09-01-08

Wild Horses - 2

'Wild horses couldn't drag me away'

Toen Mick Jagger op 8 juli 1969 ontwaakte in een hotelkamer in Sydney, lag zijn vriendin, Marianne Faithfull nog vast te slapen. Ze waren pas de vorige dag in Australië gearriveerd, om er samen te gaan acteren in een film over een struikrover: Ned Kelly. Het duurde even voor Mick het flesje Tuinals opmerkte. Met een schok realiseerde hij zich dat het helemaal leeg was. Marianne had zo'n 150 pillen geslikt en was in coma geraakt.

Later zou ze uitleggen dat Brian Jones, die eerder die week was verdronken in zijn zwembad, haar had aangemoedigd om de pillen te nemen.

In haar autobiografie verklaarde ze: "Hij was opgestaan uit de doden, wist niet waar hij was en besloot mij te roepen." Ze hadden samen gewandeld door een landschap, verklaarde ze. Een landschap dat erg leek op de hel, zoals die is afgebeeld op een ets van Albrecht Dürer. Bij een klif aangekomen had Jones voorgesteld om samen te springen. Zij had geweigerd, maar hij deed het wel. Waarna ze zich plots in een luchthaven bevond.

Wanneer ze na zes dagen ontwaakte in het ziekenhuis, was het eerste wat ze zag het bezorgde gezicht van Mick. Ze stelde hem gerust met de woorden: "Wild horses couldn't drag me away."

Volgens de overlevering gebruikte Mick Jagger die zin als basis voor het meeslepende Stonesnummer 'Wild Horses'.

Later merkte Faithfull dan ook fijntjes op, "Mijn trauma's en mijn ongeluk werden door Jagger tot briljante nummers verwerkt." Zo hadden ze eerder ook al samen 'Sister Morphine' geschreven, over haar drugsverslaving, die was verergerd sinds ze in oktober van het vorige jaarbij een miskraam op zeven maanden hun dochtertje Corrine hadden verloren.

Toch wordt door Jagger zelf ontkend dat de overdosis van zijn vriendin iets met het lied heeft te maken. In het boekje bij de verzamelaar Jump Back: The Best of The Rolling Stones, uit 1993, schrijft hij bij 'Wild Horses': "Iedereen zegt altijd dat dit over Marianne ging, maar volgens mij is dat niet zo; we waren lang niet meer samen toen."

Dat ze uit elkaar waren toen het nummer werd geschreven is niet helemaal waar, want Mick en Marianne bleven nog bijna een jaar samen, na haar wanhoopsdaad. Het ging wel steeds slechter met haar, zodanig zelfs dat ze ooit tijdens een poepchic diner bij de Earl of Warwick, in slaap viel, met haar hoofd in de soep.


Keith's versie van de feiten

Medeauteur Keith Richards heeft een andere uitleg over het nummer. Zijn vrouw, Anita Pallenberg, was op 10 augustus 1969 bevallen van hun eerste kind: Marlon. Amper twee maanden later vertrokken The Rolling Stones voor een grote Amerikaanse tournee. Begrijpelijkerwijs liet de gitarist zijn vrouw en zoontje niet graag voor zo lange tijd achter.

Dat zou de ware kern van het nummer zijn. In 1993 verklaarde Keith: "Als er een standaardmanier is waarop Mick en ik samenwerken dat is het deze. Ik had de rif en de strofe, Mick kwam met de strofen. Net als bij 'Satisfaction'. 'Wild Horses' ging over de gewone klacht van niet te willen vertrekken, om te belanden op een miljoen mijl van waar je wilt zijn."

En in 1971: "Het had te maken met de geboorte van Marlon. Ik wist dat we naar Amerika moesten en ik terug aan het werk moest - van mijn luie kont. Ik wou niet weg. Het was een moeilijke tijd - het kind was pas twee maanden oud - en je gaat weg. Miljoenen mensen doen het, maar toch..."

Dit werd twee jaar later door Mick bevestigd: "De melodie was van hem. En hij schreef de regel over de wilde paarden, maar de rest komt van mij. Ik hou van dat nummer - pure pop. Neem dat cliché over die wilde paarden -afschuwelijk toch? - maar het werkt zonder dat het klinkt als een cliché!"

Niks met Marianne te maken, dus.

Of toch?
In een interview dat Keith gaf, in de periode dat het nummer werd opgenomen, legde Keith uit: "Ik schreef dat nummer omdat ik het thuis goed had bij mijn vrouwtje. Het was een soort liefdesliedje. Ik had die regel over de wilde paarden die me niet mee konden sleuren, en ik gaf het aan Mick. En Marianne was net weggelopen met een kerel en hij veranderde alles. Maar het is nog altijd prachtig."


De opname

De Amerikaanse tournee van The Rolling Stones is een groot succes. De nieuwe gitarist, Mick Taylor, blijkt een waardige vervanger voor Brian Jones. De band wil de tournee afsluiten met een verrassingsoptreden in San Francisco. Dat zal worden gefilmd door de gebroeders Aysles. Wanneer Mick - waarschijnlijk om veel volk te lokken - het optreden toch aankondigt tijdens een persconferentie, blijkt dat er geen vergunning is aangevraagd. Er moet een andere locatie worden gezocht. Uiteindelijk valt de keuze op een racecircuit in Altamont in Californië. Het festival zal doorgaan op 6 december.

Daardoor heeft de band enkele vrije dagen over. Om die tijd nuttig te gebruiken wordt besloten om wat nieuwe songs op te nemen. Ze zijn ook volop aan het onderhandelen met het Amerikaanse platenlabel Atlantic Records, dat hun platen zal verdelen in Amerika. Om de opnamen te maken hebben ze een onafhankelijke studio nodig, waar ze geen werkvergunning moeten voorleggen. Jerry Wexler stelt de Muscle Shoals Sound voor in Alabama.


Muscle Shoals Sound Studio

Die studio, in de buurt van Sheffield, in het diepe zuiden is onlangs geopend door vier muzikanten. Gitarist Jimmy Johnson, bassist David Hood, toetsenist Barry Beckett en drummer Roger Hawkins werkten als studiomuzikanten in de FAME (Florence Alabama Music Enterprises) Studios van Rick Hall. Ze waren er bekend als de Muscle Shoals Rhythm Section (of nog "the Swampers," zoals ze worden bezongen in 'Sweet Home Alabama' van Lynyrd Skynyrd).

Tussen 1961 en 1966 werden in FAME tientalle hits opgenomen door soulmuzikanten als Wilson Pickett, Percy Sledge, the Tams, Arthur Conley, Joe Tex, Jimmy Hughes en James & Bobby Purify. Maar het hek was helemaal van de dam toen producer Jerry Wexler langskwam en met Aretha Franklin grootse dingen deed voor het platenlabel Atlantic.

De uitbater van de studio, Rick Hall zag niet graag dat anderen het grote geld verdienen en wou een eigen label beginnen, te verdelen via Columbia. Hij bood de muzikanten een vast loon, in ruil voor exclusiviteit. Die konden echter elders meer verdienen en besloten voor zichzelf te beginnen.

Ze vonden een oude mandenfabriek die te koop stond. Die werd eerder al gebruikt om country en gospeldemo's op te nemen. Maar die opnameapparatuur was verouderd. Jerry Wexler van Atlantic - hij weer - wou hen wel $20 000 voorschieten in ruil voor een distributiedeal. Hun eerste klant was Cher die er haar LP 3614 Jackson Highway opneemt - genoemd naar het adres van de studio.

R.B. Greaves, die net 'Take a Letter Maria' had uitgebracht, was er overdag aan het opnemen, toen het telefoontje kwam om de studio tussen 2 en 4 december 's nachts vrij te houden voor de Britten.

Producer Jimmy Miller zou komen overvliegen, maar die daagde nooit op. Dus belande Jimmy Johnson achter de knoppen. Hij had al al eerder gedaan, voor hits als 'Sweet Soul Music' en 'When a Man Loves a Woman'.

"Ze hadden geen riffs of teksten klaar toenen ze aankwamen," beweert Johnson. "Ze hadden alleen wat titels van nummers, voor zover ik weet. En die kwamen van Jagger en Richards. De gitaarakkoorden werden daar ter plekke bedacht. Van zodra ze begonnen barste de hel los - drie uur lang - als vuurwerk. Zo na een uur of drie, vier kwam Keith gewoonlijk met een grootse rock gitaarriff, zoals 'Brown Sugar.' Als ik voelde dat het begon te klikken, zette ik de band aan.
Niemand zei me iets en ik vroeg ook niets. Iedereen die sessies speelt weet dat je maar één kans krijgt en dan is het voorbij. En als die kerels eens bezig waren, liep het als een trein. De boel stond te beven."

Volgens Barry Beckett was dat laatste zelfs letterlijk het geval. Hij zat op de trappen buiten en voelde het gebouw trillen.

The Rolling Stones namen drie nummers op: 'Brown Sugar', een cover van 'You Gotta Move' van 'Mississippi' Fred McDowell en tenslotte 'Wild Horses'.

Keith bevestigd dat het nummer nog niet helemaal af was toen ze besloten het op te nemen. "We herschreven het refrein in het toilet van de Muscle Shoals opnamestudio," vertelde hij in 1971, "omdat het niet goed zat."

De opname gebeurde volledig live, inclusief de zang van Mick Jagger. De specifieke gitaarklank lijkt van een 12-snarige gitaar te komen, maar Mick Taylor vertelde in 1979: "Ik speelde op een akoestische Gibson van Keith, in wat ze noemen een Nashville tuning. De gitaar is precies zo gestemd als gewoonlijk, maar je gebruikt alleen eerste en tweede snaren en je stemt ze in octaven. Een beetje alsof je een 12-snarige gitaar bespeelt, maar zonder de zes andere snaren. Zo kun je het best omschrijven."

Voor wie in zulke dingen is geïnteresseerd, Jimmy Johnson gaf in juli 2001 meer details over de gebruikte instrumenten, in een interview voor het tijdschrift Tape Op. "[Keith] speelde een Gibson, maar geen Les Paul. Een SG! Ik denk dat het een SG was, een zwarte.... En weet je waar Bill Wyman mee aan kwam? Herrinner je je die massieve plexiglas bassen die toen opkwamen? Een Dan Armstrong... Charlie Watts was zo onder de indruk van het drumgeluid dat hij aanbood om de microfoons te kopen. Daar kon ik natuurlijk niet op ingaan."

Hoewel Ian Stewart, de vaste pianist van de band, bij de andere nummers had meegespeeld, weigerde hij piano te spelen op 'Wild Horses'. Hij haatte de mineurakkoorden van de intro.

Toevallig was Jim Dickinson, vanuit Memphis overgekomen om de jongens aan het werk te zien. "Hij stond hij ergens vanachter, achter de gitaarversterkers," vertelt Johnson. "Ken je het stukje bij 'Kodachrome' van Paul Simon, waar het tempo versneld en de piano uit de bol gaat? Dat was onze tack piano, een oude rechtopstaande piano, die we hadden omgebouwd zodat ie klonk als een honky tonk. Bon, [tijdens de repetities] stond Jim daar dus, een beetje te tinkelen, wat te improviseren op hun groove. Plots kwam Keith kijken wie daar bezig was en riep: 'Hey, jij moet dat spelen!'"

Dickinson werd later producer van Aretha Franklin, Big Star en The Replacements. Ook werkt hij veel samen met Ry Cooder, vooral voor filmmuziek. (Nietwaar, Martin? ;-))


Gram Parsons

Na afloop van deze sessies vlogen ze naar Altamont voor het gratis festival dat ze er op 6 december gaven. Zoals te zien is in de film Gimme Shelter, werd het festival ontsiert door het buitensporig geweld dat de Hells Angels, die waren ingehuurd om de orde te handhaven, gebruikten tegen de hippies.

Naast Santana, Jefferson Airplane, Crosby, Stills, Nash and Young stonden ook de Flying Burrito Brothers op het programma. De leider van die laatste groep was Gram Parsons.

Met zijn ' Cosmic American Music' probeerde hij een een rockpubliek warm te maken voor countrymuziek. Met een combinatie tussen beide muziekstromingen blies hij de country, de muziek van de blanke Amerikaan, een ferme wolk peper in de kont. Na met The Byrds het baanbrekende Sweetheart of the Rodeo (1968) te hebben gemaakt, kwam hij, een jaar later, samen met Chris Hillman als The Flying Burrito Brothers met The Gilded Palace of Sin.

Keith Richards had Gram voor het eerst ontmoet in 1968 toen die met The Byrds op tournee was in Europa. De twee raakten goed bevriend en Parsons stapte zelfs uit de groep om in het gezelschap van de Stone te kunnen blijven. Keith, die altijd al geïnteresseerd was geweest in country, zag nu de kans om veel te leren van iemand die er alles van wist.

De twee ontmoeten elkaar opnieuw later dat jaar, toen de Stones twee maanden in Los Angeles waren voor het mixen van de Beggar's Banquet. Jagger gaf later toe dat Gram Parsons "een van de weinigen is die me echt hielpen om country te zingen. Voorheen kopieerden Keith en ik gewoon de platen." Vanaf Let It Bleed is zijn invloed goed merkbaar op de platen van de Britse groep.

Tijdens het festival, of kort daarna, gaven The Stones een kopie van hun 'Wild Horses' aan Parsons. Het was de bedoeling dat Sneaky Pete Kleinow er steel gitaar aan toe zou kunnen voegen. Toen Gram het nummer hoorde was hij danig onder de indruk. Hij smeekte hen of hij het mocht coveren. Hij claimde later herhaaldelijk dat Jagger en Richards 'Wild Horses' speciaal voor hem hadden geschreven en zelfs dat hij het nummer had geïnspireerd.

Gram Parsons kreeg de toestemming en zijn versie is het onbetwiste hoogtepunt van de tweede plaat van de Flying Burrito Brothers. De plaat werd geproducet door... Jim Dickinson.
Burrito Deluxe werd in april 1970 uitgebracht. Parsons was toen al uit de groep gestapt, om een solo carrière te beginnen.

De vijf platen die hij tussen 1968 en 1972 maakte zijn mijlpalen die een lichtend voorbeeld vormen voor zowat alle latere americana - en alt.country-artiesten, van de prille R.E.M. en The Jayhawks over Steve Earle en Dwight Yokam tot Lucinda Williams en Ryan Adams


Sticky Fingers

Toen duidelijk werd dat Sneaky Pete geen bijdrage zou leveren aan 'Wild Horses', voegde Keith Richards zelf de elektrische gitaarsolo toe aan het nummer, tijdens de mix- en overdubsessies voor de live plaat Get Yer Ya-Ya's Out!. Deze vinden plaats in februari 1970, in de Olympic Sound Studios in Londen.

Toch zou het nog meer dan een jaar duren eer de versie van The Rolling Stones zou worden uitgebracht. Na het aflopen van het contract met Decca/London had de band gehoopt eindelijk zelf te kunnen bepalen wat ze uitbrachten en hoe. Maar net toen ontdekten ze dat hun manager Allen Klein hen, zonder dat ze het in de gaten hadden, de rechten van al hun nummers had ontfutseld. Alles van 'Come On' uit 1963 tot en met de live LP Get Yer Ya-Ya's Out! in 1970 was in handen van Klein en zijn firma ABKCO Records. Vandaar dat zowel 'Brown Sugar' als 'Wild Horses' terug te vinden zijn op de singles compilatie The London Years.

Met een opvallende hoes, ontworpen door Andy Warhol, was Sticky Fingers, in april 1971, de eerste LP op het Rolling Stones label (verdeeld door WEA Music). Na 'Brown Sugar' werd, in juni van dat jaar 'Wild Horses' als tweede single uit de plaat uitgebracht, zij het enkel in de Verenigde Staten. Het haalde net de top 30. Toch bleef het nummer populair tijdens de live shows van de groep en in 1995 bracht de band een akoestische versie op hun Unplugged album Stripped.


Wild Horses

Childhood living is easy to do
The things you wanted I bought them for you
Graceless lady, you know who I am
You know I can't let you slide through my hands

Wild horses couldn't drag me away
Wild, wild horses couldn't drag me away

I watched you suffer a dull aching pain
Now you decided to show me the same
No sweeping exits or offstage lines
Could make me feel bitter or treat you unkind

I know I dreamed you a sin and a lie
I have my freedom but I don't have much time
Faith has been broken, tears must be cried
Let's do some living after we die

Wild horses couldn't drag me away
Wild, wild horses, we'll ride them someday

Mick Jagger, in 1993: "Er zitten best wel veel emoties in dit nummer. Het is erg persoonlijk, beeldend en droevig. Het klinkt nu allemaal wat somber, maar het was toen ook een speciale tijd."

22-12-07

'Sunny Goodge Street'

Sunny Goodge Street

decoration



Natuurlijk kende ik het nummer al langer, van op een compilatie van Donovan. Bij oppervlakkige beluistering leek het een leuk, jazzy, loom zomers melodietje. Een beetje ongewoon dat wel. Maar nadat het in december 2002 opdook op een cd bij het tijdschrift Mojo, rond het thema drugssongs ging ik voor het eerst echt naar de tekst luisteren. Toen bleek er heel wat meer achter de zitten.


Een nieuw geluid

Miles Davis pakte in 1969 op zijn In A Silent Way verrassend uit met een samensmelting van jazz en rock. Toch was hij daarmee niet de eerste. De Schotse folkzanger Donovan Leitch deed het hem vier jaar eerder al voor met 'Sunny Goodge Street' op zijn tweede LP.

Die plaat, Fairytale, werd op 22 oktober 1965 uitgebracht in Engeland. Net als op zijn debuutplaat What's Bin Did and What's Bin Hid, staan op Fairytale voornamelijk liedjes waarop Donovans zang enkel wordt begeleid door zijn eigen harmonica en akoestische gitaar. Af en toe kleurt Shawn Phillips de zaak wat in met een twaalfsnarige gitaar. Het zijn dan ook voornamelijk zelfgepende folksongs, aangevuld met wat covers van collega-folklui als Bert Jansch.

De uitzondering is echter 'Sunny Goodge Street', dat met zijn jazzy feel en de beschrijving van het leven in het stadse Londen vooruitloopt op de richting die hij de volgende jaren zou inslaan.

Het nummer werd dan ook in een afzonderlijke sessie opgenomen, einde september 1965, in de Peer Music in de Londense Denmark Street. Producer Terry Kennedy schreef ook het arrangement. De legendarische Pentangle bassist Danny Thompson bespeelde hierbij naast de akoestische bas ook de cello, aangevuld met Harold McNair op fluit en Franse hoorn, terwijl Skip Alan met borsteltjes het drumstel beroerde.

Hoewel Donovan op basis van zijn eerste singles en langspeelplaat door de Britse pers werd beschouwd als een imitator van Bob Dylan, bewees hij hiermee dat dit eigenlijk onterecht was. Zeker, ze waren beiden zwaar beïnvloed door dezelfde voorbeelden: Woody Guthrie, Derroll Adams en Ramblin' Jack Elliott.

Maar terwijl zijn Amerikaanse tegenhanger het hield bij folk, blues en rock, was de jonge Donovan ook geïnteresseerd in moderne jazz, zoals die werd gebracht door Charles Mingus en Jimmy Giuffre.

Bij de voorbereidingen voor zijn zeer interessante boek Turn! Turn! Turn!: The 1960s Folk-Rock Revolution, interviewde Richie Underberger de zanger hierover.
"Ik luisterde naar jazz, klassieke muziek, Billie Holiday en [klassieke cellist] Pablo Casals. Ik las poëzie en new wave literatuur en ik zag al deze dingen versmelten tot een geluid,” vertelt hij. "Louter muzikaal was 'Sunny Goodge Street' jazz fusion, zelfs wanneer ik het puur akoestisch speelde. De vermenging van de muzikale stijlen kondigde het afbrokkelen aan van de barrières en categorieën in de muziek. Ik introduceerde niet enkel het Keltische-rock genre, ik absorbeerde en verwerkte wereld muziek in het algemeen, trouw aan het credo dat alle muziek evenwaardig is, net als alle mensen op de planeet evenwaardig zijn."


Geestverruimende middelen

“Iedere vrijdagavond reisden enkele van ons, vanuit het beatcafé in St Albans (in Hatfield, waar hij toen woonde), per autostop naar Londen, om er een stukje hashies te gaan kopen. In Londen namen we de metro en kwamen dan bovengronds in het station aan Goodge Street, waar we ons gingen bevoorraden.”

Sinds er in de jaren vijftig een aantal jazzclubs in de buurt waren geïnstalleerd was het bepaalde kringen geweten dat er in de cafe’s in de omgeving van het metrostation illegale spullen konden worden gekocht.

On the firefly platform on sunny Goodge Street
Violent hash-smoker shook a chocolate machine
Bobbed in an eating scene.
Involved in an eating scene.

Smashing into neon streets in their stillness
Smashing into neon lights in their stonedness
Smearing their eyes on the crazy Kali goddess
smearing their eyes on the crazy kerb goddess.
Listenin' to sounds of Mingus mellow fantastic.
"My, my", they sigh,
"My, my", they sigh.

In dull house rooms with coloured lights swingin'
Strange music boxes sadly tinklin'
Drink in the sun shining all around you.
"My, my", they sigh,
"My, my", they sigh, mm mm.
"My, my", they sigh,
"My, my", they sigh.

The magician, he sparkles in satin and velvet,
You gaze at his splendour with eyes you've not used yet.
I tell you his name is Love, Love, Love.
"My, my", they sigh,
"My, my", they sigh.
"My, my" - sigh.


Met zo een thema is het niet te verwonderen dat ‘Sunny Goodge Street’ één van de allereerste popsongs is waarin expliciet druggebruik werd vermeld.

“Maar het nummer gaat niet alleen over de drugs maar ook over het verruimen van het bewustzijn, waar we toen mee bezig waren,” haast Donovan zich, er aan toe te voegen.

"'Sunny Goodge Street' anticipeerde op de spirituele trip van de volgende generaties. De tekst is waarschijnlijk de allereerste in de populaire muziek, waarin het spirituele pad wordt vermeld, met de regels 'the magician he sparkles in satin and velvet, you gaze at his splendour with eyes you've not used yet'. Een verwijzing naar het verruimen van het bewustzijn dat groeide in de generatie van de late jaren vijftig en vroege jaren zestig. Folk-rock is niet alleen een sound. Het is een manifest voor veranderingen!"

Het was als het ware een voorbode voor de summer of love die voor de deur stond.

Voor Donovan zelf was het een scharnierpunt. Die herfst brak hij met zijn manager Ashley Kozak en ging in zee met de Amerikaanse impresario Allen Klein (die later het management van The Rolling Stones en The Beatles zou overnemen). Klein introduceerde hem bij de producer Mickie Most.
Donovan veranderde van een verlegen tweederangs Dylan in een popster. Hij werkte samen met de beste muzikanten uit de Londense scene, waaronder Jack Bruce en de toekomstige leden van Led Zeppelin, John Paul Jones en Jimmy Page. Maar ook jazzmuzikanten als Danny Thompson, Spike Heatley, Tony Carr en John Cameron bleven opduiken op de hoezen van zijn platen en vooral in zijn begeleidingsband tijdens tournees.

Midden 1966 was hij de eerste Britse popmuzikant die werd opgepakt voor drugsbezit. The Rolling Stones volgden en tenslotte werden George Harrison en John Lennon opgepakt.

Toen hij aan het einde van de jaren zestig brak met Mickie Most waren zijn gloriejaren voorbij. Toch ontkent Donovan dat hij het succes alleen aan Most te danken had.

In een interview, gepubliceerd in maart 1997 in het tijdschrift Grip Monthly, vertelde Donovan: ”Op Fairy Tale was er één nummer, ‘Sunny Goodge Street,’ dat ik schreef voor ik Mickie leerde kennen. Dat nummer gaf aan dat er iets aan het veranderen was in mijn muziek. Het was afstand nemen van de folk scène en meer in de richting van jazz en het mystieke. Door dat nummer realiseerde ik me dat ik die elementen kon samenbrengen en ik dacht: ‘dit is buitengewoon. Nu wil ik meer elementen samen laten versmelten.’ En natuurlijk bracht Mickie er het element pop in – hij maakte de singles. Maar eigenlijk was ik toen al meer een ‘singles man'.”


Coverversies

Amper vijf maanden na het origineel bracht Boudewijn de Groot het nummer al, op zijn titelloze debuutplaat. Deze Nederlandse "vertaling" als 'Draai weer bij' was het werk van Harry Geelen, die bovendien ook nog een ander nummer van Donovan onder handen nam: 'The Ballad Of The Chrystal Man' werd 'Nee, Meeuw'.

Harry Geelen was een striptekenaar, die Maarten Toonder assisteerde bij het werk aan diens stripreeks Tom Poes. Later werd hij tekstschrijver voor de televisiereeksen voor de jeugd, Hamelen en Q & Q. Hij schreef ook talrijke jeugdboeken, maar van liedjesteksten hield hij zijn handen af.

Misschien is dat maar goed ook.

Op het platdak wappert je was zo welwillend,
rook uit je schoorsteen kringelt kalm omhoog.
Gunstig voor jou en mij.

Duiven zijn her en der goedmoedig doende,
dom tussen kiezel en asbest en mossen,
vliegend en vlug van dak naar dak
naar de drempel,
laag laag voorbij,
laag laag voorbij.

Een man in het blauw hijst een windwijze wimpel,
blij en voorbeeldig, heer en meester.
Hoog in de zon en wind speelt heel plezierig.
Draai draai weer bij.
Draai draai weer bij.
Wind, draai weer bij.
Wind, draai weer bij.

De brandladder klimt als een kat naar de zon
en handdoeken lachen hoog op je balkon.
En vertel me: wie heb je lief lief lief?
Draai draai weer bij.
Draai draai weer bij.
Draai draai weer bij.


Dezelfde bewerking werd ook nog eens door Liesbeth List op haar debuutplaat Pastorale gezet, in 1968. Waarschijnlijk doordat die plaat gemaakt werd met het team achter de platen van Boudewijn de Groot: producer Tony Vos en arrangeur Bert Paige.

In Engeland bracht de toen nog fréle Marianne Faithfull een bluesy versie van ‘Sunny Goodge Street’ op haar langspeelplaat North Country Maid, uitgebracht op 1 april 1966. Op haar versie speelt de mondharmonica een prominente rol.

Voor de eerste Amerikaanse coverversie werd de toch wat donkere sfeer van Donovans versie omgezet in een vrolijk en helder piano arrangement. Judy Collins bracht het in november 1966 op haar plaat In My Life.


In deze clip brengt Donovan ‘Sunny Goodge Street” op akoestische gitaar: http://www.youtube.com/watch?v=Bs_6cVfL590&feature=re...