en gaf zelfs hun meubels weg. Er was zelfs geen stroom in hun appartement. Het leven in een commune leek Linda dan ook een beter idee. Maar het leven in de sekte bracht spanningen mee in het huwelijk. Linda verliet hem tot twee keer toe. Maar een bestaan als alleenstaande moeder met een kind en een tweede op komst schrok haar af.

 

Om de contractuele verplichtingen met Island af te werken werd in 1976 Guitar, Vocal uitgebracht. Het is een verzameling outtakes en live opnamen uit Richards gehele carrière.

 

Pas in mei 1977 nam Richard, voor het eerst in twee jaar, zijn akoestische gitaar terug ter hand om met een bende muzikanten van de commune rond te trekken. Joe Boyd is niet onder de indruk, maar krijgt terug een sprankje hoop. Met Simon Nichol werkt hij een plan uit om Richard terug de studio in te lokken. “Ik was een single aan het opnemen met Julie Covington: ‘Only Woman Bleed’,” vertelt Joe Boyd “Voor de b-kant vroeg ik de leden van Fairport Convention. Dus leek het me een goed idee om Richard er bij te vragen, in een omgeving die hem niet vertrouwd zou zijn. Ik wou hem er aan herinneren hoe plezierig het was te werken met uitstekende muzikanten. Ik had Andy Newmark en Willie Weeks – de beste L.A. sessiemuzikanten – laten overvliegen om te werken aan Julie’s album. Dus zodra Julie naar huis ging, bleven ze en bracht ik Richard binnen.  Die kerels hadden nooit van Richard gehoord maar wanneer ze het eerste nummer doorliepen, was het van ‘Wie is die kerel? Hij is ongelofelijk!’ Toen ging er een lichtje branden in Richard’s hoofd. En in het mijne. Ik belde de manager van Richard en Linda, we spraken af de muzikanten in het zwart te betalen en regelden een goedkope deal met de studio.” 

 

Met frisse moed werd First Light opgenomen, als eerste LP voor Chrysalis Records. “Dat was de enige keer dat we zelf geprobeerd hebben een zogenaamd commerciële plaat te maken, omdat we het gevoel hadden dat het van ons verwacht werd. er werd nooit openlijke druk uitgeoefend en ze zijn ons nooit komen lastig vallen in de studio, maar we hadden dat gevoel.”

De verhoopte commerciële doorbraak bleef echter opnieuw uit. Nadat ook Sunnyvista genegeerd werd door de platenkopers, liet de platenmaatschappij hen terug vallen. Zelfs een Europeese tournee als voorprogramma voor Gerry Rafferty – aan wiens hit-LP Night Owl ze hadden meegewerkt - hielp niet.

 

Zonder platencontract, nam het koppel in de zomer van 1980, demo’s op van acht nummers, alvorens in september/oktober de studio in te duiken met met Gerry Rafferty en Hugh Murphy. Het was de bedoeling dat Rafferty de plaat als onafhankelijke producer zou produceren om het resultaat achteraf te verkopen aan een firma. Singer/songwriter Gerry Rafferty was toen op het hoogtepunt van zijn roem. Als grote fan van de Thompsons wou hij hun muziek bij een groter publiek bekend maken.

 

Voor de sessies in de Chipping Norton Studios werd verder de hulp ingeroepen van Simon Nicol (akoestische gitaar), Pete Zorn (bas), Liam Genockey (drums) en Betsy Cook (wurlitzer piano). Samen namen ze tiental nummers op. Naast de zes nummers die later ook op Shoot Out The Lights werden hernomen waren dat een cover van Sandy Denny (‘Im A Dreamer’), ‘The Wrong Heartbeat’ (gezongen door Linda) dat Richard later opnieuw zou opnemen voor Hand Of Kindness (1983), ‘For Shame Of Doing Wrong’ van Small Town Romance (1984) en ‘Modern Woman’ dat onuitgegeven blijft. 

 

Bij twee van de nummers keerde Richard terug naar het circusthema van dat hij eerder had uitgewerkt in het verhaal van de koorddanser ‘The Great Valerio’: ‘Walking On A Wire’ en ‘The Wall of Death’. “De Wall of Death is een kermisattractie,” legt Richard in ’83 uit aan Jacky Huys, “waarbij je ronddraait en tegen een muur geplakt wordt, terwijl er onder je een groot gat verschijnt. Ik heb die attractie als een metafoor gebruikt voor een song over mensen die op het scherp van de snee willen leven, op de rand tussen vallen en opstaan, op de rand van die rots. “Let me ride on the wall of death – one more time!” 

 

Zoals sommigen al hadden voorspelden bleken de werkmethodes van Rafferty echter stevig te botsen met Richards visie op opnamen. Boyd: “Linda had altijd van pop gehouden, maar ik zag Richard daar niet in meegaan.”

Toen het album af was stelde Richard dan ook zijn veto tegen een release. “God, ik hoop dat die banden die Rafferty heeft nooit meer boven water komen, “ vertrouwde Thompson Huys toe, “Rafferty is een van de mensen in deze wereld waar ik absoluut niet tegen kan. Wij wilden bij de opname van die plaat volkomen tegenovergestelde richtingen uit. Ik heb me zelden zo kwaad gemaakt…”

 

“Rafferty heeft die tapes nog altijd,’ vertelt Richard in 1983. “Ik weet niet wat hij ermee gaat doen, hij kan ze in elk geval niet uitbrengen zonder mijn toestemming en die geef ik nooit.”

Zeg nooit “nooit” want tien jaar later, in mei 1993 prijken er drie nummers van de sessies op de box set Watching The Dark: ‘Back Street Slide’, ‘The Wrong Heartbeat’ en ‘For Shame Of Doing Wrong’.

Drie jaar later mag Linda ook nog twee nummers gebruiken op haar compilatie Dreams Fly Away: ‘Walking On A Wire’ en ‘I’m A Dreamer’. Beide nummers zijn weliswaar geremixt door Jerry Boys.

Hiermee is dus de helft van de nummers officieel verschenen. Alle nummers zijn terug te vinden op bootlegs als Raffety’s Follies.

 

Maar intussen hadden ze nog niks om uit te brengen. Om te bewijzen dat hij nog leefde, maakte Richard solo en in eigen beheer het instrumentale Strict Tempo!. “Ik had geen contract en ik wou een plaat maken die niemand voor het hoofd zou stoten,” kijkt Richard terug, “Dus zonder vocalen. Als ik toen de collectie songs had uitgebracht die ik klaar had, zouden teveel mensen in de showbusiness de wenkbrauwen gefronst hebben. En ik had geen geld, dus moest het goedkoop en ik heb dan maar een labeltje uit de grond gestampt om Strict Tempo uit te brengen: Elixir.”

 

Joe Boyd bood het duo voor zijn Hannibal Records een contract aan en stelde voor naar het andere uiterste te grijpen en de plaat op drie dagen op band te zetten. Snel en simpel werken en het overschot van het budget besteden aan een Amerikaanse tournee. “We namen Shoot Out The Lights zo wat in drie dagen op,” vertelt Boyd, “Linda’s zangpartijen vroegen iets meer tijd. Ze was opnieuw zwanger, van hun derde kind.”

 

Naast de zes nummers die opnieuw werden opgenomen, waren er ook drie nieuwe: ‘Did She Jump Or Was She Pushed’ werd door Richard en Linda samen geschreven. ‘A Man In Need’ en ‘Living In Luxury’ waren van Richards hand. Dat laatste nummer kwam terecht op de b-kant van de single ‘Renege On Our Love’.

 

Wat Boyd niet weet is dat Richard ondertussen een verhouding heeft met de Nancy Covey.

Nancy was uit California. De eerste keer dat ik haar ontmoette was in de zomer van 1981, bij een optreden van Martin Carthy in Camden. Haar job bestond er in mensen te zoeken om op te treden in een aantal zalen in Californië. Ik denk dat ze Richard had gezien, want ze wou hem absoluut boeken voor een paar optredens in McCabe’s Guitar Shop in Los Angeles…. Maar tijdens de opnamen had ik er geen benul van . Ik bedoel, Linda was zwanger… meer dan dat kun je toch niet getrouwd zijn?”

Simon Nichol wist beter: “We wisten dat hij Nancy af en toe zag en dat hij met zijn hart ergens anders was. Het was voor iedereen verscheurend.”

 

Vanzelfsprekend was het Linda die er het ergste onder leed. Ze begon zich mentaal op te sluiten. De paniekaanvallen waar ze in het begin van haar carrière al last van gehad had, kwamen terug. Het sloeg op haar stem. Wanneer ze haar mond opendeed om et zingen kwam er dikwijls niet meer uit dan wat gerochel.”

 

“Jezus, die sessies!” herinnert Linda zich in 1996, “Ik kon nauwelijks zingen. Ik kon nauwelijks ademen. Ik was monumentaal ongelukkig in die tijd – het was alsof ik in een moeras zat en ik wist dat het alleen maar slechter zou worden. Ik hield me bij Gerry Rafferty, maar hij was nog ongelukkiger dan ik. Die atmosfeer was ideaal voor nummers als ‘Walking On A Wire’. Die slag aan het einde – ik viel uiteindelijk van het koord. Ik verkies de zang van de eerste versie boven diegene die uiteindelijk werd uitgebracht.”

Er wordt beslist dat zij haar zangpartijen afwerkt zonder Richard in de buurt. Zij zit dan ook drie dagen langer in de studio.

 

De onderhuidse spanningen geven nummers als 'Don't Renege on Our Love' en 'Did She Jump or Was She Pushed' een kracht die niet het apart maakt ten opzichte van de vorige platen van het koppel. Terwijl ze nog prachtig samen konden werken, is er een subtiele maar onmiskenbare onderstroom van woede en dreiging in de muziek die snijdt tot op het bot. Joe Boyd’s heldere productie was ideaal voor deze muziek; op de meeste nummers zijn de arrangementen beperkt tot twee gitaren, bas en drums.

Samen vormen deze nummers veel meer dan de som van de delen. Ze vormen een meditatie over liefde en verlies waarbij schoonheid, passie en vreugde kunnen worden gevonden in een nederlaag

 

In januari trok Richard - voor het eerst sinds 10-12 jaar - naar Amerika, om er alvast de pers warm te maken voor de grote doorbraaktournee. Jo Lustig, de manager van de Thompsons, vond het geen goed idee, maar Richard stond er op. Het was vooral zijn bedoeling om er Nancy te gaan opzoeken. Hij ging alleen en speelde enkele shows, in Los Angeles en New York, met enkel zijn akoestische gitaar als begeleiding.

 

“Tegen dat Shoot Out the Lights uitkwam (in maart 1982), was er stont aan de knikker,” gaat Boyd verder, “Richard was verliefd geworden op een andere vrouw en Linda had de baby. Ze woonden apart, maar de agent had de Amerikaanse tournee geboekt en de band ingehuurd…”

Overrompeld door alcohol, anti-depressiva, een post-natale depressie en de teloorgang van haar huwelijk stond Linda voor een moeilijke opgave. Tegenover Boyd gaf ze toe dat ze fysisch noch emotioneel in staat was om aan de tour te beginnen. ”Maar als ik het niet doe dan heb ik het gevoel dat de afgelopen tien jaar van m’n leven weggegooid zijn.”

 

Maar Richard zag dat helemaal niet zitten. “Het was verre van ideaal,” geeft hij toe, “Maar onze manager vertelde ons dat het onze enige kans was om in Amerika te werken.”

 

Vanzelfsprekend werd het een uiterst intense tournee. “Het leek wel alsof Richard zes, zeven jaar nummers aan het schrijven was geweest die door Linda moesten worden gezongen wanneer hij haar zou verlaten.” meent Boyd. “Al die hartverscheurende nummers: ‘A Heart Needs A home’, ‘Dimming Of The Day’… Het was me van meet af aan duidelijk dat Linda nooit beter had gezongen dan tijdens deze shows. Wat er allemaal in hun levens gebeurde scheen een natuurlijke uitlaatklep te vinden op de scène. Ik dacht, we moeten hier een live plaat opnemen. Ik greep de telefoon en begon onmiddellijk rond te bellen voor een mobiele opnamestudio.“

 

Ironisch genoeg bracht de tournee eindelijk de lang verhoopte doorbraak in de Verenigde Staten. Maar het succes had een prijs: er werd geruzied, zowel op de scène als daarbuiten. Linda gaf Richard een harde trap tegen zijn schenen midden in een gitaasolo en op de luchthaven van Buffalo sloeg ze hem met een fles. “Ik pikte een auto in New York City en ik werd gearresteerd,“ bevestigd Linda. “Ik herinner me Long Island of zo, waar in een rottige club, ik zo dronken werd dat ik alle spiegels kapotsloeg in de kleedkamer. De promotor zie dat zelfs de Sex Pistols zich beter hadden gedragen.”  

 

Tegen de tijd dat ze L.A. bereiken is Linda op haar hoogtepunt. Nancy woonde er, maar ook Linda Ronstadt, Carly Simon en al die vrouwen waar ze tien jaar eerder mee bevriend was geraakt. “Ze wisten wat er gebeurd was en ze stonden allemaal klaar voor haar,” vertelt Boyd, “En Linda wist dat er ze waren voor haar.Het was ongelofelijk. Eén van de beste optredens die ik ooit heb gezien. Linda overtrof zichzelf en ze wist het.

Na afloop, in de kleedkamer kwam Linda – toen op het hoogtepunt van haar succes en haar macht – en sloeg haar arm om Linda en zei, ‘Kom maar mee. Ik zal voor je zorgen.’ En dat was het einde. Ze gingen weg en gingen ergens dineren in Santa Monica. De volgende dag gingen ze naar een verwenboerderij en lunchten met Jane Fonda. Het was in zekere zin het begin van haar nieuwe leven. Ik belde dan naar Linda Ronstadt’s huis om Linda op te pikken voor de laatste shows – die waar we zouden gaan opnemen – maar het scheen dat ze eindelijk was ingestort. L.A. was het breekpunt. Ze haalde nog de volgende show in San Francisco, maar ze was een andere vrouw geworden: ze zong vals. Niets dat kon worden uitgebracht.” 

 

Met wereldwijd 150 000 verkochte exemplaren was Shoot Out The Light het grootste succes van het koppel. Linda werd uitgeroepen tot beste zangeres van 1982 door zowel Time als Rolling Stone. Via Boyd leerde ze dat jaar haar nieuwe man kennen.

Linda tekende een contract bij Warners, op verzoek van Lenny Waronker. “Ik tekende vooral omdat Lenny me vertelde dat ze Richard hadden afgewezen. Belachelijk, dat weet ik wel, maar het voelde goed!” Met Betsy Cook maakte ze de solo LP One Clear Moment (1985). Ondanks schitterende nummers als ‘Telling Me Lies’ belande de plaat zowat onmiddellijk bij de koopjes.  Een tweede LP, voor CBS, wordt nooit uitgebracht. Haar stem is verlamd door angst. Het zal tot 2002 duren, voor ze met Fashionably Late nog eens van zich laat horen. 

 

Richard bleef bij Hannibal voor Hand of Kindness (1983), alvorens over te stappen naar Polydor. Maar eerst werd, nog een akoestische solo set, opgenomen tijdens de solo shows in New York City uit 1982 uitgebracht als Small Town Romance (1984). Nancy werd zijn tweede vrouw.

 

thompson