19-05-08

House Of The Rising Sun

Voor Mie : een verzoeknummertje.

decoration

Kentucky - 15 september 1937

In de late zomer van 1937 stopte een oude auto op het pleintje van Noetown, een straatarm mijnwerkersdorpje in het oosten van Kentucky. De wagen zag er versleten uit - geen wonder na een rit op onberijdbare wegen door het gebergte van Kentucky.
Het gebeurde niet vaak dat hier vreemdelingen op bezoek kwamen. De meest nabije verharde weg ligt bijna 50 mijl verder. De nieuwsgierigheid haalde het van de achterdocht van de dorpelingen.
Een jong koppel stapte uit. De man legde uit dat hij Alan Lomax heette. Dat hij uit New York kwam en mensen zocht die oude liedjes zongen. Dat hij en zijn vader, John, authentieke opnamen verzamelen in voor het Archief van de Amerikaanse Folksong voor congresbibliotheek.

Alan had zich vooraf goed geïnformeerd en wist dat er in het huis van Tillman Cadle plaats was om zijn logge apparatuur op te stellen. Zijn Presto "reproducer" liep op een grote, zware batterij. Wanneer alles in gereedheid was gebracht kwamen enkele inwoners één na één zingen voor de machine. Een van hen was Mary Mast Turner, de vrouw van een mijnwerker. Ze had haar dochter meegebracht. Georgie was 16 en zong de hele dag, terwijl ze aan het werken was.
In het nasale accent van de streek zong ze haar favoriete liedje voor de Presto. Edward Turner, het neefje van Cadle, begeleide haar daarbij op zijn mondharmonica. Ze zong het trieste verhaal van een meisje dat verliefd was geworden op een foute jongen. Daardoor was ze terecht gekomen in een huis in New Orleans. En al wie daar belande was voor altijd verloren. Ze waarschuwde haar jonge zus ervoor daar nooit te gaan, naar dat huis met de opgaande zon.
Alan Lomax noteerde de song als 'Rising Sun Blues'.

Tijdens het vervolg van zijn tocht door de heuvels kwam Lomax nog twee muzikanten uit de streek tegen die ongeveer hetzelfde liedje zongen in zijn Presto. Bert Martin in Horse Creek begeleidde zichzelf daarbij op gitaar; Daw Henson in Billys Branch zong het a capella.


Enkele speculaties over de herkomst

In de jaren zestig lichtte Alan Lomax in The Penguin Book of American Folksongs toe "deze blues song over een mislopen meisje stamt waarschijnlijk af van een ouder Brits nummer. In ieder geval duikt een huis van de opgaande zon op in diverse aangebrande Engelse songs en de melodie is ere en van de vele van de oude, pikante ballad Little Musgrave."

'Little Musgrave And Lady Barnard' is de naam van Child Ballad #81, beter bekend bij rockfans als 'Matty Groves', zoals het heette bij Fairport Convention. Deze ultieme folk ballad over overspel en moord werd voor het eerst opgetekend in 1611.

De song heeft dus altijd in de erotische sfeer gezeten en het is dan ook niet te verwonderen dat men er van uitging dat het huis waarvan sprake een bordeel was. De plaats waar een jong meisje zich in het ongeluk kon storten.

Er is druk gezocht naar het huis in New Orleans. Er is sprake van een Rising Sun Hotel, maar dat brandde al af in 1822 - een eeuw voor het nummer voor het eerst opduikt.

Dan is er nog een huis in St Louis Street in het Franse buurt van New Orleans, waarvan de huidge eigenaars beweren dat dit het beruchte House of the Rising Sun was. Ene Marianne LeSoliel Levant zou er tussen 1862 en 1874 een bordeel hebben uitgebaat.

Anderen menen dan weer dat het geen bordeel was, maar een hal voor gokkers. Of een vrouwengevangenis: er zijn bouwplannen terug gevonden waarop een cirkelvormig raam te zien is boven de inkompoort. Dat zou dan de opkomende zon zijn.

Pamela D. Arceneaux van het Williams Research Center & Historic New Orleans Collection schreef in 2003 dat er geen enkel bewijs hard bewijs is om welk gebouw dan ook aan te duiden als "het" huis. Haar besluit is dat misschien "sometimes lyrics are just lyrics".

decoration


New York - 7 juli 1941

Alan Lomax publiceerde de tekst van 'Rising Sun Blues' voor het eerst in 1941, in zijn baanbrekende liedboek Our Singing Country. Hij nam de tekst van Georgie Turner als basis, maar noteerde daarbij dat "enkele regels" kwamen uit de versie van Bert Martin.

Datzelfde jaar trad hij ook op als producer van de opname van de song door The Almanac Singers. Dat was een los-vast collectief van linkse folkzangers: Woody Guthrie, Lee Hays, Millard Lampell, Pete Seeger. Ze waren begin 1941 gaan samenwerken om op te roepen dat de Verenigde Staten zich niet zou gaan mengen in de Tweede Wereldoorlog. Later voegden ook Agnes 'Sis' Cunningham, Peter Hawes, Lead Belly en Josh White zich bij de groep. Zowat iedereen die iets betekende in folkkringen van de jaren veertig dus. De groep was zo invloedrijk dat ze letterlijk hebben bepaald hoe American folk en protestsongs moesten worden gezongen.

De opnamen vonden plaats in de Reeves Sound Studios, in New York op 7 juli en warden later dat jaar uitgebracht op de derde 78 toeren plaat van de groep: Sod-Buster Ballads. Het was Woody Guthrie die daarbij 'Rising Sun Blues' zong.


decoration

New York - februari 1942

Het volgende jaar nam de charismatische zwarte folkzanger Josh White een eigen versie op van 'House Of the Rising Sun'. Zijn tekst was anders dan die uit het songbook van Lomax. Hij zong het nummer vanuit een mannelijk standpunt, over een gokker. Hij was ook de eerste om de akkoorden in mineur te spelen in plaats van in majeur zoals tot dan gebruikelijk was. Kortom zijn versie was het prototype van de song zoals we die tegenwoordig kennen.

Het label Keynote bracht de versie van White in 1944 op de markt in een "binder-album", een set van vier 78-toeren platen.

Lomax was woedend. Hij vond het ongepast om ook maar iets te wijzigen aan een bestaande tekst of melodie. Maar White legde uit dat hij de song al veel langer kende. Als jongetje van tien trok hij rond met blinde zwarte muzikanten. Omstreeks 1923 hoorde hij het spelen door een "blanke hillbilly in North Carolina". Mogelijk was dat Clarence Ashley, die in die periode, in die streek rondtrok met zijn medicine show. Ashley is ook de man van 'The Coo Coo Bird' en 'The House Carpenter'.

Clarence "Tom" Ashley had de song al op 6 september 1933 opgenomen. Zijn zang en gitaar werden daarbij aangevuld door Gwen Foster op harmonica. De 78 toeren plaat verscheen in februari 1934 bij het Vocalion label. Ashley verklaarde later dat hij het nummer had geleerd van zijn grootvader, Enoch Ashley. De Ashley waren afkomstig uit Bristol, Tennessee - slechts een paar Smoky Mountains verwijderd van Middlesboro.
Uit dezelfde streek was ook Roy Acuff afkomstig. Acuff leerde het vak van Ashley en bracht ook een commerciële opname van de song uit vóór de veldopname van Lomax. Acuff legde zijn versie voor eeuwig vast op 3 november 1938. Deze 78 toeren verscheen in augustus 1939 bij Vo/OK.

decoration

New York - 20 november 1962

Toen Bob Dylan begin 1962 in New York arriveerde, was Dave Van Ronk daar de toonaangevende figuur. Niet voor niets droeg hij de bijnaam The Mayor of MacDougal Street. Dat was de straat in de New Yorkse buurt Greenwich Village waar iedere avond de artiesten mekaar verdrongen om hun ding te kunnen doen in een van de vele koffiehuizen.

Van Ronk had zijn gitaarstijl gebaseerd op de stijlen van Mississippi John Hurt en Reverend Gary Davies. Als een soort Nonkel Bob bracht hij iedereen die dat wou de basisbeginselen van het gitaarspel bij. "Painting is all about space," leerde hij zijn pupillen, "and music is all about time."
Maar ook op ander manieren stond hij beginnende folkzangers bij. De jonge Bob Dylan vond die eerste maanden dikwijls een slaapplaats in het appartement van de grote bebaarde man.

In zijn memoires wijdt Van Ronk bijna een heel hoofdstuk aan 'House of the Rising Sun'. Zo vertelt hij dat hij de song leerde van de Texaanse zangeres Hally Wood. En die had het nummer rechtstreeks gehaald bij de veldopname van Georgia Turner.
Dave werkte een geheel nieuw arrangement uit, waardoor hij ook de melodie een stuk attractiever maakte. Dat sloeg erg aan en bij ieder optreden vroeg het publiek hem om het nummer te spelen.

"[Bob Dylan en ik] hadden een vreselijke ruzie over 'House of the Rising Sun'" vertelt Van Ronk. "Hij was altijd al een spons, nam alles rondom hem in zich op. Hij pikte mijn arrangement van dat nummer. Voor dat hij de studio introk vroeg hij me, 'Hey Dave, vind je het erg als ik jouw versie van de Rising Sun gebruik?' Ik zei 'Wel, Bobby, Ik ga binnenkort zelf een plaat maken en ik zou het willen opnemen.'
Later vroeg hij me het opnieuw en ik antwoordde opnieuw dat ik het zelf wou gebruiken. 'Oeps, ik heb het net deze middag opgenomen en ik kan er niks meer aan doen, want Columbia wil het.'
Dat moet dan op 20 november 1962 gebeurd zijn. Die dag nam Dylan zijn debuut-LP op voor Columbia.
"Zo een twee maanden lang spraken we niet meer tegen elkaar, " gaat Van Ronk verder. "Ik moest stoppen met het nummer live te brengen omdat ik steeds opmerkingen kreeg uit het publiek in de aard van "Oh, je speelt dat nummer van Bob Dylan!"
Hij heeft zich nooit verontschuldigd en dat vind ik straf."

decoration

Londen - 18 mei 1964

Tot dan toe was 'The House Of the Rising Sun' nog steeds gewoon een van de vele folksong gebleven. Joan Baez, Odetta en Nina Simone brachten het allemaal uit. Maar het was een Britse groep die er een absoluut onvergetelijk nummer van zou maken.

The Animals waren een van de vele bands die het Britse clubcircuit afschuimden met hun mengeling van blues en rhythm and blues songs. Covers van de platen die Amerikaanse zeelui meebrachten uit het land van de onbegrensde mogelijkheden aan de andere kant van de oceaan. De naam "animals" hadden ze te danken aan hun wilde podiumfratsen.

De vijf leden waren Eric Burdon, een klein mannetje met een gigantische stem, toetsenist Alan Price, gitarist Hilton Valentine, drummer John Steel en bassist Bryan "Chas" Chandler. Allemaal waren ze afkomstig uit de buurt van Newcastle-upon-Tyne. Maar in navolging van The Beatles waren ze in 1964 naar Londen getrokken.

Daar versierden ze een platencontract bij Columbia Graphophone. De eerste single was 'Baby Let Me Take You Home' - eigenlijk een rockende versie van de bluesstandard 'Baby Let Me Follow You Down'.

Ze kregen de kans op in een package tour op tournee te gaan met Chuck Berry en Jerry Lee Lewis. Ze begrepen dat ze iets nodig hadden om op te vallen. Iets dat anders klonk dan wat die grote mannen uit Amerika zoveel beter deden.

Toen Eric Burdon Dylan's debuutplaat hoorde, herkende hij 'House of the Rising Sun' meteen. Het herinnerde hem aan een folkzanger uit Northumbria, Johnny Handle. Die zong in zijn stamcafé in Newcastle een repertoire over schipbreuken en mijnrampen. Maar het meest succes had hij steeds met die song over dat bordeel.

"Ik wist één ding: je kunt gewoon niet beter rocken dan Chuck Berry," legde Eric Burdon uit, "Ik dacht, 'Als we nu dat nummer eens nemen. We reorganiseren het een beetje, laten wat van Dylan's tekst vallen en maken een nieuw arrangement. "

Een stoere Noordelijke vent kan toch moeilijk zingen dat hij een meisje is. Maar Alan Price herinnerde zich een andere versie - die van Josh White. Daarbij was een jongen het slachtoffer van dat huis in New Orleans. En de rol van de gokker en dronkenlap verschoof van het vriendje naar de vader van de verteller.
Hilton Valetine kwam met het typische gitaarloopje op zijn Gretsch. Alan Price
voegde nog wat meer pit toe door een solo op zijn Vox Continental orgeltje. De inspiratie daarvoor haalde hij bij de hit 'Walk on the Wild Side' van jazzman Willie Smith.

Zo brachten ze het als laatste nummer in hun set. Dramatisch uitgelicht met één enkele rode spot op Burdon's gezicht. Succes verzekerd.

Drummer John Steel "We speelden in Liverpool op 17 mei. Daarna reden we naar London waar [producer] Mickie [Most] een studio had geboekt voor opnamen voor Ready Steady Go van ITV! Omwille van de goede respons die we kregen op 'Rising Sun', vroegen we om dat op te nemen. Hij zei: 'OK, we doen het aan het einde van de sessie.'
We zetten alles klaar, speelden een paar maten voor de geluidstechnicus - het was mono zonder overdubs - en we speelden het één keer."

Volgens Burdon beperkte de rol van Most zich tot goedkeurend knikken tijdens de sessie. "Alles zat juist," bevestigt Most, "Het stond er op een kwartiertje op, dus kan ik niet veel eer opstrijken voor de productie. Het was puur kwestie van de atmosfeer inde studio vast te leggen."
Steel gaat verder: "[Na afloop] luisterden we er nog eens naar en Mickie zei: 'Dat is het. Dat wordt de single.'"

De geluidstechnicus wees er op dat het veel te lang was voor een single. Met 4:29 werd de standaard drie minuten grens ruim overschreden. Zoiets was nog nooit gedurfd. Meer nog: het was technisch onmogelijk.
Maar in plaats van het in te korten, durfde Mickie het aan om te zeggen: 'Tegenwoordig hebben ze hele dunne groeven. We doen het toch.'"

Toen het singeltje in juni 1964 werd uitgebracht bleek de mengeling van folk en rock onmiddellijk aan te slaan - ondanks de lengte. Al snel stond het nummer op 1 in Engeland.

De Amerikaanse platenmaatschappij ging niet akkoord met het overschrijden van de drie minuten regel. Zoiets zou eenvoudigweg niet op de radio worden gedraaid. Toen de single daar in augustus verscheen was er stevig in geknipt zodat er nog 2:58 overbleven.

Dat bleek niet te hinderen: het was de sound die aansloeg. Bob Dylan verklaarde dat toen hij de versie van The Animals voor het eerst hoorde op de autoradio hij "uit de zetel van zijn auto" sprong van opwinding. Het klonk dan ook zoals nog nooit iets had geklonken. De Amerikaanse muziekcriticus Dave Marsh beschreef het in 1989 als de "eerste folk-rock hit. [Het klinkt] alsof ze de oude melodie hebben aangesloten op een stroomkabel."

Ralph McLean van de BBC gaat nog een stapje verder: Hij noemt het "een revolutionaire single" die "het gelaat van de moderne muziek voor eeuwig heeft veranderd." Inderdaad, het was misschien wel het zetje dat Bob Dylan nodig had om zijn gitaar in te pluggen - tot woede en frustratie van puristen als Alan Lomax, Ewan McColl en Pete Seeger.

Op 5 september stootte de single 'Where did our Love Go' van The Supremes van de top van de Amerikaanse hitlijsten. Het werd daarmee het eerste Britse nummer in twee jaar aan de top van de Amerikaanse hitlijsten die niet door Lennon en McCartney was geschreven. Op vijf weken werden er meer dan twee miljoen exemplaren van verkocht.

Maar het succes bracht ook de nodige problemen mee. Op het label stond aangegeven: "Trad., arranged Alan Price". Volgens de platenmaatschappij was er niet genoeg plaats om iedereen te vermelden. Niemand had daar een probleem van gemaakt, tot bleek dat alle royalty's dan ook alleen naar de toetsenist gingen. Hilton Valentine kreeg nooit een cent voor de simpele maar uiterst herkenbare riff waarop duizenden mensen hebben leren gitaarspelen. De spanningen liepen op en in mei 1965 stapte Price op om een solo carrière te beginnen.



The House of the Rising' in de versie van The Animals



'Rising Sun Blues' door Georgia Turner

There is a house in New Orleans they call the Rising Sun.
It's been the ruin of many a poor girl and me, O God, for one.
If I had listened what Mama said, I'd be at home today.
Being so young and foolish, poor boy, let a rambler lead me astray.
Go tell my baby sister never do like I have done
To shun that house in New Orleans they call the Rising Sun.
My mother she's a tailor, she sewed these new blue jeans.
My sweetheart, he's a drunkard, Lord, Lord, drinks down in New Orleans.
The only thing a drunkard needs is a suitcase and a trunk.
The only time he's satisfied is when he's on a drunk.
Fills his glasses to the brim, passes them around.
Only pleasure he gets out of life is hoboin' from town to town.
One foot is on the platform and the other one on the train.
I'm going back to New Orleans to wear that ball and chain.
Going back to New Orleans, my race is almost run.
Going back to spend the rest of my days beneath that Rising Sun.



Enkele naschriften

In 1963 ging Alan Lomax Georgia Turner opzoeken. Ze was nog steeds straatarm. Ze had veertien kinderen gebaard, waarvan er tien in leven waren gebleven. Hij zorgde er voor dat ze wat royalties kreeg. Hij legde haar uit dat het nummer was "gekaapt".
Uiteindelijk kreeg ze alles samen iets meer dan $117.
Georgia overleed in 1969. Ze was pas 48.


In 2007 werd in New York een boek uitgegeven, helemaal gewijd aan de geschiedenis van het nummer: Chasing the Rising Sun: The Journey of an American Song door Ted Anthony.


Op deze site kun je maar liefst 80 versies van House Of The Rising Sun binnen halen:
http://coco-vinyl.blogspot.com/2008/05/house-of-rising-sun.html

Jammer genoeg is die van Georgia Turner er niet bij. Gelukkig kun je hier van haar versie een stukje beluisteren:
http://www.rounder.com/index.php?id=album.php&catalog_id=6504

06-05-08

Frankie & Albert

Benton-Frankie

Frankie & Albert  

Het openingsnummer van Bob Dylan's Good As I Been To You is 'Frankie And Albert'. De song is een van de bekendste Amerikaanse murderballads. Het werd dikwijls opgenomen, zowel door blanke als zwarte uitvoerders.

De populariteit van het nummer kan het best worden geïllustreerd door de vele varianten die er van in omloop zijn.
In 1962 gaf ene Bruce Buckley een studie uit waarin hij 410 verschillende versies beschrijft van 'Frankie'. Bij sommigen heet het nummer 'Frankie and Albert', bij anderen 'Frankie and Johnnie' of soms gewoon 'Frankie'.

Hoewel er veel onderzoek is gedaan naar de oorsprong van het bluesnummer is de eigenlijke auteur niet meer te achterhalen.


Verfilmingen

Het verhaal werd ook verschillende keren verfilmd. Dat gebeurde voor het eerst in 1930, als Her Man met Helen Twelvetrees. Zes jaar later volgde Frankie and Johnnie met Helen Morgan.

Daarna is het lang stil. Het verhaal wordt terug opgepikt in de jaren zestig voor een van de slechtste Elvis films: Frankie And Johnny. De meest recente verfilming, met Al Pacino en Michelle Pfeiffer, bereikte de bioscopen in 1991.

Hoewel het oorspronkelijke verhaal zich afspeelt in het milieu van wat tegenwoordig zo netjes African Americans heet, worden in deze verfilmingen de hoofdrollen telkens door blanken vertolkt.


De feiten

Waarschijnlijk is het nummer geïnspireerd op een waar gebeurd drama in Chestnut Valley, de rosse buurt van St. Louis, Missouri.

Op 19 oktober 1899 meldde de St. Louis Post-Dispatch dat de 17 jaar oude Allen Britt woensdagnacht was overleden in het City Hospital. Vier dagen eerder was de "Negro sporting man" neergeschoten door zijn vriendin, Frankie Baker, "an ebony hued cake-walker". Frankie was 22. Ze hadden mekaar ontmoet tijdens het Orange Blossom bal en vormden sindsdien een koppeltje.
Maar Frankie vermoedde dat hij haar bedroog. Die nacht ging ze hem opzoeken op zijn kamer in 212 Targee Street. Zoals ze gevreesd was hij niet alleen. Naast hem lag een prostitué, de18 jarige Alice Pryor.
Tijdens de discussie die volgde schoot Frankie haar geliefde neer.

De geschiedenis lijkt wel heel erg op die van de song. Te veel om toeval te zijn. Bovendien is het is erg aannemelijk dat de naam Allen Britt - afgekort tot Al Britt - werd verbasterd tot Albert.

Hoe verging het de echte hoofdrolspelers?

Al Britt overleed om 2:15, in de ochtend van de 19 oktober 1988 aan een kogelwonde in zijn lever..

Voor de rechtbank verklaarde Frankie dat Britt haar had bedreigd met een mes. Ze wist dat de jongen altijd een pistool onder het kussen had liggen. Dat kreeg ze te pakken. Tijdens het gevecht dat volgde, ging het fatale schot af.


De rechter oordeelde dat Frankie Baker gehandeld had uit zelfverdediging en sprak haar vrij.

Maar de gebeurtenissen bleven haar achtervolgen. Dat werd nog verergerd door de populariteit van de song, die ondertussen overal opdook . Zeker omdat sommige versies vermelden dat ze drie keer had geschoten of dat ze ter dood veroordeeld was. Frankie verhuisde dikwijls maar vond nergens rust.

Toen het verhaal dan ook nog eens werd verfilmd was voor haar de maat vol. In 1939 diende ze klacht in tegen Republic Pictures. Miss Baker eiste een schadevergoeding van $200,000 wegens laster en schending van privacy door de film.
De advocaat van de filmmaatschappij beweerde echter dat de song een bewerking was van een oude folk-ballad uit 1831. In Toe River, North Carolina, heeft toen ene Frankie Silver haar man vermoord met een bijl. Die stelling kon niet worden bewezen.
Na drie jaar werd de zaak onontvankelijk verklaard.

Het werd Frankie allemaal teveel en ze belande uiteindelijk in een instelling voor zwakzinnigen in Pendleton, Oregon. Daar overleed ze in 1952 op 75 jarige leeftijd.


Nog verder terug

Toch zijn er aanwijzingen dat de song inderdaad een langere geschiedenis heeft.

Zo is er het verslag van George St. Johns, uitgever van de St. Louis Post-Dispatch. Hij vertelt over het bezoek van de populaire Poolse pianist Ignace Paderewski aan zijn stad. Op zoek naar plaatsen waar authentieke muziek te horen was, leidde  St. Johns hem rond in de uitgangsbuurt van de stad.
In The Castle, het bordeel van de flamboyante Babe Connor woonden ze het optreden bij van ene Mammy Lou, een  "gnarled, black African".
De bejaarde zangeres zong allerhande aangebrande liedjes. Ze bracht er onder andere 'Ta-Ra-Ra-Boom-Der-E' en ... 'Frankie and Johnny'. "Iedereen kreeg kippenvel toen ze het refrein bracht," meldt St. Johns nog.

Paderewski's eerste Amerikaanse tournee vond plaats in 1891 terwijl The Castle werd afgebroken in 1998. Dus voor de fatale avond waarop Al Britt werd neergeschoten.

Een ander inwoner van de stad, Rusty David, meent dat de oorspronkelijke ballad was gebaseerd op een gelijkaardig incident in de rosse buurt van St. Louis, omstreeks 1865-70. Toen de Baker/Britt affaire dan plaats vond, zou het liedje zijn aangepast aan de nieuwe feiten.

De ragtime pianist Trebor Tichenor verklaarde: "Ik denk dat iedereen het erover eens is dat het gaat om een oude, geïmporteerde melodie - van Europeese afkomst. Maar dat die hier is aangepast en dat het een ballad werd... Volgens een legende uit St. Louis pikte een pianist, genaamd Dooley, in op een lokale moord. Dat was het verhaal van Frankie en Johnny in 1899 en dat hij zich daarop baseerde. Dat is natuurlijk maar wat er vertelt wordt. Maar het staat vast dat de oorsprong hier ligt."

Een lange weg

Vast staat dus enkel dat de song oorspronkelijk uit de zwarte gemeenschap kwam.

Voor publicaties, bestemd voor een blank publiek, werden de gebeurtenissen geadapteerd en gezuiverd weergegeven.

De regel 'He done me wrong' duikt voor het eerst op in 1904. Dat gebeurt in 'The Death of Bill Bailey', een nummer van ene Hughie Cannon. Hughie was een blanke komiek die met zwart geverfd gezicht zwarten imiteerde. De song is een vervolg op een eerder succesnummer van hem: 'Bill Bailey, Won't You Please Come Home'.

Vier jaar later publiceren een ander vaudeville team, Frank en Bert Leighton 'Bill You Done Me Wrong'. Hun nummer lijkt erg op dat van Hughie Cannon, maar ze gebruiken langere fragmenten van het origineel.

Nog eens vier jaar later volgt een her-publicatie van het nummer van de Leighton Brothers onder de titel 'Frankie and Johnnie', maar zowel de tekst als de muziek verschillen nog op vele punten van de tegenwoordig bekende versie.

De kenmerkende regel "Frankie and Johnnie were lovers" wordt voor het eerst genoteerd in 1925. Dorothy Scarborough publiceert dan 'Frankie and Albert' in On the Trail of Negro Folksongs.

In 1928 beleeft de Amerikaanse actrice Mae West haar doorbraak met het zelfgeschreven toneelstuk Diamond Lil. Het stuk, over een grofgebekte blonde stoot uit de jaren negentig van de vorige eeuw brengt haar tot Broadway. In het stuk zingt zij ook 'Frankie And Johnnie'


Mississippi John Hurt

De vroegste bekende opname dateert uit datzelfde jaar, 1928. Die is van de Delta Blues gitarist Mississippi John Hurt.

John Hurt werd omstreeks 1893 geboren in het dorpje Teoc in het hart van de Mississippi Delta.
Toen hij een jaar of negen was kocht zijn moeder een tweedehands gitaar. Omdat er niemand in de buurt woonde die  het hem kon leren, bedacht hij zijn eigen manier van spelen. Dat leverde hem een heel eigen geluid op. Door het ritme en melodie te combineren klinkt het alsof hij twee gitaren tegelijkertijd bespeelt.

Vanaf zijn twaalfde verdiende hij wat bij door op te treden op lokale feesten. Na de dood van zijn vader hielp hij zijn moeder in het onderhoud van de dertien kinderen.

Omstreeks 1923 vroeg Willie Narmour, een blanke square dance fiddler, hem als begeleider. Narmour was erg goed. Zijn 'Carroll County Blues' wordt nog steeds gespeeld. Enkele jaren later won hij dan ook een fiddlerwedstrijd. Daardoor mocht hij een opname maken voor het Okeh platenlabel.

Toen producer T.J. Rockwell hem daarbij vroeg of er nog meer talent in de buurt was, verwees die naar zijn maat. Rockwell kwam Hurt opzoeken, liet hem spelen en nodigde hem uit om naar Memphis te komen voor een eigen opnamesessie. Die vond plaats op 14 februari 1928. "Het was een grote hal," herinnerde Hurt zich meer dan dertig jaar later. "Alleen Mr. Rockwell was er, een geluidstechnicus en ikzelf. Ik zat op een stoel en ze duwden een microfoon tot tegen mijn mond. Ik mocht mij niet meer bewegen eens ze de beste positie hadden gevonden. Man, ik was nerveus! Achteraf had ik nog dagenlang een pijnlijke nek."
Uit het dozijn opnamen werden er twee gekozen die op een 78-toeren plaat werden uitgebracht: 'Nobody's Dirty Business' en 'Frankie'. Hurt kreeg $20 per song - wat goed betaald was voor iemand die normaal $3 verdiende voor een dag hard labeur.

Hurt keerde terug naar vrouw en kinderen in het dorpje Avalon. De plaat deed het goed en in november nodigde Rockwell Hurt uit voor nieuwe opnamen. Deze keer reisde de man helemaal naar New York, waar hij op 21 en 28 december genoeg materiaal omnam om een hele plaat te vullen.

Maar die plaat deed niks, het platenlabel ging over kop tijdens de depressie en Hurt keerde terug naar het boerenwerk.

Folkrevival

In 1948 richtten Moses Asch en Marian Distler in New York The Folkways Records & Service Co. op. Het was hun bedoeling om geluiden van over de gehele wereld op plaat uit te brengen. Naast kikkergebrul en gedichten in alle mogelijke talen bestond een groot deel van hun uitgaven uit oude muziekopnamen. Voor de reeks American Folk Music konden ze beroep doen op Harry Smith. Die had als hobby het verzamelen van oude 78-toren platen. Hiju had er duizenden. Niemand was daar immers nog in geïnteresseerd en hij kon ze meestal voor een habbekrats krijgen.

In 1952 bracht Folkways de Anthology of American Folk Music uit. Harry Smith had daarvoor de selectie gemaakt en de bijbehorende teksten geschreven. Op zes langspeelplaten verzamelde hij 84 Amerikaanse folk opnamen uit de periode 1927 tot 1932. Daartussen zaten ook twee opnamen van "Missisippi" John Hurt: 'Spike Driver Blues' en... 'Frankie'.

Deze indrukwekkende uitgave lag mee aan de oorsprong van een hernieuwde interesse voor folk en bluesmuziek.  Het hek was helemaal van de dam toen het Kingston Trio in 1958 een dikke hit scoorde met een remake van 'Tom Dooley'.
Een jaar later publiceerde een andere verzamelaar Samuel B. Charters The Country Blues.
Na het beëindigen van zijn studies was de jonge musicoloog, in 1951, verhuisd naar New Orleans, om er de Zuiderse cultuur van nabij de bestuderen. Vanaf 1954 maakte ging hij oude muzikanten opzoeken om hun werk vast te leggen.
Zijn boek zette vele andere aan om hetzelfde te doen.

Een van hen was een andere jonge musicoloog, Dick Spottswood. Hij was in de ban geraakt van de fingerpicking stijl van Hurt. Omdat in een van de nummers sprake was van "Avalon My Home Town" ging hij op oude kaarten zoeken naar het dorp. Korte tijd later moest een collega, Tom Hoskins, naar New Orleans. Op verzoek van Spottswood maakte hij een ommetje langs Avalon. Hurt bleek er nog steeds te wonen en zelfs nog te kunnen spelen. Hij was wel erg verbaasd dat iemand nog interesse had in iets van dertig jaar geleden. Met enige moeite kon Hoskins Hurt overhalen om af te reizen naar Washington, D.C., om er een nieuwe carrière te beginnen.

Hurt trad herhaaldelijk op tijdens concerten als Friends of Old Time Music en het Newport Folk Festival. Zo werd hij erg geliefd. Zijn onderkoelde wijze van gitaarspelen was van grote invloed op de blues en folk wereld.

Op 15 juli 1963 nam John Hurt in het Coolidge Auditorium van de Congressbibliotheek een aantal van zijn nummers uit de jaren twintig opnieuw op. Tussen de 39 songs zat ook een nieuwe versie van 'Frankie' - deze keer onder de titel 'Frankie And Albert'.

Jammer genoeg kon Hurt niet lang genieten van zijn succes. Hij overleed op 2 november 1966.


Tribute

In 1988 werd Mississippi John Hurt opgenomen in de Blues Hall of Fame.

En in juni 2003 bracht Vanguard Records Avalon Bleus - A Tribute To The Music Of Mississippi John Hurt. Onder supervisie van Hurt fan Peter Case brengen tal van bekende namen in de muziekwereld daarop hulde aan de meester. Daar zitten mensen bij als Beck, John Hiatt, Bruce Cockburn, Lucinda Williams, Steve & Justin Earle, Bill Morrissey en Taj Mahal. Het accent ligt daarbij meer op de spelvreugde dan op het bluesgevoel, zodat het een erg aangename plaat is geworden.
Het openingsnummer is Chris Smitten's vrolijke versie van 'Frankie & Albert'.


En waar haalde Bob Dylan de mosterd?

In 1992 bracht Bob Dylan het nummer ook al als opener van zijn akoestische roots-cd Good As I Been To You.
Hij moet zeker de oorspronkelijke versie van Mississippi John Hurt uit 1928 kennen van de Anthology of American Folk Music. Ongetwijfeld is hij ook vertrouwd met de versie die Hudie Leadbeater (alias Lead Belly) in 1934 zong. Dat gebeurde voor de microfoon van een andere verzamelaar van authentieke muziek, John Lomax in het Angola Prison in Louisiana.

Toch baseerde Bob Dylan zich voor zijn cover op de recentere versie van "Missisippi" John Hurt uit 1963.
Hij legt de nadruk veel meer op de muziek dan op de woorden.

Luisteren?

Versies door Johnny Hallyday, Taj Mahal, Bob Dylan, Brook Benton, The Ink Spots, Hank Snow, Sam Cooke en Big Bill Broozy kun je hier beluisteren:
http://michourock.centerblog.net/rub-reprise-Frankie-and-Johnny.html


En hier zijn er nog meer: Johnny Cash, Wilf Carter, Elvis Presley, Jimmie Rodgers (als 'Blue Yodel #9') en Mississippi John Hurt:
http://michourock.centerblog.net/rub-reprise-Frankie-and-Johnny-2.html

Jammer dat 'Hold Me Back' (Frankie & Johnny) van Michelle Shocked uit haar fantastische Arkansas Traveller er niet tussen staat.


Oh ja.

De Britse jaren tachtig band Frankie Goes To Hollywood heeft niets met dit verhaal te maken.

07-11-07

Bob Dylan: Greatest Hits, Vol. 2

Bob Dylan's Greatest Hits, Vol. 2

decoration

 

 

 

 

 

 

 

 



Begin jaren zeventig ondervindt Bob Dylan - meer dan ooit - dat zijn roem hem belet om een "gewoon leven " te lijden. Hij begint zich zijn verhuizing naar de New York wijk Greenwich Village, al snel serieus te berouwen. De plek waar hij tien jaar eerder als een schooier arriveerde en waar hij uitgroeide tot een boegbeeld van zijn generatie, is helemaal veranderd. Later kijkt hij op deze periode terug als "de rotste tijd van mijn leven".

Dat is voor een groot stuk te wijten aan zijn persoonlijke kwelgeest: Alan Jules Weberman, een fanaticus die zich Dylanoloog noemt en leider is van het "Dylan Bevrijdings Front". Weberman schaduwt 'D', doorzoekt zijn vuilniszakken en organiseert excursies naar zijn huis. Zo moet de "spreekbuis van een generatie", die "met countrygeneuzel de linkse revolutie heeft verraden", tot inkeer worden gebracht.

Voor types als Weberman is Dylan een gemakkelijke prooi. Niet alleen heeft hij met Nashville Skyline en zijn langdurige radiostilte vanuit Woodstock tienduizenden fans van zich vervreemd, ook zijn sympathie voor Israël, dat hij in de laatste jaren herhaaldelijk heeft bezocht, zet kwaad bloed. Weberman onthult dat Dylan de rechtse Joodse defensie Liga van de racistische rabbi Meir Kahane financieel steunt. En inderdaad, op zoek naar zijn joodse roots heeft Dylan contact gelegd met de liga.
Weberman is een hinderlijke gek, maar in het radicale klimaat van de vroege jaren zeventig wordt hij maar al te serieus genomen. Wanneer Weberman het gerucht begint te verspreiden dat 'D' heroïne spuit, voelt Dylan zich gedwongen contact met hem te zoeken. Tijdens een ontmoeting onder vier ogen, begin januari 1971, praat hij op Weberman in om hem van zijn ongelijk te overtuigen. Naar verluid toont hij hem zelfs zijn gave onderarmen.

Enkele dagen later wil Weberman een artikel publiceren in de East Village Other over het gesprek dat hij heeft gehad met Dylan. Die belt hem op om hem te zeggen dat hij geen toestemming geeft om dat te doen. Maar Weberman neemt het gesprek op en laat dat publiseren in Rolling Stone en zelfs op LP uitbrengen op Folkways.


* * *

Vanaf 16 maart 1971 werkt Bob Dylan drie dagen in Blue Rock, een kleine studio in Greenwich Village. Volgens Clinton Heylin was Leon Russell de producer bij deze sessies. Leon had een jaar eerder grote successen behaald met de tournee Mad Dogs and Englishmen, met Joe Cocker. Record Collector meent dan weer te weten dat George Harrison de sessies leidde.
Er is geen papierwerk opgedoken van deze sessies. Vast staat dat naast Leon op piano ook de gitaristen Jesse Ed Davis en Don Preston aanwezig waren. Voor de ritmesectie werd beroep gedaan op Carl Radle en Jim Keltner. Claudia Linnear & Kathy McDonald verzorgden de achtergrond zang.

Hoewel Leon Russell de sessies omschreef als erg dynamisch en positief, was het  enige tastbare resultaat van drie dagen werk slechts twee nummers 'When I Paint My Masterpiece' en 'Watching The River Flow'. Beiden belichten openhartig hetzelfde thema: een gebrek aan inspiratie.

'Watching The River Flow' werd in juni 1971 op single uitgebracht. Voor de b-kant werd de solo versie van 'Spanish Is The Loving Tongue' gekozen, die werd opgenomen tijdens de New Morning sessies. Hoewel beide kanten van het 45 toerenplaatje uitstekend zijn, sloeg het niet aan en werd de Top 40 niet gehaald.

'When I Paint My Masterpiece' werd doorgegeven aan The Band, die hun versie uitbrachten op Cahoots.

De bewering van Heylin dat er ook werd gewerkt aan 'Spanish Harlem', 'That Lucky Ol' Sun', 'Alabama Bound', 'Blood Red River' en 'Rock Of Ages' zijn nooit hardgemaakt.

* * *

Die lente verhuist Dylan naar een huurhuis in East Hampton, Long Island. New Hampton was een toevluchtsoord geworden voor kunstenaars, schrijvers en rijke families.
Het huis dat Dylan huurt is van Henry Ford geweest. Het is een koloniaal huis met luiken in plantagestijl, gelegen in een rustige straat met majestueuze oude iepen.  Het zicht op het gebouw wordt door hoge heggen onttrokken aan de straat. Een voordeel is ook de grote achtertuin - ideaal voor de kinderen. Inbegrepen is ook een sleutel die toegang geeft tot een omheind duin dat leidt naar een ongerepte Atlantisch zandstrand.
Dylan begint er landschappen te schilderen en kan er veel uitstapjes maken met zijn kinderen.

* * *

Volgens hardnekkige geruchten zou er half mei 1971 een opnamesessie hebben plaatsgevonden met Elvis Presley en Bob Dylan in de RCA Studios in Nashville. Er circuleert zelfs een lijst met 17 titels. Het is echter erg onwaarschijnlijk dat de sessie ooit heeft plaatsgevonden.

Temeer daar Dylan en Sara omstreeks die tijd weer met vakantie zijn in Israël. Het is bedoeld als een soort tweede huwelijksreis, want de kinderen zijn thuis gebleven. Sinds de dood van zijn vader is hij geïnteresseerd geraakt in de Joodse godsdienst. Op 24 mei viert hij zijn dertigste verjaardag in Jerusalem. Samen met Sara wordt hij er gefotografeerd aan de Klaagmuur.
Onmiddellijk na publicatie van de foto wordt het koppel belaagd door de pers.
Later verteld hij daar over: "Dat bezoek had niet veel belang. Maar ik ben wel geïnteresseerd in wat en wie een Jood is. Het interesseert mij dat Joden Semieten zijn, net als Babyloniërs, Hittieten, Arabieren, Syriërs, Ethiopiërs. Maar een Jood is anders, omdat vele mensen Joden haten."

Enkele dagen later bezoeken Bob en Sara de kibbutz Givat Haim, om de mogelijkheden te bekijken om er zich te vestigen. Het plan strandt op de weigering van de bewuste kibboets om tegemoet te komen aan Dylans hoge eisen op het gebied van huisvesting en privacy.

* * *

Op 17 juli 1970 komen Bob Dylan en zijn vroegere manager Albert Grossman eindelijk tot een overeenkomst om hun samenwerking officieel te verbreken. Grossman behoudt zijn rechten op de nummers geschreven in de periode dat hij het management deed voor de zanger. Hij behoudt ook zijn rechten van zijn muziekuitgeverij Witmark, de gemeenschappelijk opgezette muziekuitgevrij Dwarf Music en  de samenwerkingsovereenkomsten Big Sky. Dylan krijgt de controle en de administratie in handen van zowel de gemeenschappelijke als de samenwerkingsovereenkomsten.

* * *

In juli 1971 hebben George Harrison en Ravi Shankar hebben hun vrienden opgetrommeld voor een groots benefiet. Met de opbrengsten willen ze de noodleidende bevolking van Bangla Desh helpen. Die hebben bovenop een burgeroorlog ook nog een zware overstroming, gevolgd door massale hongersnood te verwerken gekregen. 

George heeft de andere Beatles gevraagd, plus Bob Dylan en Eric Clapton. Die laatste heeft zich sinds enkele jaren terug getrokken in zijn eigen drugswereldje. Paul McCartney heeft laten weten dat hij het te vroeg vindt voor een reünie. Bovendien staat zijn vrouw op het punt te bevallen. John zegt toe, op voorwaarde dat Yoko mee mag doen. Wanneer George daar zijn veto over stelt, leidt dat tot een serieuze echtelijke ruzie waarbij John alleen naar Engeland vlucht.

Bob Dylan heeft na lang aandringen van George toegezegd. Maar wanneer hij dan een grote hoeveelheid apparatuur ziet klaarstaan, probeert hij er met een smoes van af te komen. Bassist en vriend van The Beatles Klaus Voormann: "Het bleef onzeker of Dylan zou spelen. Het maakte in feite niet uit. Natuurlijk was het fantastisch als hij speelde, maar het concert zou even goed verbazingwekkend zijn als hij niet kwam. Ik heb geen idée hoe het met hem gesteld was toen, maar ik weet dat hij van George houdt en dat George hem aanbad."
Als reserve heeft George een set van Apple protégés Badfinger voorzien. Gitarist Joey Molland: "Tegen zaterdag hadden we de show op poten staan en gingen naar Madison Square Garden voor de laatste repetitie. We waren net klaar om terug naar het hotel te vertrekken toen Dylan het podium op wandelde. Hij begint gewoon te spelen - het was een soort privé concert. We zaten allemaal in de hal en het was moeilijk te geloven dat het echt gebeurde. Niemand had Dylan verwacht en ook Eric Clapton kwam pas die dag af."

Op zondag 1 augustus 1971 vinden dan de twee benefietconcerten plaats in Madison Square Garden, New York. De legendarische producer Phil Spector maakt 16-sporen opnamen van de concerten, met 44 microfoons. Sol Swimmer filmt alles.

Na een set van Ravi Shankar, (die overigens al een warm applaus krijgen voor het stemmen van de instrumenten) speelt George een paar solo-nummers. Dan komen Billy Preston en Ringo Starr elk hun recente hitsingles brengen. George keert terug om de band te introduceren en nog enkele Beatlessongs te zingen, onderbroken door een medley van Leon Russell.
Pas wanneer hij Bob aanstalten ziet maken om het podium op te stappen durft George het aan hem aan te kondigen: "Here's another friend of us all: Mr. Bob Dylan." Het gejuich is overdonderend.

Bob Dylan laat dan ook vele harten sneller kloppen met het onverwachte optreden. Gekleed in een vaalblauw spijkerpak zingt hij onder meer het inmiddels klassieke 'A Hard Rain's A-Gonna Fall' en 'Blowin' In The Wind'. Hij begeleidt zichzelf op gitaar en harmonica en zingt met zijn oude, rauwe jaren-zestigstem. Van de gereserveerde countryheer op Nashville Skyline is geen spoor meer te bekennen.
Daarna komt George Harrison erbij met een akoestische gitaar, plus Leon Russell op bas en Ringo met een tamboerijn.
Dylan brengt eerst nog 'It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry' en dan, 'Love Minus Zero/No Limit' en 'Just Like A Woman'.
Daarna sluit George de show af met nog twee nummers.
Dit is voor het eerst in acht jaar dat Dylan 'Blowin' In The Wind' gezongen heeft. Volgens Phil Spector was dat op speciaal verzoek van George Harrison. "Denk je dat je 'Blowin' In The Wind' kunt zingen? Het publiek zou er gek van worden. Bob keek hem aan: 'Ben je geïnteresseerd in 'Blowin' In The Wind'? Ga jij 'I Wanna Hold You Hand' zingen?"

Voor de avondshow vervangt Dylan 'Love Minus Zero/No Limit' door 'It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry'. Voor de rest blijft de setlist identiek voor beide concerten.
Na afloop is er een feestje bij Ugano's. George en Bily Preston treden er op en  Phil Spector brengt er een unieke versie van 'Da Do Ron Ron' met Keith Moon op drums.

* * *


Met hun sterartiest terug in de belangstelling en geen nieuw plaatwerk van hem in het verschiet wil CBS Records een tweede verzamelaar uitbrengen van Bob Dylan. Clive Davis stelt voor er een dubbellaar van te maken. Dylan gaat akkoord, op voorwaarde dat een hele kant wordt besteed aan uitgegeven materiaal.

Hij levert een selectie in van tracks uit de Basement Tapes, maar Davis vindt de productie van dat materiaal ondermaats.

Daarom trekt Bob op 24 september 1971 weer de studio in, om een paar Basement Tapes songs opnieuw op te nemen. Voor de gelgenheid heeft hij zijn buurman Happy Traum uitgenodigd.
Happy, die eigenlijk gewoon Harry heet, was een banjospeler en gitarist die het vak in de  jaren vijfig had geleerd van bluesmuzikant Brownie McGee. Met zijn groep The New World Stingers, was hij een van de eersten die nummers van de jonge Dylan hadden gecoverd. Dylan speelde dan weer mee (onder de naam op Blind Boy Grunt)op zijn allereerste LP, Broadside, Vol.1, opgenomen voor Folkways Records.

"Hij wist dat [Columbia] nummers had uitgekozen voor een dubbele verzamel-LP," vertelt Happy Traum. "Hij was niet akkoord met de keuze. Hij had het gevoel dat hij een aantal nummers die hij had geschreven en die door anderen waren gedaan, dat hij die zelf moest doen en die dan op de plaat zetten.
Dus deden we dat op een namiddag. Gewoon wij tweeën en een technicus. Het was heel eenvoudig: we namen vijf nummers op. Daar koos hij er drie van en die werden ter plaatse gemixt. Allemaal op één namiddag. Ik wist dikwijls niet eens of het de laatste take was en dan zei hij: 'OK, kom we gaan het mixen'."

De drie die worden geselecteerd zijn: 'You Ain't Goin' Nowhere', 'Crash On The Levee (Down In The Flood)' en 'I Shall Be Released'.

Overigens heft Dylan de tekst van 'You Ain't Going Nowhere" wat aangepast om een sneer te kunnen geven aan het adres van Roger McGuinn. Hij adviseert hem "pick up your tent, you ain't going nowhere". Dat is een reactie op McGuinn's eigen tekstwijziging. Die had bij de versie van The Byrds, uitgebracht op Sweetheart of the Rodeo, gezongen "Pack up your money/ Pick up your tent" in plaats van "Pick up your money/ Pack up your tent" zoals Dylan origineel zong.

Eeen vierde nummer is een nieuwe versie van 'Only A Hobo' uit 1963. Dit nummer wordt in 1991 geselecteerd voor The Bootleg Series Volumes 1-3 (Rare & Unreleased) 1961-1991, maar blijft uiteindelijk onuitgebracht.
Welk het eventuele vijfde nummer was, is niet gekend.

* * *

Amper twee weken later staat Bob Dylan opnieuw in de studio. Hij heeft in de krant een artikel gelezen over de dood van een jonge zwarte activist.
George Jackson is op 21 augustus door een bewaker neergeschoten tijdens een opstand in de San Quentin-gevangenis in Californië. Jackson zou drie dagen later  opnieuw voor de rechter moeten verschijnen. Hij zat een gevangenisstraf van achttien jaar uit, omdat hij bij een roofoverval op een benzinestation $71 had buitgemaakt. In de gevangenis was hij lid geworden van de Black Panther-beweging van Malcolm X. Tijdens zijn gevangenschap had hij twee boeken geschreven: Blood In My Eye en Soledad Brother.

Het gebeuren heeft Dylan zo aangegrepen dat hij op 4 november nog eens een heuse protestsong op wil opnemen. Of misschien is het gewoon zijn bedoeling om Weberman de wind uit de zeilen te nemen. 

Hij neemt twee versies op van 'George Jackson': één solo en één met een band. Ook 'Wallflower' komt uit deze sessie.
Met steel gitarist Ben Keith , drummer Kenneth Buttrey en Leon Russell op bas wordt eerst 'Wallflower' op band gezet. Dit nummer blijft in de kast tot het in 1991 wordt bovengehaald voor The Bootleg Series, 1961-1991.
Daarna wordt een lange 'big band' versie opgenomen van 'George Jackson'.

Na afloop zet Bob solo ook nog een kortere, akoestische versie van de protestsong op band.

Beide versies worden samen op 12 november 1971, amper een week na de opname uitgebracht. De single komt op 4 december '71 de Billboard Hot 100 binnen, maar komt niet hoger dan 33.

Vijf dagen later ligt Bob Dylan's Greatest Hits, Volume 2 in de winkels. Op deze dubbel-lp staan naast een pak oudere nummers dus ook een vijftal recente opname, plus een schitterende live-versie van 'Tomorrow Is A Long time' - opgenomen op 12 april 1963 en geselecteerd voor de onuitgebracht live LP.

De foto op de voorzijde van de hoes was getrokken door Barry Feinstein tijdens het Bangla Desh concert. Het is een opzettelijke imitatie van de foto die Rowland Scherman in 1965 maakte voor Greatest Hits Vol. 1.

 

decoration


De verzamelaar komt op 11 december '71 de Billboard-albumlijst binnen en bereikt, als hoogste notering, een veertiende plaats.
In Europa heet de plaat overigens More Bob Dylan's Greatest Hits.
Het is een van Dylans best verkochte platen.


Pas in juli 1972 verschijnt een single met twee nummers uit de Greatest Hits collectie: 'When I Paint My Masterpiece'/'I Shall Be Released'.

De akoestische versie van 'George Jackson' is later ook nog eens uitgebracht op de Australische verzamelaar Masterpieces, maar de 'big band' versie is zeer moeilijk te vinden.

* * *

De driedubbele boxset The Concert For Bangla Desh wordt met heel veel vertraging pas op 20 december 1971 uitgebracht. In Amerika wou Capitol wou de LP niet distribueren indien ze er geen winst aan hadden. Dat was genoeg om zelfs de vredelievende George Harrison woest te krijgen. Iedereen had immers gratis gespeeld en de platenmaatschappij van The Beatles, Apple Corps, had de kosten voor het boekje op zich genomen. En EMI had geen enkel bezwaar gemaakt tegen de Europeese ditributie. Pas wanneer George ermee dreigde naar CBS te stappen, bond Capitol in en gaf $ 3,7 miljoen als vooruitbetaling.

De verdeling van de cassettes en 8-tracks werd toevertrouwd aan Columbia Records, in ruil voor hun toestemming voor het gebruik van Dylans bijdrage, die een hele plaatkant besloeg. Uiteindelijk ontving enkel Columbia $ 0,25 per verkochte LP. Dylan zelf zag daarvan nooit een cent.

Het geheel brengt uiteindelijk iets meer dan $ 15 miljoen op, al zou het door allerhande administratieve beslommeringen jaren duren eer het geld terecht kwam bij de noodlijdende bevolking van Bangla Desh.

 

decoration

22-10-07

Bob Dylan: New Morning

New Morning

decoration


Einde april 1970 gaat George Harrison nog eens op bezoek bij zijn vriend Bob Dylan in diens appartement in Greenwich Village. De Beatle heeft Apple woordvoerder Derek Taylor meegebracht. 

Bij het genot van een paar glazen rode wijn, speelt Dylan wat oude en nieuwe nummers voor op de piano. Na een tijdje grijpt George een rondslingerende gitaar en wordt er wat gejamd. Bob zet de bandopnemer aan.
Via acetates gemaakt voor Columbia komen opnamen van 'When Everybody Comes To Town' en 'I'd Have You Anytime'in de jaren zeventig in handen van bootleggers.

Na afloop nodigt Bob George en Derek uit om de volgende dag samen de studio in te duiken.

Op 1 mei wordt er om 14:30 verzameld in de Columbia Studio B, in New York. De beide legendarische figuren worden begeleid door bassist Charlie Daniels en drummer Russ Kunkel. Bob Johnston springt geregeld bij aan de piano.

Eerst wordt er uitgebreid gerepeteerd. "Dylan was erg ontspannen tijdens die sessie," vertelt Charlie Daniels. "Hij was goed gezind die dag en zong nummer na nummer, zo goed als alles wat we vroegen." Er wordt begonnen met enkele van Dylans oudste eigen nummers: 'Song To Woody', 'Mama You Been On My Mind' en een instrumentale versie van 'Don't Think Twice'.
Na enkele regels 'Yesterday' is 'Just Like Tom Thumb's Blues' aan de beurt. De alles-kan, niks moet sfeer is duidelijk wanneer 'Da Doo Ron Ron' wordt aangepakt. Of 'Ghost Riders In The Sky', 'Cupid' van Sam Cooke en 'All I Have To Do Is Dream' van The Everly Brothers. Natuurlijk kent Dylan de teksten niet helemaal van buiten, maar dat mag de pret niet drukken.

'Gates Of Eden' komt voorbij, 'I Threw It All Away' en 'I Don't Believe You', maar dan is het weer tijd voor wat Carl Perkins klassiekers met 'Matchbox' en 'Your True Love'. Dat brengt hen bij de blues: eerst 'Las Vegas Blues' en dan 'Fishing Blues' van Henry Thomas.

'Honey Just Allow Me One More Chance' vraagt Dylan voor hij afsluit met het vrolijke 'Rainy Day Women #12 & 35'.

"Ik zal die dag nooit vergeten," vertelt Charlie Daniels, "Het waren niet alleen Bob Dylan en George Harrison. Het waren vier kerels in een studio die muziek maakten. Alles klikte. Hij kon zingen... Het was fijn. Een fijne dag, uur na uur."
Ook producer Bob Johnston is heel tevreden: "Het was heel fijn... George zong niet ...hij speelde alleen gitaar, maar op een paar nummers hoor je hem meezingen ..."

Op de bootlegs Almost Went To See Elvis en Possum Belly Overalls zijn meer dan een uur van deze opnamen te horen.

Na het avondeten wordt het wat serieuzer. Dylan besluit van de aanwezigheid van de uitstekende muzikanten gebruik te maken om enkele nieuwe nummers uit te proberen voor zijn volgende plaat. Dat zijn: 'Sign On The Window', 'If Not For You', 'Time Passes Slowly', 'Working On A Guru' en 'Went To See The Gypsy'.

Officieel wordt de sessie om half twee 's nachts afgesloten, maar er wordt nog tot 10 uur in de ochtend doorgewerkt aan overdubs.

Omdat George geen werkverguning heeft voor de Verenigde Staten kunnen de nummers met zijn bijdrage niet officieel worden uitgebracht op New Morning. Deze versie van 'If Not For You' verschijnt dan ook pas in 1991 op The Bootleg Series, Vol. 1 -3. De andere nummers blijven op de plank.


* * *

Na een onderbreking van een maand wordt op 1 juni de draad terug opgenomen voor vijf verdere sessies voor New Morning. Omdat Dylan slechts een handvol nieuwe nummers klaar heeft, wordt het grootste deel van de sessies opnieuw besteed aan het opnemen van covers. Hij wil blijkbaar het idee van een coversplaat niet opgeven. Voor de begeliding zorgen de gitaristen David Bromberg en Ron Cornelius, plus Al Kooper op orgel, Charlie E Daniels op bas en Russ Kunkel op drums.

De ervaren sessiegitarist Ron Cornelius over de opnamen: "Je hebt geen bladmuziek. In Nashville worden de muzikanten geboekt omdat ze ter plekke kunnen bedenken, niet om te spelen wat er op papier staat. Iedereen creëert zijn bijdrage terwijl de banden draaien. Van iedereen waarmee ik heb gewerkt, ken ik niemand die sympathieker is dan Bob Dylan. Hij behandelde me uitstekend, maar tegelijkertijd besef je door dag na dag met hem om te gaan, dat deze man elke morgen in een andere wereld wakker. Op creatief gebied is dat een goede zaak en door te proberen te raden of door hem te vragen wat hij met die teksten bedoeld tast je in het duister, want hij zal het je toch niet gaan vertellen. Het zou goed kunnen zijn dat hij de waarheid spreekt als hij zegt 'Ik weet het niet, want betekent het voor jou?'"

Behalve 'Ballad Of Ira Hayes' van zijn oude compaan Peter LaFarge dat er in één keer op staat, wordt van elke cover wel een take of vijf-zes opgenomen. Dat zijn de traditionals 'Mary Anne' en 'Sarah Jane', 'Lonesome Me' en 'Alligator Man'.

De volgende dag vinden er nog twee zo'n sessies plaats: een in de namiddag en een in de vooravond.
Zes takes van ' Mr. Bojangles' van Jerry Jeff Walker, opnieuw acht van de traditional 'Mary Anne' en veertien van 'Time Passes Slowly'. Een solo piano versie van 'Spanish Is My Loving Tongue' en een remake van 'If Not For You' staan er in telkens één à twee takes op. Volgens Russ Kunkel waren de eigen nummers bijzaak en werd er vooral aandacht besteedt aan de covers.


'Time Passes Slowly' is een eigen compositie. Het is een van de drie nummers die hij in oktober 1969 heeft geschreven voor het toneelstuk de dichter Archibald MacLeish. De anderen zijn: 'New Morning' en 'Father Of Night' (een bewerking van het Joodse gebed Amidah). Hij heeft er demo's van opgenomen in de Brill Building in New York en ze aan Stewart Ostrow, de producent van het toneelstuk, gegeven. Maar nadat MacLeish de acetates heeft beluisterd liet hij Dylan weten dat ze niet donker genoeg waren. Blijkbaar heeft Dylan beslist ze dan maar zelf te gebruiken.

Op 3 juni zijn er weer twee sessies. Opnieuw met maximaal drie takes per nummer. 'Kingston Town' en 'Lily Of The West' zijn oude songs waarop geen copyright meer rust. 'Long Black Vail' is een gekende country ballade en 'Can't Help Falling In Love With You' van George Weiss is vooral bekend in de versie van Elvis Presley. Het enige eigen nummer is 'One More Weekend'

Tijdens de beide sessies op 4 juni worden de twee andere nummers voor de musical ook op band gezet. De meeste aandacht gaat echter naar een cover van 'Big Yellow Taxi', een nummer van de jonge Canadees zangeres Joni Mitchell. Lead Belly's 'Bring Me A Little Water, Sylvie' en een remake van zijn eigen 'Tomorrow Is A Long Time' (uit 1962) staan er in twee takes op.

Tijdens de laatste opnamedag worden acht takes besteed aan 'What It's All About' (een werktitel voor 'Sign On The Window') en 'Father Of Night' krijgt er zelfs elf.
"Dylan had een zware verkoudheid die week'" vertelt Ron Cornelius."je hoort het goed op 'Sign On The Window'. Dat stukje over 'Brighton girls are like the moon,' waar zijn stem het begeeft. Maar het past bij het nummer."

De rest van de nummers krijgt maximaal vier takes. Dat zijn het merkwaardige 'If Dogs Run Free', een nieuwe poging om 'Went To See The Gypsy' op te nemen, 'Winterlude', een cover van het Sun nummer 'I Forgot To Remember To Forget', 'The Man In Me' en nog eens 'Lily Of The West'.

Bij 'Went To See The Gypsy' speelt Dylan elektrische piano. "Zijn pianospel is vreemd," herneemt Cornelius. "Hij begint met zijn handen aan de uiteinden van het toetsenbord en beweegt dan zo naar het midden toe - iedere keer opnieuw! Te gek, gewoon."

Nog vreemder is het 'If Dogs Run Free', een uniek nummer in Dylan's oeuvre, waarbij Maeretha Stewart scatvocals brengt terwijl Al Kooper jazz speelt op de piano.

De nieuwe nummers zijn het gevolg van zijn beslissing om de nummers van de musical voor zichzelf te houden. Door deze nummers te spelen kreeg hij blijkbaar weer zin om te schrijven.

* * *

Vier dagen na de laatste opname aanvaardt Dylan een eredoctoraat in muziek aan de universiteit van Princeton. David Crosby is er bij aanwezig.
"Ik meen dat we bij John Hammond thuis waren. Sara wou dat hij naar de universiteit van Princeton ging, waar hij dat eredoctoraat zou krijgen. Bob had geen zin. Ik zei, 'Kom aan , Bob, het is een hele eer!' Sara en ik bewerkten hem een hele tijd. Uiteindelijk ging hij akkoord.
Mijn auto stond buiten - een grote limousine. Dat stond hem natuurlijk weer niet aan. We rookten wat onderweg en ik merkte dat Dylan behoorlijk paranoïde werd. Toen we in Princeton aankwamen, brachten ze ons naar een kamertje waar ze Bob vroegen om een cape aan te trekken en zo'n hoedje op te zetten. Hij weigerde gewoonweg, maar ze zeiden dat hij zijn onderscheiding niet kreeg als hij dat niet droeg. Dylan antwoordde: 'Prima. Ik moest het zo al niet hebben.' Uiteindelijk overtuigden we hem dat toch aan te trekken."
Tot zijn grote woede wordt hij er aangekondigd als "de authentieke spreekstem van het verstoorde en verontruste geweten van een Jong Amerika."  - een titel die hij absoluut van zich wil afschudden.

* * *

Aan het einde van de maand wordt een hele dag besteed aan het proberen om een nieuwe versie op te nemen van 'Blowin' In Th Wind'. Waarom?

Ondertussen wordt er getracht een plaat samen te stellen uit de opgenomen nummers. Het is niet echt dringend, want Selfportrait licht zelfs nog niet in de winkels.

Een vroege versie van New Morning ziet er zo uit:
 
Kant 1:
Ballad Of Ira Hayes
Mr. Bojangles
One More Weekend 
Tomorrow Is A Long Time 
New Morning

Kant 2:
If Dogs Run Free
Sign On The Window
The Man In Me
Father Of Night

* * *

Dylan vindt het niet goed genoeg. Bob Johnston wordt aan de kant geschoven en Al Kooper stelt dan voor een aantal tracks te bewerken met overdubs.
In latere interviews beweert Kooper dat hij de leiding over de sessies had, maar Bob Johnston ontkent dat ten stelligste. "Wat een onzin! Ik was het die met Charlie Daniels aankwam en met George Harrison, die meespelen op die plaat. Als hij "onofficieel producer" was van die opnamen, dan was ik de onofficiële producer van de Rolling Stones, of Pink Floyd!"

In ieder geval wordt er in juli nogal wat tijd besteed aan mixen en hermixen van de opnamen.

Op 13 juli worden in de ochtend strijkers en orgel toegevoegd aan 'New Morning' en in de namiddag strijkers en blazers voor 'What's It All About'.

Tien dagen later vindt nog een experimentele overdub sessie plaats, waarbij opnieuw enkele nummers meer worden ingekleed. Charlie McCoy voegt bas toe en Norman K. Spicher, Lloyd Green en Charlie E. Daniels spleen gitaren en dobro.
De nummers zijn 'Went To See The Gypsy', 'Spanish Is The Loving Tongue', 'If Not For You' en 'Sign On The Window'.

Toch bestaat er een band met daarop "Al's Mix":

Kant 1:
The Man In Me  
Winterlude  
Mary Anne  
One More Weekend 

Kant 2: 
Mr. Bojangles 
Tomorrow's A Long Time
Three Angels
Ballad Of Ira Hayes
If Dogs Run Free.

Een duidelijk teken dat Kooper bezig was met het samenstellen van de plaat. Ook deze versie is een mengeling van covers en eigen werk.

Volgens Al Kooper, raakte hij het niet eens met Bob Dylan over de arrangementen. Die is dan ook niet tevreden. Kooper vertelt er later over: "Toen ik klaar was met die plaat, wou ik hem nooit meer zien. Het stond mij absoluut niet aan [hoe moeilijk het allemaal was]. Hij veranderde alle vijf minuten van gedachte. Ik moest daardoor het werk doen aan drie platen. ... We waren akkoord over één kant van de plaat en we maakten een master ervan en dan zei hij, 'Nee, nee, nee. Dat wil ik niet.' En dan, 'Nee, laat ons dit zo opnemen...' Er was een schitterende versie van 'Went to see The Gypsy'... Het was voor het eerst dat ik een arrangement kon uitwerken en dat hij dat dan kon inzingen. Het was zo goed.. en dan deed hij net alsof hij niet begreep wanneer hij moest zingen."

Een aantal van deze nummers in "Kooper's arrangementen" zijn einde jaren negentig opgedoken op The Genuine Bootleg Series. Dat is een alternatief carrièreoverzicht door bootleggers samengesteld met uitsluitend onuitgebrachte nummers en interessante live versies. Er zijn drie delen van telkens drie cd's.

* * *

In de zomer van 1970 brengen Bob en Sara een bezoek aan Israël. Wanneer ze terug zijn van hun vakantie heeft Dylan nog steeds niet kunnen kiezen tussen de twee versies van 'If Not For You' en 'Time Passes Slowly'. Dus besluit hij ze allebei opnieuw op te nemen. Dat gebeurt op 12 augustus.

Hij maakt van de gelegenheid gebruik om ook één nieuw nummer op band te zetten over zijn recente doctoraatstitel: 'Day Of the Locust'. Een verwijzing naar de krekels die tijdens de ceremonie tsjirpten.

Uiteindelijk heeft hij nu genoeg eigen nummers om een hele plaat met allemaal eigen nummers samen te stellen. Alle nieuwe opnamen worden aan het begin geplaatst.


* * *

Daardoor ligt er op 21 oktober 1970, amper vier maanden na Self Portrait alweer een nieuwe lp in de winkel. En opnieuw is er gekozen voor een suggestieve titel:  New Morning.
Er staan fraaie songs op - de titelsong en 'If Not For You' - en nogal wat jazzy probeersels. De plaat krijgt een redelijk warm onthaal van pers en publiek en wordt opgevat als een spijtbetuiging voor Self Portrait. Dylan ontkent dat echter: "Ik heb nooit gedacht, 'Och God, zij houden er niet van, laat ik maar snel een andere maken'. Zo is het niet gegaan. Het was gewoon toeval dat de ene uitkwam en dat ik aan de volgende zo snel al bezig was. Selfportait zat er gewoon al een jaar lang aan te komen. We waren aan New Morning aan het werken terwijl Selfportait werd samen gesteld."

De LP komt op 14 november 1970 de Billboard-albumlijst binnen. Hij haalt de zevende plaats in de US en gaf hem zijn zesde nummer 1 plaat in Engeland.

* * *

Dylan denkt er over om opnieuw op tournee te gaan, met een kleine groep van drie of vier mensen: Al Kooper, Harvey Brooks... "We praten wat over optreden, maar het kwam er niet echt van. We hebben zelfs wat gerepeteerd, in een studio in Houston Street, waar hij veel schilderde... We hebben een paar verschillende combinaties van muzikanten geprobeerd, maar het klikte niet."


Uiteindelijk besluit Dylan dat het nog niet het moment is, zeker omdat Sara opnieuw  verwachting is.

In maart 1971 brengt de platenmaatschappij 'If Not For You'/'New Morning' uit als single. Een cover van Olivia Newton-John doet het in Engeland opmerkelijk beter dan Dylans eigen versie. Haar single bereikt er de zevende plaats.

En George Harrison bracht een eigen versie van 'If Not For You' uit op zijn All Things Must Pass. Op dat driedubbel-album staat daarnaast ook een nummer dat hij samen met Bob Dylan heeft geschreven: 'I'd Have You Anytime'.

Een groot aantal van de covers, opgenomen tijdens deze sessies zullen in november 1973 worden uitgebracht op de LP Dylan. Maar daar komen we op terug bij het verhaal achter Planet Waves.

De prachtige solo versie van 'Spanish Is My Loving Tongue' van Charles Badger Clark wordt in 1971 op een single uitgebracht.

En mocht je je afvragen hoe het de musical van Archibald MacLeish vergaan is, zonder de muziek van Dylan. Die is op 6 mei 1971 in première gegaan, op Broadway in het St. James Theater onder de titel Scratch en, merkt Bob Dylan fijntjes op in zijn Kronieken "... sloot twee dagen later op 8 mei."
 

15-10-07

Bob Dylan: Selfportrait

SELFPORTRAIT


decoration

Amper twee maanden na zijn laatste sessie en goed twee weken nadat Nashville Skyline is uitgebracht staat Dylan op 24 april 1969 al terug in de Columbia Recording Studios in Nashville, Tennessee, om nog meer country nummers op te nemen. Omdat zijn muse hem in de steek heeft gelaten wil hij nummers van anderen opnemen. Clive Davis, de grote baas van zijn platenmaatschappij: “Bob had mijn gedacht gevraagd over het concept. Niet dat mijn mening hem van het gedacht zou afbrengen, maar ik wist dat hij moeite had met het schrijven van eigen materiaal… dus moedigde ik hem aan.”

 

Dezelfde groep studiomuzikanten van het A-team zijn weer opgetrommeld: pianist Bob Wilson, gitarist Charlie Daniels, steel gitarist Peter Drake en de ritmesectie bestaande uit bassist Charlie McCoy en drummer Kenneth Buttrey.

Bob Johnston is weer producer.

 

“Dylan kwam binnen en vroeg, ‘Wat denk je ervan om wat nummers van anderen op te nemen?’” vertelt Johnston. “Wanneer hij me vraagt, ‘Wat denk je?’ zeg ik altijd, ‘Maakt het iets uit wat ik denk?’ Ik dacht dat het een goed idee was om nummers van anderen te coveren, als dat was wat hij wou doen. Hij kwam naar de studio met oude boeken en bijbels en begon aan de opnamen.”

Ze beginnen met een eigen compositie: het speelse 'Living The Blues'. In een tweede sessie volgt een cover van 'Spanish Is The Loving Tongue' van Charles Badger Clark. Dat nummer werd eerder ook al eens opgenomen tijdens de Basement Tapes opgenomen. Voor deze sessie komt Fred F. Carter Jr. als extra gitarist meedoen.

 

Twee dagen later nemen ze nog meer covers op, tijdens weer twee sessies van 18 tot 21 en van 22 tot 1 uur 's nachts: 'Take Me As I Am' van Boudleaux Bryant, 'A Fool Such As I' van Bill Trader, 'I Forgot More Than You'll Ever Know' van Cecil A. Null en zelfs 'Let It Be Me' van Gilbert Becaud.

 

Maar waar Dylan altijd erg goed nummers van anderen naar zijn hand wist te zetten, scheen dat deze keer niet te lukken. Dat is nog het best te merken aan de versies van de twee nummers die hij eerder ook al met The Band had opgenomen in Big Pink, tijdens de Basement Tapes sessies. Zowel de interpretatie van 'Spanish Is The Loving Tongue' als die van 'A Fool Such As I' lijken slechts karikaturen van wat hij toen uit deze nummers haalde.

 

* * *

 

Ter promotie van Nashville Skyline doet Dylan op aan de opnamen van de Johnny Cash Show. De opname vindt op 1 mei plaats in het Ryman Auditorium in Nashville. De plaats van de beroemde Grand Ole Opry concerten.

Johnny Cash: “Ik denk dat Bob Dylan schrik had of zelfs wat beschaamd was. Hij is erg verlegen. Ik begrijp dat. Toen we gingen repeteren hadden ze een oude schuur achter hem opgehangen, aan kabels, om het er wat landelijk te laten uitzien. Hij was er helemaal van ondersteboven. ‘Ze gaan me uitlachen! Mijn fans lachen me in het gezicht uit met zo’n ding!’

 

Ik vroeg hem, ‘Wat zou je willen?’ Hij antwoordde: ‘Laat ze dat ding weghalen. Laat me gewoon mijn ding doen.’ Geen probleem, zei ik, dat komt in orde.“

Dylan zingt er eerst twee nummers solo. Eerst zijn recente single, 'I Threw It All Away' en daarna 'Living The Blues' – gepland als de volgende single. Hij sluit af met 'Girl Of The North Country' als een duet met zijn gastheer. Ze worden begeleid door dezelfde groep muzikanten als tijdens de studio opnamen. Het programma wordt uitgezonden op 7 juni door ABC-TV.

 

Na de opnamen gaan ze terug naar het huis van Cash. Volgens de Man in Black waren de bekende bluegrass banjospeler Earl Scruggs, Bob Johnston en country songwriter Boudleaux Bryant uitgenodigd. Volgens Dylan waren ook nog Harlan Howard, Mickey Newberry en Joe en Janette Carter er bij.

 

Maar Graham Nash herinnert zich ook een etentje bij Cash, waar hij aanwezig was samen met zijn toenmalige vriendin Joni Mitchell, Kris Kristofferson en Eddy Arnold. Waarschijnlijk was dat hetzelfde diner.

 

In ieder geval, na het diner wordt een akoestische gitaar bovengehaald, waar ieder om een beurt een nummer op speelt. Nash meent dat Dylan vier of vijf nummers bracht en hij vertelt dat bij Sara de tranen over de wangen liepen van de emoties.

Cash herinnert zich dat Dylan koos voor het oude ‘These Working Hands’.

 

Op 3 mei vindt een laatste sessies plaats met coveropnamen. Nog een nummer van de Bryants, 'Take A Message To Mary' en de klassieker 'Blue Moon' plus nog twee nummers slappe versies van Johnny Cash songs ('Ring Of Fire' en 'Folsom Prison Blues') worden op band worden gezet.

 

In totaal heeft hij nu elf nummers opgenomen, genoeg voor een tweede (opnieuw erg korte) country LP. Het zijn praktisch allemaal nummers die hij kent uit zijn jeugd: The Everly Brothers, Johnny Cash en Elvis.

 

Maar de platenmaatschappij is niet tevreden over de banden die Johnston hen laat horen. De plaat gaat de kast in en zelfs 'Living The Blues' wordt niet als volgende single uitgebracht, zoals gepland. In plaats daarvan wordt gekozen voor 'Lay Lady Lay' - zeer tegen de zin van de zanger in. Nochtans scheert de single die zomer overal hoge toppen.

 

* * *

 

Dylan heeft niet veel zin om nog een zomer door te brengen in Woodstock. Niet alleen raakt de watervoorraad er op wanneer het lang droog blijft. Erger zijn de vele toeristen die er speciaal naar toe trekken om hem te komen opzoeken. Ze betekenen een voortdurend overlast voor hem en zijn buren. Ze dringen zelfs zijn huis binnen.

Dylan heeft dan ook veel van zijn vrije tijd in Nashville doorgebracht met het kijken naar huizen.

 

Waneer hij daar niet meteen iets geschikt vindt, besluit hij onder te duiken op Fire Island. voor de kust van Long Island. Hij huurt er een huis in Bay Berry Dunes. Uit de eerste twee strofen van ‘Sara’ op Desire blijkt dat de familie er idyllische tijden beleeft.

Wanneer ze geen wandelingen maken langs het strand of picknicken in de duinen, gaat Bob wat jammen met een vriend, David Amram. Na een tijdje komen ook andere mensen langs. Ieder die zin heeft mag meespelen. Op een dag komen er twee jonge kerels langs, maar na een kwartiertje leggen ze hun instrumenten neer en lopen het water in. Achteraf blijkt dat ze dachten dat ze aan het hallucineren waren en dat wat afkoeling hun goed zou doen. Ze konden toch niet echt met Bob Dylan aan het spelen zijn!

 

* * *

 

Op 13 augustus stappen Bob en Sara aan boord van het luxeschip de Queen Elisabeth II om de oceaan over te steken. Ze nemen hun twee oudste kinderen, Maria en Jesse mee. Bob gaat in Engeland optreden tijdens een festivalletje op het eiland Wight.

 

De organisatoren, twee broers Ray en Ron Foulk, hebben vorig jaar met 10 000 mensen een eerste succes geboekt. Deze keer hebben ze hun maatstaven wat hoger gelegd en gaan ineens voor de top. Ze hebben een brochure laten drukken, waarin de kwaliteiten van het Isle of Wight als een vakantieoord wordt benadrukt. Bovendien hebben ze ook nog eens een filmpje laten maken. Een van de broers gebruikt de laatste winst om de folder en het filmpje persoonlijk te gaan afgeven bij Dylan thuis. Dylan krijgt twee weken vakantie aangeboden, met alles er op en eraan, plus $60,000. Het zal een kleinschalig, intiem festival worden op een pittoresk eilandje, zo legt hij uit. Het optreden van Dylan is gepland als hoogtepunt op de zondagavond. Hij zal worden begeleid door The Band, die daarnaast ook een eigen set spelen.

Sara ziet zo'n uitstapje wel zitten. Alles is beter dan in  Woodstock te blijven. 

 

Huisvader Dylan heeft nog een andere reden om op de uitnodiging in te gaan: op 15 augustus begint in Bethel het driedaagse Woodstock festival. Dylan ziet de invasie van hordes bloemenkinderen in zijn domein met angst en beven tegemoet. Altijd het meest op zijn gemak in kleine kring, heeft hij meer dan genoeg van de miljoenenkoppige Woodstockgeneratie en hun adoratie. Hij wil alles doen om het festival te ontlopen, zelfs optreden aan de overkant van de oceaan.

 

De organisatoren van Woodstock, Mike Lang en John Roberts, hadden nochtans het festival zo kort mogelijk bij Dylan huis willen houden, in de hoop dat ze hem daarmee uit zijn isolement zouden kunnen lokken. Maar het gemeentebestuur van het stadje zag dat allemaal niet zitten en daarom werd uitgeweken naar het terrein van een boer, Max Yasgur, zo'n 60 mijl verderop, bij het dorpje Bethel.

 

Om alvast te testen of een groot publiek iets voor hem is, is Dylan, onder het pseudoniem "Elmer Johnson", op 14 juli, voor enkele bisnummers te gast bij het concert van The Band tijdens het Mississippi River Festival aan de universiteit van Edwardsville in Illinois. Ze brengen er Woody Guthries 'Ain't Got No Home', Leadbellys 'In The Pines' en 'Slippin' and Slidin' van Little Richards.

 

Achteraf zegt hij tegen Amram: “Er waren zo’n 30 000 mensen en ze waren me niet vergeten… Dat deed deugd… Het is goed om terug hier te zijn, op het strand, met die stilte.”

 

* * *

 

Maar we hadden Bob en zijn familie even achtergelaten aan boord van de Queen Elisabeth II, klaar om te vertrekken naar Engeland. Er is echter iets fout gelopen bij het inschepen: pas aan boord is de vier jaar oude Jesse met zijn hoofd ergens tegen aangelopen. Hij is bewusteloos en moet snel naar de spoedafdeling worden gebracht. De dokter zegt dat hij best twee dagen ter observatie moet worden opgenomen. De boot vertrekt zonder de familie Dylan.

De Britse pers meldt dat Bob Dylan niet komt en de ticketverkoop voor het festival van het Isle of Wight valt compleet stil.

 

* * *

 

Op 26 augustus  - twaalf dagen later dan gepland - arriveert Bob Dylan dan toch met Sara en de kinderen op Heathrow Airport. Bij hen zijn ook nog de journalist Al Aronowitz, die optreedt als Dylans roadmanager en Grossmans vennoot Bert Block, met vrouw en dochter.

 

Van Portsmouth worden ze met de Hovercraft naar het eiland Wight gebracht, waar ze verblijven in Foreland Farms. Het 16de eeuwse herenhuis is volledig omgeven door een hoge muur. Daarbinnen zijn er tuinen, een zwembad, tennisvelden en een schuur ingericht als repetitieruimte.

The Band met hun road manager Jonathan Taplin worden ondergebracht in een klein hotelletje aan de kust.

 

Ondertussen zijn er allerhande geruchten ontstaan. Zo wordt er gefluisterd dat Bob wel drie uur zal optreden en dat hij een supersessie zal doen met leden van The Beatles en the Rolling Stones.

Bob en Sara gaan Osborne House bezoeken. Dat is het buitenverlijf waar Queen Victoria haar zomers doorbracht met haar elf kinderen.

Drie dagen voor het concert arriveert Beatleshulpje Mal Evans met een Daimler limousine in Foreland Farms. De journalist Al Aronowitz heeft hem uitgenodigd om hem te helpen om een persconferentie te organizeren voor Bob Dylan.

Op de vraag waarom hij hier wel wilt optreden, antwoordt Dylan: "Ik wou het huis van Alfred Lord Tennyson bezoeken."

 

Ook George Harrison en zijn vrouw Patti komen Bob Dylan bezoeken. Aronowitz heeft hun gevraagd om ook wat "rookwaren" mee te brengen. "George kwam een dag later aan, helemaal van Portsmouth, in zijn blauwe Italiaanse sportwagen. Die, grapte hij, meer had gekost dan een huis! Natuurlijk was hij met de ferry de Solent overgstoken. George dacht dat het veiliger was om Ringos marihuana voorraadje zo te transporteren voor Bob, The Band en mij.

George bracht ook een kopie mee van de LP Abbey Road (die toen nog niet uit was). We speelden hem door de boxen in de repetitieschuur. Het publiek bestond uit Robbie Robertson en The Band plus Dylan en ikzelf. Hoewel ik behoorlijk ondersteboven was, reageerden de anderen erg koeltjes. In feite, als ze iets lieten merken, was het vooral jaloezie!

 

Mal, George en Pattie bleven bij ons overnachten in de Forelands Farm om Bobs optreden de zondag avond mee te maken.”

“Ik kwam op een dag door de zitruimte, " herinnert organisator Ray Foulk zich, "en Dylan en Harrison zaten daar op de zetel ‘All I Have To Do Is Dream’ van The Everly Brothers te zingen. Het klonk ongelofelijk…precies de Everlys.”

De conciërge, Judy Lewis herinnert zich vooral dat Dylan haar gebak lekker vond: appeltaart met zwarte bessen, appelflappen en vruchtcakes. "Sara zat hem voortdurend op zijn kop over zijn dieet. Ik moest voortdurend kopjes thee aanslepen voor hem en George. George bewonderde hem, maar ik had de indruk dat Dylan niet graag had dat Harrison voortdurend wilde spelen.”

 

Op 31 augustus arriveren nog meer Beatles op het eiland Wight. Paul kan niet komen, omdat Linda net bevallen is. Ringo en Maureen zouden Elizabeth Taylor meebrengen, maar uiteindelijk blijken ze John en Yoko bij te hebben. Ze landen zondagnamiddag met een helikopter op het erf van de boerderij. John en Yoko worden natuurlijk - zoals dat toen hun gewoonte was - gevolgd door een cameraploeg, die elke beweging van het koppel vast moet leggen.

De Lennons hadden duizenden pamfletten laten drukken die ze uit de helikopter wilden strooien boven het festivalterrein. De piloot weigerde dat en dus hadden ze honderden witte ballons laten opblazen door het personeel van Apple. Tot iemand opmerkte dat ze die opgeblazen ballonnen niet in de helikopter kregen!

Bob nodigt The Beatles uit tot een spelletje tennis. Natuurlijk speelt John met Bob, tegen Ringo en George.

 

Hoewel Aronowitz niets meldt over een jamsessie meent de promotor zich er toch een te herinneren.

 

Rikki Farr: “We hadden geprobeerd The Beatles te overtuigen om te komen optreden, maar dat ging niet door. Er was wel een spontane jamsessie in de namiddag. Op de scène stond de ongelofelijkste supergroep ooit: Dylan, The Beatles, Eric Clapton, Jackie Lomax…. Ginger Baker kwam van het drummerskrukje en Ringo kwam in zijn plaats. Eric Clapton speelde een solo en dan nam George Harrison de volgende. Verbluffend!"

 

Omstreeks half zes worden Bob en Sara, Ringo, Maureen en Al Aronowitz in een busje naar het festivalterrein in Woodside Bay gebracht.

Door problemen met de klankinstallatie kan The Band pas met anderhalf uur vertraging het podium op. Dylan’s optreden begint daardoor ook veel later dan gepland.

 

Bij zijn opkomst om elf uur ’s avonds, wordt Dylan verwachtingsvol aangestaard door de 200 000 op elkaar geplakte jongeren. Op de eerste rij wachten George en Patti, Ringo en Maureen, John en Yoko, Neil Aspinall en Mal Evans om getuige te zijn van het eerste optreden van Bob Dylan in Engeland sinds 1965.

 

Omdat hij geen instrumenten heeft meegebracht heeft George hem zijn akoestische gitaar geleend. Van zijn stuk gebracht door de massa – hij heeft nog nooit voor zoveel mensen gestaan – worstelt Dylan zich door de eerste nummers, 'She Belongs To Me'  en 'I Threw It All Away' heen. Maar het klikt niet tussen de gretige meute en de onwennige artiest. Alleen al door zijn uiterlijk: Dylan draagt een hagelwit herenkostuum en heeft een oud-christelijk ringbaardje laten staan. Bovendien zingt hij in zijn zalvende Nashville Skyline-stem.

De rest van de set brengt hij een mengeling van recente nummers als 'I Dreamed I Saw St. Augustine' en 'Lay Lady Lay', met oudere als 'Maggie's Farm' en 'To Ramona'. Er zitten zelfs een paar unieke nummers bij die hij nooit nadien nooit meer heeft gebracht. Eerst de Britse traditional 'Wild Mountain Thyme' en als bisnummer, 'Minstrel Boy'.

  decoration
 

Het concert wordt opgenomen voor een mogelijke live plaat.

Na zeventien nummers is het plots gedaan. Er overheerst wederzijdse teleurstelling. Het publiek had op veel meer gehoopt en Dylan op veel minder publiek. Bovendien had hij zich serieus opgewonden over het veel te lange wachten. Hij had gedaan wat hij moest doen en werd uitgejouwd als dank.

Na afloop van het optreden vliegt het hele gezelschap per helikopter naar Georges huis in Tittenhurst Park, waar Bob en Sara blijven overnachten. De volgende middag brengt George hen naar Heathrow Airport, met zijn Mercedes.

Bij zijn aankomst in New York laat Dylan de pers weten dat dit zijn laatste bezoek is geweest aan Engeland: “Ze doen daar veel te gewichtig over liedjeszangers.”

 

* * *

 

Op zoek naar rust en inspiratie verhuist Dylan die winter met zijn gezin naar New York. Het eens zo landelijke en rustige Woodstock is de laatste tijd overwoekerd met dagjesmensen en toeristen. Maar ook in de stad zijn de tijden veranderd. De artistieke enclave Greenwich Village is een toeristische attractie geworden voor jonge hippies. “Terug kijkend was het geen goed idee,” meent Dylan in ’84. “Maar er was een huis te koop in MacDougal Street en ik herinnerde me dat als een aangename plaats. Dus kocht ik het huis, ongezien. Maar het was niet meer hetzelfde. De Woodstockgeneratie had het daar ook al voor het zeggen.”

Op het eerste gezicht heeft het huis nochtans zijn voordelen: er is een ommuurde tuin, alleen toegankelijk voor de bewoners van het pand. De kinderen kunnen re dus rustig buiten spelen. En de plaatselijke school staat goed aangeschreven.

 

* * *

 

In interview met Ed Ward voor Rolling Stone, vertelt Roger McGuinn dat er plannen waren om The Byrds en Bob Dylan samen een plaat te laten opnemen. "Clive Davis, de grote baas van Columbia, belde me op met de vraag of ik een plaat met Dylan wou opnemen. Daar wou ik graag aan meewerken.

 

Dus belde ik Dylan. Hij was op de hoogte van het voorstel en ik vroeg of hij ideeën had. Maar hij zei dat hij er zelf nog niet over had nagedacht. "Misschien dat jij wat oud material kunt meebrengen? Dan doe ik dat ook en dan komt het wel in orde." Ik vroeg hem of hij misschien wat nummers had liggen die hij zelf niet op zou nemen, maar hij zei dat het schrijven niet wou vlotten tegenwoordig. Ik zei dat we allemaal dik en lui werden en we lachten er om."

 

We vertrokken naar New York, want we moesten er sowieso al zijn om paar optredens  te spelen. Maar maandag hadden we nog altijd niets gehoord. Rond de middag namen de de jongens het vliegtuig en een uur later belde iemand van de platenmaatschappij om te zeggen dat we om half drie verwacht werden in de studio. Ik legde haar de toestand uit. Zij belde naar Dylan en die was er niet over te spreken dat we niet braafjes op een telefoontje hadden zitten wachten.

Het bleek dat er iemand naar het optreden had moeten komen om de zaak te regelen, maar die was niet komen opdagen. Maar ik denk dat het gewoon een vuil spelletje was. Wij hadden Bob Johnston als producer de laan uitgestuurd. Hij had ons 12 uur op voorhand moeten verwittigen - dat is vastgelegd door de vakbond. Hij heeft het met opzet gedaan."

 

* * *

 

Na een onderbreking van tien maanden duikt Dylan weer de studio in, op 3 maart 1970. Voor het eerst sinds 1965 kiest hij er voor om terug op te nemen in New York City. In de Columbia Recording Studios hebben ze ondertussen 16-sporen apparatuur geïnstalleerd. Bob Johnston is nog steeds producer.

De klemtoon is verschoven van country naar roots nummers. Maar het blijven voornamelijk covers die Dylan opneemt met zijn favoriete muzikanten: Al Kooper en  David Bromberg, plus fiddlespeler Emanuel Green. Het opvallendst is dat hij oude krassende stem terug gebruikt. Weg is het zalvende geluid van de country platen.

 

Tijdens de sessie in de namiddag van 14:30 tot 18:30 wordt er eerst geprobeerd een fatsoenlijke opname van 'Pretty Saro' op band te zetten. Wanneer dat niet lukt wordt er van het ene na het andere nummer gesprongen. Aan de meeste wordt zelfs geen tweede take besteedt. Alsof hij aan de muzikanten duidelijk wil maken: het lukt in één keer, of we vergeten het maar. Dylan zingt uiterst losjes en klinkt soms alsof hij een slok teveel op heeft.

 

Toch zullen een aantal van deze nummers, weliswaar met een pak overdubs, worden geselecteerd voor Self Portrait. Van deze sessie zijn dat twee versies van het aloude 'Little Sadie', het prachtige 'Belle Isle' en 'Copper Kettle', 'It Hurts Me Too' (eigenlijk ‘When Things Go Wrong With You’ van Big Bill Broonzy) en een godsalmachtig slechte versie van Paul Simons 'The Boxer' waarop Bob probeert met zichzelf in duet te gaan. Misschien koos hij voor dit nummer omdat het gerucht liep dat het over hem ging?

 

De volgende dag vinden er weer drie sessies plaats volgens hetzelfde patroon, tussen 14:30 en 2:30. 'Went To See The Gypsy' en een cover van 'Thirsty Boots' van Eric Andersen krijgen elk een vijftal pogingen en alle volgende nummers staan er in één take op. Dylans ene eigen compositie is een verslag over een bezoek aan Graceland, in een poging om Elvis te ontmoeten.

 

Mogelijk worden er daarna telkens overdubs toegevoegd op de beschikbare sporen. Zo zijn Alvin Rogers (drums) en Stu Woods (bas) toegevoegd in een ander handschrift aan de opnamebladen van 'Days of '49' en 'The Boxer'. Versies van 'Railroad Bill' en 'House Carpenter' blijven ongebruikt, maar een cover van 'Early Morning Rain' van Gordon Lightfoot en het instrumentale 'Wigwam' worden goed genoeg bevonden.

 

Op 5 maart is er slechts één sessie, van 16:30 tot 20:00. Daarbij zijn er voor het eerst tijdens een sessie van Bob Dylan, een aantal backing zangeressen ingehuurd - maar niet voor het laatst. Verder is er ook een ritmesessie aanwezig: drummer Alvin Rogers en bassist Stu Woods.

De meeste aandacht gaat naar 'Alberta', 'My Previous Life' en  'Time Passes Slowly'. 'Gotta Travel On' van zijn oude maat Paul Clayton kent hij al heel lang en dat staat er dan ook in één keer op. Het laatste nummer van die dag is 'All The Tired Horses', waarvan de volledige tekst luidt: "All the tired horses in the sun/How am I supposed to get any riding done?' Of is het "writing'?

 

Er is genoeg materiaal opgenomen voor een album: maar liefst 26 verschillende nummers. Maar nadat hij de banden heeft nog eens in alle rust heeft beluisterd, ziet Dylan af van het idee van een folk-covers album. Hij laat Bob Johnston de banden meenemen naar Nashville om ze er uitgebreid te laten bewerken met overdubs. Zelf blijft hij in New York.

 

Het overdubben begint al op 11 maart. De muzikanten reageren verbaasd op wat ze te horen krijgen. “Dylan stuurde de banden naar hier met de opdracht dat we gewoon er over moesten opnemen, wat er al op stond..." vertelt Charlie McCoy die gitaarpartijen moet inspelen op 'Days Of '49', 'Little Sadie', 'Alberta' en 'All The Tired Horses'.

"Het waren meestal nummers van anderen en het leek alsof hij er mee aan het experimenteren was. De tempo’s waren niet altijd even vast en hij speelde ook niet altijd zuiver op zijn gitaar…. Ik had de indruk… dat hij zomaar wat bij elkaar had gegooid.” 

Drummer Ken Buttrey: “Charlie McCoy had zijn werk gedaan en dan kwam ik de studio in, terwijl hij stond in te pakken…. En hij zei: ‘Dit ga je nooit geloven.”

Na hem volgt ook nog bassist Bob L. Moore.

Ook de volgende twee dagen doen de studiomuzikanten hun best om te redden wat ze kunnen.

Na het weekend wordt eerst nog met een beperkte groep muzikanten nieuwe backing tracks opgenomen voor 'Early Morning Rain' en 'Woogie Boogie'. 

Maar dan worden alle registers open getrokken. Tijdens een bijna zes uur durende sessie worden onder leiding van de arrangeur Bill Walker blazers en strijkers toegevoegd aan 'Copper Kettle', 'Belle Isle' en 'All The Tired Horses'. Ook zijn er opnieuw drie zangeressen ingehuurd voor nog meer backing vocals.

 

Twee weken later worden er, op 26 en 27 maart, nog meer blazers en backing vocals toegevoegd aan een aantal tracks in een studio in Hollywood. Bob Johnston kijkt goedkeurend toe.

 

Maar het resultaat is nog niet naar zijn tevredenheid, want hij keert terug naar Nashville voor nog meer overdubs: sax en gitaar. Zo zijn er op 2 april twee sessies van elk drie uur voor 'The Boxer'. Had Dylan zelf maar zoveel tijd gestoken in zijn zang!

 

* * *

 

Wanneer de banden terug wordt een LP samengesteld. Maar voor de tweede keer op rij is Clive Davis niet onder de indruk.

 

Dylan besluit dan maar er een soort “eigen bootleg” van te maken, naar het voorbeeld van Great White Wonder - de allereerste rock bootlegplaat. Die zogenaamde “witte plaat” van Bob Dylan werd in de zomer van 1969 verkocht op universiteitscampussen en tweedehands zaken. Er staan nummers van de "hotel tape" uit '61, een radio programma uit ’62, wat nummers van de Basement Tapes en ‘Living The Blues’ van de Johnny Cash Show.

De kwaliteit is niet schitterend en er staat geen informatie op de witte kartonnen hoes, maar dat draagt allemaal bij tot de mysterieuze aantrekkingskracht. Op 20 september werd de plaat zelfs in Rolling Stone besproken.

 

Dylan besloot dus dat voorbeeld te volgen: een paar nummer van zijn onuitgebracht country covers album, een pak nummers van de recentere opnamen in New York en, waarom ook niet…. wat live opnamen van het concert in Wight. 

En dan moet er nog een hoes rond en een titel. “Het was uiteindelijk een concept-LP geworden met een titel die alle kanten uitkon: Selfportrait…. Het was nooit mijn bedoeling om mezelf te schilderen.”

 

Self Portrait wordt op 8 juni 1970 uitgebracht: een dubbel-lp, met een naïef-expressionistich zelfportrait op de hoes. De reacties liegen er niet om: “Wat is dit voor gelul?” vraagt de vooraanstaande rockcriticus Greil Marcus zich in Rolling Stone af. Een goede vraag. Het vierentwintig liedjes lange zelfportret bestaat uit slappe covers van evergreens als ‘Let It Be Me’, ‘Blue Moon’, ‘Take A Message To Mary’ en ‘The Boxer’.

Dylan zal het album later uitleggen als een bewuste poging zijn fans te schofferen. “Ik wilde iets maken waar de mensen niets mee konden, zodat ze naar iemand anders zouden lopen,” zegt hij tien jaar later in datzelfde Rolling Stone. 

Maar waarom een dubbel-lp? “Als je dan toch een hoop flauwekul gaat maken, kun je het net zo goed zo hoog mogelijk opstapelen.“

Maar bij die kul zit ook een aantal nummers waarop Dylan wel min of meer zijn best doet, en die erop wijzen dat hij er niet alléén maar op uit was om zijn aanhang te bruuskeren.

Johnston blijft de plaat verdedigen: “Ik hield van die plaat, maar natuurlijk werd het neergesabeld. Maar luister er eens naar. Niet zo van, ‘Dit is de nieuwe plaat van Dylan.’ Luister gewoon naar wat er te beleven valt. Het is een schitterende plaat.”

En ook het publiek schijnt het wel te lusten: Self Portret komt op 4 juli '70 de Billboard-albumlijst binnen en bereikt even later de vierde plaats.

 

13-03-07

Joni Mitchell - Hejira

Joni Mitchell - Hejira

 hejiraTelkens Joni Mitchell met problemen werd geconfronteerd, ging ze haar geluk elders zoeken. Maar in het voorjaar van 1976, met een turbulente relatie die op de klippen was gelopen en teveel drugs in haar aderen, trok ze vol overtuiging op weg.

"Ik liep weg van de liefde, ik wou weg van de waanzin en ik zocht iets dat zin gaf aan alles," zegt ze. "De weg werd een metafoor voor mijn leven."

En het werd de inspiratie voor een plaat, die voor vele van haar fans en critici als haar meesterwerk wordt beschouwd. De negen nummers van Hejira vormen een opmerkelijk en persoonlijk verslag van een nomadische, romantische dromer. De plaat staat vol verhalen over gedoemde liefde, dansvloeren in baancafe's in de vroege uurtjes, dromen over trouwjurken, gemiste kansen en een diep verlangen om te ontsnappen en opnieuw te beginnen.
 Mitchell zelf is er niet van overtuigd dat Hejira de beste van de 22 platen is, die ze in haar veertig jaar durende carriere heeft gemaakt. Ze wil daarin geen keuze maken, maar ze is er zich wel van bewust dat Hejira een plaat is die niemand anders had kunnen maken.  "Ik denk dat veel mensen wel een aantal van mijn oudere nummers hadden kunnen schrijven, maar ik heb het gevoel dat de nummers op Hejira alleen maar door mij hadden kunnen worden geschreven."

De verhalen die ze vertellen zijn zo levendig, de observaties zo puur en de landschappen zo beeldend dat Kris Kristofferson haar ooit aanspoorde om "zichzelf wat meer te beschermen... nog wat achter te houden voor zichzelf uit het zicht van de fans."

Maar  Mitchell zegt dat te biecht gaan bij zichzelf, hoe riskant en onthullend ook, essentieel was voor haar schrijfstijl in die periode. "Mijn nummers zijn altijd autobiografischer geweest dan die van de meeste anderen," zegt ze. "Je moet er wel eerlijk in zijn. Ik was net terug aan het keren naar het normale, na de uitersten van een zeer abnormale geestesh-gesteldheid toen ik het merendeel van die nummers (op Hejira) schreef. Wanneer het leven interessant wordt, wordt ik zeer alert. En het leven was erg interessant, toen. Ik denk dat, dat het schrijven op een hoger niveau heeft gebracht."
 Muzikaal gaf Hejira aan dat Joni Mitchell een nieuwe richting was ingeslagen na de twee jazz-getinte, maar radio-vriendelijke platen die er aan vooraf waren gegaan. Geen makkelijk meezingbare melodieën meer, weg de  conventional formaten en de vrolijke blazers die ze gebruikt had als flirt met de Top 40 op Court and Spark uit 1974 en The Hissing of Summer Lawns uit 1975. In plaats daarvan kwamen spaarzame ritmes, wollige gitaarakkoorden en de briljante toets van Jaco Pastorius z'n fretloze bas. Samen creëren ze een onbeschrijfelijk muzikale palet dat even wijds is als de snelwegen die ze in haar nummers bereist.
Ook met haar teksten sloeg ze nieuwe wegen in. Ze maakte maximaal gebruik van de vrijg-heden die de losse structuren haar boden. Ze geeft haar woorden een eenvoudige directheid en poetische schittereing die ze zelden heeft bereikt in haar muziek daarvoor of daarna. "Wat mij betreft, vind ik het hele Hejira album erg geïnspireerd," zegt Mitchell. "Er is een ongebondenheid, zeker, maar er valt ook heel wat te ontdekken onderweg."

Joni Mitchell vertelt dat de nummers van Hejira werden geschreven tijdens of na drie reizen die ze maakte in het najaar van 1975 en de eerste helft van 1976.
 rollingDe eerste was een Bob Dylans Rolling Thunder Review. Zijn zigeunerachtige, van drugs doordongen circus trok in de herfst van 1975 door de noordelijke staten van Amerika. Iedereen die er zin in had mocht meedoen. Joan Baez, Mick Ronson, Roger McGuinn, T-Bone Burnett, Ronee Blakely, Allan Ginsburg en vele anderen trokken mee rond. Joni haakte half november in en trok mee tot het einde, een maand later. De eerste dagen bracht ze twee nummers uit The Hissing Of Summer Lawns: 'Edith And The Kingpin' en 'Don't Interrupt The Sorrow'. In Boston begon ze een nieuw nummer, dat enkele dagen later al voor het eerst live werd gebracht: 'Coyote'. Daarin vertelt ze hoe ze in een café werd lastig gevallen door een vent, die haar herinnerde aan een prairiehond die ze in haar jeugd zag, spelend met een prooi. Tussendoor zijn er beelden van de wereld gezien uit een rijdende bus: een boerderij in brand en vooral de eindeloze witte lijnen van de autostrade.  Maar er zijn nog andere witte lijnen in deze tour. Cocaine was overvloedig beschikbaar. "Ik begreep dat je er niet lang nuchter kon blijven - je zou er de enige zijn," legt ze uit. "Het was gewoon waanzin!" Al heel snel was ze een geregeld gebruiker. "Een veranderd bewustzijn is erg verlokkelijk voor een schrijver. Ik schreef een aantal goede dingen, vind ik, door de  cocaïne [maar] het is zeer slecht voor je hart -- het vreet al je energie op en stopt het in je hersens." Terugkijkend meent ze dat de drugs tegelijk een "fantastisch en rampzalig" effect hadden: "Ik leed aan vreselijke slapeloosheid , maar ik schreef heel lange gedichten." Eentje daarvan is 'Song for Sharon', voor velen het meesterwerk van Hejira."… Sharon, Ik liet mijn man achter in een gat in North Dakota, en ik kwam naar de Big Apple hier om geconfronteerd te worden met het mislukken van de droom." Ze geeft heel wat van zichzelf bloot aan Sharon. Ze denkt er zelfs over, toe te geven aan de verleiding om alles op te geven, te trouwen en het soort leven te gaan leiden, dat Sharon schijnt te hebben. Het nummer duurt acht en een halve minuut, maar geeft helemaal niet die indruk. Zo gaat het op in haar bezorgdheden en verlangens die eigen schijnen aan haar zwervend bestaan. "Er is zo'n wereld aan goede doelen," zingt ze, "en mooie landschappen te ontdekken... maar wat ik nu zou echt willen is een nieuw lief."  Ze begon het nummer te schrijven na een boottochtje van Staten Island naar New York City. "Ik ging naar Staten Island, Sharon / Om een mandloine te kopen / En ik zag een lange witte liefdesjurk / Op een mannequin in een winkel." Stan Jay, de uitbater van de Mandolin Brothers instrumentenwinkel vertelt dat Joni er een Gibson K-4 mandocello kocht, gebouwd omstreeks 1915. Het is een grote versie van de Gibson F-4 mandoline. Daarnaast kocht ze ook een Martin 000-28 herringbone gitaar uit datzelfde bouwjaar.  De laatste concerten van de Rolling Thunder revue vonden plaats in New York, met op 8 december het slotconcert  tijdens de Night Of The Hurricane in Madison Square Garden.   Nog voor Kerstmis waren er al plannen om opnieuw op tournee te gaan, nu ter promotie van The Hissing Of Summer Lawns, dat goed begon te verkopen. De L.A.Express werd opnieuw opgetrommeld voor een tweede tournee als begeleidingsband van Joni.  De tournee begon in de universiteit van Minnesota op 16 januari. Joni speelde haast alle nummers van Hissing, aangevuld met enkele van haar klassiekers als 'Big Yellow Taxi' en ''Real Good For Free', de twee nummers van de vorige tournee die nog niet op plaat stonden ('Jericho' en ''Love Or Money'), plus vier nieuwe nummers. Dat waren 'Furry Sings The Blues', 'Coyote', 'Don Juan's Reckless Daughter' en 'Talk to Me'. Die laatste twee zullen pas in december '77 worden uitgebracht op Don Juan's Reckless Daughter.   Tijdens het optreden in Boston vertelde ze: "Het eerste van deze nummers kwam tot me toen ik hier in november passeerde. Het heet 'Coyote'. Het tweede is een vervolg en heet 'Don Juan's Reckless Daughter'." Daarna speelde ze beide nummers achter elkaar. De tour liep verder in februari in steden in het noordoosten zoals Boston, Philadelphia en New York. Na zes weken kwam er in Madison, Wisconsin echter een tumultueus einde aan. Mitchell sukkelde al een paar dagen met een zware verkoudheid, die zeker niet werd verbeterd door het zeer slechte weer. En misschien als gevolg van die spanningen besloten Joni en haar vriend, John Guerin (drummer van de L.A. Express), definitief een punt te zetten achter hun stormachtige relatie.  Nadat de "krachten die samenspanden om de tour te verstoren" de strijd hadden gewonnen bleven Joni en de fotograaf Joel Bernstein achter. Die nacht vroor het nabijgelegen meer dicht. Joni leende een paar schaatsen van een zwarte. Gekleed in een lange zwarte rok en een pelsen cape trok ze met Bernstein naar het meer. Ze troseerde de bitter koude wind en maakte wat rondjes terwijl de fotograaf klikte.  Terug in de hacienda in Spaanse stijl die ze een jaar eerder in de Bel Air sectie van L.A.had gekocht, was het leeg zonder haar vriend. Joni zocht een schuilplaats in het huis van Neil Young aan de kust. Ze was er pas een paar dagen toen twee vrienden langskwamen. Een daarvan was een oud-lief uit Australië. Die vertelden dat ze naar Maine, in New England, moesten om de dochter van een vriend gaan oppikken, die daar bij haar grootmoeder verbleef. Joni bood aan hen te brengen, met haar eigen auto. De tocht dwars door de Verenigde Staten trok haar wel aan. 
Mitchell zette hen af in Maine en reed dan verder langs de kust tot Florida, rond de Golf van Mexico en dan door het Zuidwesten, over de Blue Highway US 80 terug naar Californië. "Ik reed zonder rijbewijs," blikt ze terug. "Ik moest voortdurend achter vrachtwagens blijven hangen. Die geven mekaar signalen wanneer er ergens politie staat. Ik kon dan ook alleen overdag rijden, om problemen te vermijden."

In het Zuiden, waar hard de radio haast uitsluitend hard rock en country draait, was Mitchell zo goed als volslagen onbekend. "Dat was een opluchting. Zoals in het sprookje van de Prins en de Bedelaar kon ik er aan mijn bekend zijn ontsnappen door een valse naam te gebruiken. Ik kon er gewoon met iedereen omgaan zonder op te vallen." Bovendien was het, het jaar van de Bi-centennial viering en overal waren er feesten en festivals.  In 'Refuge Of The Road' zingt ze over een bezoek aan Chögyam Trungpa Rinpoche. Deze zenmeester was de elfde reïncarnatie van de Boedistische lama Trungpa Tulku. Maar hij was het zwarte schaap van de zenmeesters: een stevige drinker die achter de vrouwen aanzat. Toch had hij overal in de Verenigde Staten centra gesticht en Mitchell is waarschijnlijk in eentje daarvan, in Vermont of in Boulder, een paar dagen gestopt.  Ze vertelde later dat ze hem misschien maar drie keer heeft bezocht, maar niettemin als een zeer invloedrijk leraar beschouwt. Hij kreeg haar zo ver, vertelt ze, dat ze drie dagen lang zonder zelfbewustzijn leefde. Een mooie ervaring vond ze.  'Amelia' is een verwijzing naar Amelia Earhart, een Amerikaanse vliegtuigpilote. Nadat ze, als passagier weliswaar, in 1928 de eerste vrouw was geweest, die de tocht over de Atlantische Oceaan had meegemaakt, zette haar zin erop om dezelfde tocht zelf ook te doen. Dat lukte in 1932. Daarna maakte ze de nog langere vlucht van Hawaii naar Californië om dan haar zinnen te zetten op een vlucht rond de aarde. Daarbij verdween ze, met haar tweepersoonsvliegtuigje, ergens boven de Stlle Oceaan. 

In Memphis, Tennessee ziet ze de bijna tachtigjarige blueszanger Walter "Furry" Lewis optreden. Ze vindt dat de man beter verdient dat de sjofele club in het aftandse Beale Street. Ze gaat hem achteraf opzoeken en hij vertelt haar dat hij haar niet mag. Wanneer zij dat later verwerkt tot 'Furry Sings The Blues' vindt de oude man dat hij recht heeft op een minstens een deel van de royalties… omdat zijn naam wordt vernoemd.
 "De plaat werd voor het grootste gedeelte geschreven tijdens de reis met de auto. Daarom zijn er geen piano- nummers..." Zes van de negen nummers van Hejira werden tijdens deze trip geschreven. De plaat zou oorspronkelijk dan ook Travelling heten. "Dat zou een geweldig memorabele naam geweest zijn," lacht ze nu.
Op zoek naar een gepaste titel voor één van de nummers, stootte ze in een woordenboek op het woord "hejira". Dat is een Islamitische term voor exodus of breuk met het verleden. Mohammed moest weg uit Mecca - het betekent een droom verlaten, zonder schuld. "Ik had moeite om een titel te vinden voor dat nummer," zegt ze. "Het idee van een eervol vertrek vatte goed het gevoel waarnaar ik op zoek was."
Het werd de titel van het nummer en - zeer tegen de zin van de platenmaatschappij, die iets minder cryptisch wilden -  ook de naam van de plaat.

Op 15 mei is ze er terug bij wanneer het tweede luik van de The Rolling Thunder Revue wordt afgesloten in de State School for Boys in Gatesville, Texas. Tijdens het concert dat wordt gefilmd voor Bob Dylan's Hard Rain special, zingt Joni twee nummers: 'Black Crow' en 'Song For Sharon'.  Joni nam Hejira op in de zomer van 1976, met een aantal van de muzikanten waarop ze al een beroep deed sinds 1973. Maar deze keer wilde ze een ander geluid: broeieriger en minder uitgelaten. Ze wou muziek die een weergave was van de nummers die ze onderweg had geschreven. Vele nummers gaan over berusten in het feit dat je geen familie hebt.  Toen de nummers op band stonden, vertelde iemand haar over een bassist die ze absoluut moets horen: Jaco Pastorious. Het klikte onmiddellijk tussen de twee. Joni was dan ook al jaren op zoek naar een bepaald basgeluid, vooral op de onderste snaren van het instrument. "Jaco deed precies dat waarvan ik alleen kon dromen toen ik hem leerde kennen. Ik vroeg altijd aan bassisten om iets speciaal te doen en zij vertelden mij steeds weer, 'dat kan niet op een bas'” Ze liet hem zijn spel als overdubs toevoegen aan vier nummers.  Voor de hoes werd eerst gedacht aan één van de foto's uit februari, op het meer. Eentje waarbij Joni leek op een kraai, met gespreide vleugels. Toch vond ze dat de foto niet genoeg de sfeer weergaf van de thema's: "melancholie en beweging" en "een romantische winter". Joni had een idee. De kunstschaatser Toller Cranston werd gecontacteerd. De winnaar van een bronzen medaille intrigeerde haar, met zijn dramatische, expressieve stijl. Een hockey arena werd gehuurd en er werd een autostrade op uitgetekend. De randen werden met mist weggemoffeld. Een figurante, in een trouwjurk moest met Toller wat romantische poses aannemen, terwijl Joni, de autoweg afschaatste, naar de horizon. Zij werd achterna gezeten door door haar chauffeur, die haar volgde met haar "overtollige bagage". De foto's leverden in interesante serie op, maar gaven nog geen voldooening.  Fotograaf Norman Seeff (die haar al vaker had geportreteerd) werd erbij gehaald om Joni te trekken, "gejaagd, als een (Ingmar) Bergman figuur."  Uiteindelijk kwamen alle ideeën samen. Met een speciaal instrument, een Camera Lucida (Lucy) werden 14 foto's uit de diverse sessies samengebracht. Sommige vergroot, andere verkleind. Allemaal werden ze terug tot één negatief samengebracht: één grote foto met alles op zijn plaats, in de juiste verhoudingen. Met airbrush werden de randjes verdoezeld en de lichtbronnen uitgevlakt. "Als ik het als een collage had gedaan, zou het er allemaal veel primitiever hebben uitgezien," vertelt ze. "Op deze manier was het veel meer afgewerkt. Het is precies één foto!"  Op 20 november traden Joni en Jaco voor het eerst samen op, in Sacramento, Californië, tijdens het Walvissenbenefiet van gouverneur Jerry Brown. Ze zette er een fantastische set neer met Bobbye Hall op congas en Jaco op bas. Jonis solo akoestische versie van 'Song For Sharon' was een overweldigende triomf en zij keerde later nog eens terug om Fred Neil bij te staan bij diens 'The Dolphins'.  Twee dagen later, op 22 november 1976, werd Hejira uitgebracht.  Drie dagen daarna, op Thanksgiving Day hield The Band zijn afscheidsconcert in de zaal waar ze de eerste keer hadden opgetreden: Winterland in San Francisco. Joni was er slechts een van de vele gasten, waaronder Bob Dylan, Van Morrison, Neil Young, Eric Clapton. Het concert werd gefilmd door Martin Scorsese en anderhalf jaar later uitgebracht als The Last Waltz. Joni zong eerst, vanachter de schermen, mee met Neil Youngs 'Helpless', en bracht daarna drie nummers met The Band: 'Coyote', een gitaarversie van 'Shadows and Light' en 'Furry Sings The Blues', met Neil Young op harmonica.  Hejira werd zowel door de fans als door de critici uitstekend ontvangen. Ze verwoordde opnieuw op zeer persoonlijke wijze over haar eigen ervaringen. De plaat stootte door tot een dertiende plaats in de Billboard hitlijsten en werd goed verkocht tot gedurende die winter en de volgende lente. Al na drie weken was de plaat goud.  'Coyote' werd als single uitgebracht, met op de achterzijde 'Blue Motel Room'. Maar die deed niks in de hitlijsten en kwam zelfs niet in de Top 100. De plaat moest het vooral hebben van de FM rock stations, die meer langspeelplaten draaiden.

01-03-07

The Freewheelin' Bob Dylan

The Freewheelin' Bob Dylan 
Freewheelin-Bob-Dylan

Eind januari 1962 was Bob Dylan begonnen met het schrijven van protestsongs. “Ik wou gewoon een lied om te zingen en ik kwam op een punt dat ik niks had om te zingen. Dus moest ik schrijven wat ik wou zingen  want niemand anders schreef wat ik wou zingen. Als ik dat had gekund was ik waarschijnlijk nooit begonnen met schrijven.”

In de komende twee jaar zou een onafgebroken stroom van dergelijke songs uit zijn pen blijven komen. Het is ook een poging om de invloed van Woody Guthrie te ontgroeien. "De beïnvloeding raakte op de achtergrond, eens hij geen idool meer was voor mij. Ik leerde hem kennen en ik voelde mij niet meer eerlijk… het leek allemaal nep. Woody's nummers zingen voor geld, folk songs zingen voor geld… het leek me allemaal nep."  

Het zal wel geen toeval zijn dat Bob begon met het schrijven van protestnummers kort nadat hij bij zijn vriendinnetje Suze Rotolo was ingetrokken op haar studiootje in de West 4th Street in New York. Suze kwam uit een familie met sterke linkse sympathieën en al op zeventienjarige leeftijd was zij actief bezig in de beweging voor rassengelijkheid. Ondanks haar jonge leeftijd had ze al veel gelezen en – niet te versmaden – haar zus had een indrukwekkende collectie platen met Amerikaanse folkmuziek.

 

Op 23 februari zou Dylan optreden tijdens een CORE (Congress of Racial Equality) benefiet in de City University.  Twee weken daarvoor speelde hij voor zijn vrienden, de MacKenzies, een nummer dat hij speciaal daarvoor had geschreven: ‘The Death Of Emmett Till’. Hij verhaalt daarin het ware verhaal van een veertienjarige zwarte jongen, die in Mississippi werd vermoord omdat hij met een blank winkelmeisje had geflirt. Hij werd door enkele blanke heethoofden in het hoofd geschoten, waarna zijn lijk in de Tallahatchie rivier werd gegooid. De mannen werden vrijgesproken.

 

Met dat soort nummers was hij welkom bij het nieuwe tijdschrift Broadside. Dat gestencilde blaadje was door de folkzanger Pete Seeger met de hulp van Agnes “Sis” Cunningham opgezet om hedendaagse protestnummers te publiceren. Wanneer einde februari het eerste exemplaar wordt verspreid prijkt daarin Dylan’s ‘‘Talking John Birch Paranoid Blues’, een satire op moderne heksenjagers en hun obsessie met communistische indringers.

‘Let Me Die In My Footsteps’ was een ander uitstekend nieuw nummer dat hij in die tijd schreef. Het was een reactie op de obsessies van de Koude Oorlog met de aanleg van schuilkelders en oefeningen met luchtalarm.

 

Een vierde nieuw nummer, ook geschreven binnen de periode van een maand, was ‘The Ballad Of Donals White’. Voor de melodie maakte hij  gebruik van Bonnie Dobsons versie van ‘The Ballad Of Peter Amberley’, een compositie van John Calhoun uit 1881. De tekst was dan weer  gebaseerd op een documentaire die hij op TV zag.

 

Bob Dylan: “Ik schreef  waar ik was. Soms zat ik een hele dag aan een tafeltje in een café, zomaar alles op te schrijven wat in mij opkwam… gewoon om het even wat. Ik keek uren naar de mensen en ik verzon van alles over hen. Of ik dacht, welk soort lied zouden die willen horen ? En dan bedacht ik er een.”

 

Nu hij meer zelf begon te schrijven moest hij een uitgever hebben. Zijn ontdekker/producer John Hammond regelde dat hij zijn nummers kan onderbrengen bij de muziek uitgeverij Leeds Music. Hij nam ook een aantal nummers voor hen op, zodanig dat ze door anderen konden worden gecoverd.

 

Het feit dat Bob goede, eigen nummers begon te schrijven maakte hem in de folkgemeenschap tot iets bijzonders en het nieuws verspreidde zich snel. Toch vertelde hij tegen de promotor Izzy Young, uitbater van het Folklore Center, dat hij zich van de folkscène los aan het maken was. Hij was “het moe in koffiehuizen te moeten spelen voor toeristen die aapjes kwamen kijken.”

Ondertussen werd op 19 maart, Dylans debuut-LP Bob Dylan uitgebracht. Hoewel de kritieken tamelijk lovend waren viel de verkoop erg tegen: er werden het eerste jaar nauwelijks vijfduizend exemplaren van verkocht. In de kantoren van Columbia werd er dan ook al over gedacht om “Hammond’s stommiteit” zoals de jonge zanger werd betiteld, terug op straat te zetten. Vooral door diegenen die jaloers waren op producer John Hammond’s oor voor talent. Hij was de man die Billy Holiday had ontdekt en mensen als Benny Goodman en Robert Johnson promootte.

  

Maar ondertussen stond de jongeman echter al te popelen om terug Columbia’s Studio A in te trekken. De opnamen zitten geklemd tussen twee series optredens: van 20 tot 22 april deelde hij een affiche met Jesse Fuller in het Ann Arbor Goddard College en van 24 april tot 6 mei, trad hij als hoofdact op in  Gerde's Folk City.

 

Aanvankelijk wou hij zich opnieuw bedienen van hetzelfde recept: “wat spul dat ik heb geschreven, wat spul dat ik heb ontdekt en wat spul dat ik heb gestolen”. De opnamen vertoonden dan ook grote gelijkenis met die voor de debuutplaat. De plaat zou opnieuw ingeblikt worden tijdens twee sessies, op dinsdag 24 en woensdag 25 april 1962 in Studio A op de zevende verdieping van het Columbia hoofdkwartier in New York City, met John Hammond als producer. Het enige verschil was dat de zanger/gitarist deze keer ondersteund wordt door een bassist, William E. Lee.

 

De eerste sessie duurde, zoals gebruikelijk, drie uur: van 14:30 tot 17: 30. In die periode werden zeven countryblues en Guthrie-achtige nummers op band gezet. 

 

Hoewel ‘House of the Rising Sun’ al op zijn eerste album stond, begon Dylan de eerste sessie voor zijn volgende LP met een variante op het nummer: het traditionele ‘Going To New Orleans’. Eén van de beide takes van dit nummer is terug te vinden als track 10 op de Vigotone bootleg The Freewheelin’ Bob Dylan Outtakes.

 

Op die bootleg staat, als track 25, ook één van de drie volledige takes van het tweede nummer, ‘Sally Gal’, een zeer vrije variante op een compositie van Woody Guthrie. Het is meer een excuus om lekker tekeer te gaan op harmonica, dan een echte song. 

 

De eerste uitvoering van Dylan’s ‘Sally Gal’ is terug te vinden op de Oscar Brand radio show (Folk Song Festival, 29 oktober ‘61). Brand vroeg hem één van de kermisliedjes te zingen die hij had geleerd en Dylan kondigde het dan aan als eentje dat hij heeft "geleerd ... euh, geschreven." (terug te vinden op The Genuine Bootleg Series, Volume 3)

 

Daarna concentreerde Dylan zich op ‘Rambling Gambling Willie’, een eigen tekst op de traditionele melodie van ‘Brennan on the Moor’ van The Clancy Brothers. Het was het eerste in een lange rij van nummers die hij zou schrijven waarbij iemand die buiten de maatschappij staat werd bezongen. Take 4 werd uitgekozen als beste en werd officieel uitgebracht op The Bootleg Series 1- 3.

 

‘Corrina, Corrina’ is dan weer een variante op het nummer ‘Corrine, Corrina, Where you been so long?’ Het is een heel oud nummer dat door talloze muzikanten werd gebracht. Hoewel Blind Lemon Jefferson in april 1926 al een ‘Corrina Blues’ opnam voor Paramont Records, stamt de eerste echte versie van het nummer uit de laatste maanden van 1928. Bo Chatman en Charlie McCoy namen toen ‘Corrine, Corrina’ op voor Brunswick Records in New Orleans. En op 17 december van dat jaar namen diezelfde muzikanten, aangevuld met gitarist Walter Vincson als  the Jackson Blue Boys ‘Sweet Alberta’ op. Dat is hetzelfde nummer maar gezongen over een ander meisje.

Eén van Dylans twee volledige takes valt te beluisteren als track 2 op de Vigotone bootleg.

 

En dan volgt zijn allereerste protestsong: ‘The Death of Emmett Till’. De enige take die Dylan voor het nummer nodig heeft staat als track 2 op de Vigotone bootleg.

 freewheelin_bob_dylan_outtakes

Ook ‘Talking John Birch Paranoid Blues’ is een zelfgeschreven protestnummer. Van de drie pogingen was enkel de laatste volledig en ook deze staat op The Freewheelin’ Bob Dylan Outtakes (track 6). De bassist had blijkbaar even een pauze, want hij is niet te horen op deze opname.

 

De sessie werd afgerond met twee takes van ‘(I Heard That) Lonesome Whistle’, een nummer van Hank Williams, geschreven met Jimmie Davis. De beste daarvan staat als track 5 op de Vigotone bootleg.

 

De volgende dag stond het hele clubje terug om 14:30 in de studio, om er nog eens acht nummers op band te zetten. De bassist was er echter niet meer bij.

 

Het eerste nummer dat werd aangepakt is het populaire ‘Rocks And Gravel (Solid Road)’ dat ook door andere folkzangers als Harry Bellafonte en Ian and Sylvia werd opgenomen in ’62. Dylan had drie takes nodig, waarvan alleen de laatste volledig is. Die staat dan ook, als track 9 op de bootleg.

 

Dan volgde de eigen compositie ‘Let Me Die In My Footsteps’. De enige take wordt uitgebracht op The Bootleg Series 1-3. Daarbij is echter één strofe weggeknipt. De volledige versie is terug te vinden als track 11 op de Vigotone bootleg.

 

En ook de enige take van ‘Talking Havah Negeilah Blues’ staat op The Bootleg Series 1- 3. "Here's a foreign song I learned out in Utah," kondigt hij aan. En terwijl hij achteloos de snaren van zijn gitaar aanslaat, gaat hij toonloos voort: "Ha! Va! Ha-va! Ha-va-na! Havah Nagilah. Yodeleihoo!" Een duidelijke parodie op de Hebreewse folk songs gebracht door folkzangers als Theodore Bikel en The Weavers als onderdeel van hun vaag linkse ethnische repertoire.

 

Daarna werd teruggekeerd naar ‘Sally Gal’. Dylan nam nog eens twee takes op, waarvan de eerste, take 4, terug te vinden is op The Freewheelin’ Outtakes als track 14.

 

Vervolgens werd ‘Baby, Please Don't Go’ van Big Joe Williams aangepakt. Drie takes waarvan de middelste afgebroken werd. Eén van de andere is de openingstrack van de bootleg.

 

En ook ‘Milk Cow's Calf's Blues’ is een echt bluesnummer. Dylan zingt het echter alsof hij gelijktijdig Elvis Prseley en de auteur Kokomo Arnold wil imiteren. Na twee valse starts volgde een volledige versie. Die prijkt als track 7 op de bootleg.

 

Twee takes van  de traditional ‘Wichita (Going To Louisiana)’ worden gescheiden door drie takes van ‘Talking Bear Mountain Picnic Massacre Blues’. De enige volledige versie van deze talking blues, take 3  wordt uitgebracht op The Bootleg Series 1-3.
Beide versies van ‘Wichita’ staan op de bootleg The Freewheelin’ Outtakes, respectievelijk als tracks 22 en 13.

Hij had dat nummer begin maart ook al eens opgenomen, maar dan als begeleider van Victoria Spivey. Samen met gitarist Big Joe Williams  hadden hij toen de 55-jarige zwarte zangeres begeleid op vier songs voor haar album Three Kings And A Queen. 

Om de sessie af te sluiten probeerde Dylan ‘Milk Cow's Calf's Blues’ nog eens op band te zetten – take 4.  Deze keer voegt hij een strofe van Leadbelly’s ‘Good Morning Blues’ toe. Deze opname staat ook op de Vigotone bootleg, als track 21.

 

Merkwaardig genoeg is ‘Blowin’ In The Wind’ niet aan bod gekomen tijdens deze twee dagen van opnamen. Dylan had het nummer nochtans al klaar, want Pete Seeger speelde het de dag voor de eerste sessie, in Gerde's Folk City, nadat Bob hem de akkoorden had geleerd, vlak voor het optreden. Bob had het nummer in enkele minuten gecomponeerd, in een café tegenover de Gaslight. De melodie leek griezelig veel op die van de negerspiritual ‘No More Auction Block’. Het lenen van melodieën en zelfs teksten maakte echter deel uit van de folktraditie en was dus volstrekt acceptabel. De kritiek op de retorische tekst was hardnekkiger. De indringende vragen, leken geen verband met elkaar te houden en werden dan nog enkel beantwoordt met de dooddoener dat het antwoord “in de lucht hing”.

De verklaring over het ontbreken tijdens deze sessies ligt misschien in het feit dat Dylan zelf ook zijn twijfels had over het nummer. “ I was nooit tevreden over ‘Blowin’ In The Wind’. Ik schreef dat in 10 minuutjes.”  Albert Grossman dacht daar anders over. Hij was een 35-jarige zakenman die begrepen had dat er als manager geld te rapen viel in de muziekbusiness. Hij zag wel wat in de composities van Bob Dylan. Voor een bescheiden bedrag in contanten en het gebruik van een ruimte in zijn New Yorkse kantoor, nam hij de jonge zanger over diens manager Roy Silver. Het was de beste transactie uit Grossmans leven. In ruil voor 10 000 dollar en een kantoortje, legde hij een klant vast die hem multimiljonair zou maken. Grossman had een medogenloos gevoel voor zaken en een wereldwijsheid die die jongen niet bezat. Samen vormden de artiest en de manager een machtige combinatie.  bobsuzeglassesOok Dylan’s vriendinnetje Suze kreeg een kans om zich te ontwikkelen. Haar moeder stelde haar voor om enkele maanden aan de universiteit van Perugia te gaan studeren. Als schilder was dat een unieke kans om in Italië kennis te gaan maken met de grote werken uit de Renaissance. Bob wilde niet dat Suze zou vertrekken, maar op 8 juni stapte ze op de boot naar Europa. Ze grijpt de kans ook aan om onder zijn verstikkende greep uit te komen. "Er is iets wat ik in hem zie, waar ik niet van hou: negatief, pessimistisch. Maar van de andere kant is hij ook levendig, zozeer zelfs dat het angstaanjagend wordt. En dan heeft hij ook nog een grappige kant. Daarom moest ik van hem weg." Bob bleef achter, machteloos en wanhopig. Hij schreef brieven, telefoneerde en kreeg steeds meer het gevoel dat Suze weinig zin had om met hem te praten.  Als reactie op haar vertrek componeerde Bob ‘Tomorrow Is A Long Time’. Ziek van liefde kon hij niet slapen zonder haar hart naast zich te horen slaan. Hij kon zijn mond niet opendoen zonder zijn ellende uit te schreeuwen. De pracht van de natuur deed hem niets en voor hem strekte zich een eindeloze snelweg van eenzaamheid uit.  Dat nummer was veel rijper dan het andere werk dat hij tot nu toe had geschreven. Hij was omgetoverd in een groot songschrijver. Nu de metamorfose voltooid was, vil hij niet meer te stoppen. Hij begon overal en altijd te schrijven.   Aan het einde van de maand reisde hij naar Montreal, waar hij enkele dagen optrad in The Potpourri. Een optreden van bijna een uur, opgenomen op 2 juli in de Finjan Club in Montreal circuleert als de Cananda Party Tape. De elf nummers zijn een mengeling van bluescovers en enkele eigen nummers. Uit de hele tape spreekt vooral de grote indruk die Robert Johnson  op hem gemaakt had. Einde 1961 was The King Of The Delta Blues Singers uitgebracht door Columbia.  Ongetwijfeld had Hammond hem daarvan een exemplaar bezorgd. De afwezigheid van Suze en alle woede en verlangens die dat bij de jonge zanger oproepen vond hij terug in dat soort muziek. Met zoveel emoties is het niet verwonderlijk dat Dylan er over dacht zijn tweede LP Bob Dylan’s Blues te noemen. Inmiddels had hij ook afstand genomen van zijn eerste album. In een interview met Edwin Miller voor het blad Seventeen, melde hij: “dat is niet waar ik voor sta.". Weer terug in New York, trokken, na een onderbreking van iets meer dan een maand, Bob Dylan en John Hammond op maandag 9 juli, voor een derde keer de studio in, om nog eens zeven nummers op te nemen voor die tweede plaat. De toon werd meteen bij aanvang gezet: ‘Baby, I'm In The Mood For You’. Na een valse start volgen twee volledige versies. Take 3verschijnt jaren later op Biograph. Take 2, of take 4, later in de sessie opgenomen, staat als track 24 op de bootleg The Freewheelin’ Outtakes. Het “titelnummer” ‘Bob Dylan's Blues’ staat er in één keer op. Dan volgen drie takes van ‘Blowin' In The Wind’ en één van ‘Quit Your Low Down Ways‘. Dat laatste nummer , waarin hij de afvallige vrouw terechtwijst, wordt pas in 1991 uitgebracht op The Bootleg Series (Rare & Unreleased) 1961-1991. De bluesnummers ‘Honey, Just Allow Me One More Chance’ en ‘Down The Highway’ zitten meteen goed. Terwijl dat laatste een bewerking is van Robert Johnsons ‘Crossroad Blues’ is, zijn voor het zowel de titel als het thema ontleend aan Henry Thomas, gelijknamige nummer, zodat Dylan er later toe gedwongen wordt zijn auteursschap te delen.  Dylan leeft zich helemaal in in zijn rol als blueszanger, op ‘Worried Blues’. Voor deze cover van Hally Wood heeft hij twee takes nodig. De beste daarvan, take 2, blijft ook liggen tot The Bootleg Series (Rare & Unreleased) 1961-1991. De sessie wordt afgerond met enkele hernemingen: take 4 van ‘Baby, I'm In The Mood For You’ en takes 2 en 3 van ‘Bob Dylan's Blues’.  Van deze derde sessie worden vier nummers geselecteerd voor de LP: ‘Blowin' In The Wind’, ‘Bob Dylan's Blues’, ‘Honey, Just Allow Me One More Chance’ en ‘Down The Highway’. Drie daarvan zijn eerste takes!Uit zowat elk nummer blijkt dat hij er stilaan in slaagt om zijn bronnen te overstijgen. Veel meer dan vroeger ontleent hij aan de blues de vorm en enkele beelden, waarmee hij dan zijn eigen gedachten tot uitdrukking kan brengen.  Vier dagen na deze sessie, tekent Bob Dylan een contract met de muziek uitgeverij M. Witmark & Sons. Grossman had korte tijd daarvoor van de uitgeverij een fonds van 100 000 dollar gekregen om liedjesschrijvers mee aan te trekken. Hij besloot een deel van dat geld te gebruiken om Bob van Duchess Music naar witmark over te hevelen. Grossman gaf Dylan daarvan 1 000 dollar en raadde hem aan daarmee het voorschot terug te betalen dat hij van Duchess had gekregen. Bob deed wat hem gezegd was en werd geheel naar wens verlost van zijn contract. Daarna tekende hij bij M. Witmark & Sons – in feite voor niets – en kwam vanaf dat moment naar hun pad aan Madison Avenue om er demo’s op te nemen van zijn nieuwe nummers.  Op 30 juli werd het auteursrecht voor ‘Blowin' In The Wind’, de song die de hoeksteen was van Bobs carrière en de katalysator van de singer-songwriter-revolutie, vastgelegd bij M. Witmark & Sons. Diezelfde dag ondertekende Grossman een geheime overeenkomst: Witmark garandeerde Grossman 50% van alle inkomsten die iedere songwriter die door Grossman bij hun firma was aangebracht.  Enkele dagen later, op 2 augustus, liet Robert Allen Zimmerman, op aanraden van Grossman, bij het Hooggerechtshof in New York, zijn naam officieel veranderen in Robert Dylan. Nu de opnamen achter de rug zijn en het contract met Wittmark getekend, kan Dylan met een gerust gemoed nog eens een bezoekje gaan brengen aan Minneapolis. Hij hoopt dat de vertrouwde omgeving, de vrienden en zijn familie hem Suze even kunnen doen vergeten.  Op 11 augustus werd daar door Tony Glover een optreden van een half uurtje opgenomen, de zogeheten Minnesota Home Tape. Dat optreden vond plaats op een privé feestje in het huis Dave Whitaker.Voor één van de nummers vertelt hij: “Mijn meisje is nu in Europa. Ze is er met de boot naartoe gevaren. Ze zal terugzijn tegen de eerste september en tot dan, keer ik niet terug naar huis.” Vanuit Minneapolis belde hij Dave Van Ronk een keer midden in de nacht op, huilend en jammerend dat hij Suze terugwilde.  Wanneer hij  echter terug keerde naar New York vond hij daar bericht van Suze dat ze besloten had voor onbepaalde tijd in Italië te blijven.  De ontreddering zette Bob aan tot een sprong in de ontwikkeling van zijn schrijverschap met als resultaat één van zijn beste songs over relaties: ‘Don’t Think Twice, It’s Alright’. Het was te dubbelzinnig om een eenvoudig liefdesliedje genoemd te worden. Het was tegelijkertijd een verlangen naar en een afwijzing van het voorwerp van zijn genegenheid. Hij gaf zijn geliefde alles, zelfs zijn hart, maar ze verlangde zijn ziel. Het was verspilling van zijn kostbare tijd, maar ze hoefde zich niet te bedenken, het was in orde.  Nauwelijks terug in New York, tekenden Dylan en Grossman, op 30 augustus, een managemenstovereenkomst. Grossman werd daardoor voor vier jaar Bobs exclusieve manager, met een optie om het contract met drie jaar te verlengen. De exclusiviteit was echter eenzijdig: Bob was voor 100% cliënt van Grossman, maar die kon ook andere acts onder zijn beheer nemen. Grossman had recht op een basishonorarium van 20% van Bobs inkomen, maar daarbovenop kreeg hij nog eens 25% van de bruto omzet uit de platenverkoop. Dat was meer dan het dubbel van wat gebruikelijk was.  Terwijl Dylan zich wentelde in zijn verdriet, rolde Amerika, in de zomer van 1962, een periode in van enorme opschudding en maatschappelijke veranderingen. Martin Luther King werd gevangen gezet in Albany, Georgia, terwijl de strijd voor burgerrechten in kracht toenam. In september werden er Russische raketten ontdekt op het communistisch geregeerde eiland Cuba, op schootsafstand van de VS. Een derde wereldoorlog leek slechts een kwestie van dagen of weken.  Bob was op een leeftijd waarop hij voor militaire dienst kon worden opgeroepen en de paniek was voelbaar. Als eractie typte hij “een lied van wanhoop… een lied van verschrikking”: ‘A Hard Rain’s Gonna Fall’. De strofen vulden zich met de angst van de schrijver. “Ik schreef het ten tijde van de Cubaanse crisis. Ik was in Bleecher Street in New York. We hingen daar wat rond, rond middernacht – mensen vroegen zich af of het einde der tijden naderde. Ik ook trouwens. Iedereen vroeg zich af of we de middag van de volgende dag zouden halen. … Het nummer werd geboren uit wanhoop. Wat konden we doen? Konden we de mannen tegenhouden die ons zouden wegvegen? De woorden kwamen snel, zeer snel. Het was een lied vol terreur. Regel na regel na regel, trachtend dat gevoel van leegte te vatten.“Voor het rijmpatroon en de melodie baseerde hij zich op de Kinderballade ‘Lord Randall’. Toen het lied af was, rukte hij het papier uit de typmachine en rende naar de Gaslight om het te vertolken. Het was meteen een sensatie. Bob was de artiest die de tijdsgeest in een lied had weten te vangen. Andere zangers vroegen meteen de akkoorden om het zelf ook te kunnen verspreiden.  Kort na de rakettencrisis brachten Dave en Gretel Whitaker een bezoek aan New York. In de middag van 22 september ontmoetten ze Bob in de Village. Het was bewolkt, maar Bob droeg een zonnebril. “Bobby, waarom heb je je zonnebril op?” vroeg Gretel.
”Dan wordt ik niet herkend.” antwoordde hij.

Gretel dacht dat hij gek geworden was. Ze kochten broodjes en gingen naar Bobs flat. Onder het eten vertelde hij zijn vrienden dat hij die avond op zou treden in Carnegie Hall. Het was de jaarlijkse hootenanny van Sign Out!, georganiseerd door Pete Seeger. Bob zei dat het uitverkocht was, maar dat hij wel pasjes kon regelen.

De Whitakers gingen naar het concert en amuseerden zich tijdens de verschillende optredens. Wanneer Pete Seeger Bob Dylan aankondigde waren ze verbaasd over de verandering die hij heeft ondergaan. “Hij liep het podium op en werd enorm toegejuicht. Een enorm gejuich!” De verafgoding was begonnen.Hoewel alle anderen slechts tien minuten mogen optreden, bestaat Dylan’s set uit vijf nummers. ‘Sally Gal’ en ‘Highway 51’ dienen als opwarmers, maar dan volgen ‘Talking John Birch Paranoid Blues’, het debuut van ‘Ballad Of Hollis Brown’ en als slotstuk, ‘A Hard Rain's A-Gonna Fall’. Een ander optreden, een "Travelin' Hootenanny" show, op 5 oktober in de Town Hall, waarbij Dylan als hoofact optreedt, wordt enthousiast besproken door de criticus Robert Shelton. Hoe Dylan in deze periode klinkt, kan het best worden beluisterd op de Gaslight Tapes. Van deze mono opname worden een aantal nummers officieel uitgebracht: ‘No More Auction Block’ staat in 1991 op The Bootleg Series, 1961-1991 en ‘Handsome Molly’ verschijnt, tien jaar later, op de exclusief voor de Japan gemaakte cd Bob Dylan Live – 1961 – 2001. Bobs foto stond op het omslag van het herfstnummer van Sing Out!, het belangrijkste tijdschrift van de folkmuziek. Hij zag eruit als James Dean, trekkend aan een sigaret. In het nummer stond de tekst van, ‘Blowin’ In The Wind’ afgedrukt. In weerwil van zijn zelfbewuste gedrag van de laatste maanden, was Bob in het interview met Gil Turner opmerkelijk bescheiden waaar het zijn nieuwe nummers betrof. “Die liedjes zijn er. Ze bestaan al en wachten erop tot iemand ze opschrijft. Ik heb ze alleen maar opgeschreven. Als ik het niet had gedaan, had iemand anders het wel gedaan.”  Turner merkt droogjes op dat Dylan “de melodie meestal heeft geleend of aangepast van iets dat hij ergens heeft gehoord, meestal een traditioneel nummer.” Zodra Albert Grossman Bobs manager werd, begon hij een uitputtingsoorlog tegen Columbia Records. Hij zou Dylan veel liever bij Warner Brothers onderbrengen, waar ook zijn andere artiesten Odetta en Peter, Paul and Mary een contract hadden. Maar vooral wilde hij hem onder de invloed van Hammond uit halen. Dus was zijn eerste klacht dat Columbia niet genoeg haar best deed om zijn artiest aan de man te brengen. Deels om die reden vroeg hij advocaat David Braun Columbia een ongeldigheidsverklaring te sturen: Bob was nog geen 21 jaar toen hij het contract tekende. Grossman wilde onderhandelen.John Hammond was woest omdat zijn beschermeling hem zo te schande maakte. Hij riep Bob bij zich op zijn kantoor en haalde hem over – nu hij volwassen was – een herbevestiging te tekenen waarin onderstreept werd dat het originele contract van kracht bleef. Dat maakte Grossman en Braun weer kwaad. “Ik vond het een schending van de ethische regels aangezien meneer Dylan door een advocaat werd vertegenwoordigd toen de ongeldigheidsverklaring werd ingestuurd, maar men geen contact met ons opnam toen de herbevestiging werd getekend,” aldus Braun. Het gesteggel met Columbia had wel het nodige effect: “Vanaf dat moment veranderde hun houding ten opzichte van Bob en begonnen ze reclame te maken voor zijn platen,” aldus Brown.  Dylan was helemaal te vinden voor een voorstel van Hammond: een single uit brengen, en waarom dan niet een bluesnummer, met begeleiding van een stevige band. Enthousiast trok Bob Dylan op vrijdag 26 oktober voor het eerst met een band de studio in. Pianist Dick Wellstood, gitaristen Bruce Langhorne en Howie Collins, bassist Leonard Gaskin en drummer Herb Lovelle hielpen hem om stomende versies van drie nummers op band te zetten. Als eerste vatten ze ‘Corrina Corrina’ nog eens bij de kraag. Van de zes takes raakten slechts de helft tot aan het einde. Take 4 is de beste en deze werd gekozen voor de single (en staat ook op The Freewheelin' Bob Dylan Outtakes, als track 20).Een andere kandidaat voor de b-kant was het van Elvis Presley bekende ‘That's All Right Mama’. De a-kant zou beslist gaan naar het zelfgeschreven ‘Mixed-Up Confusion’. Daarvan werden vier takes geprobeerd, voor en na vijf takes van het nummer van Arthur Crudup. Take 1 daarvan staat als track 8 op The Freewheelin' Bob Dylan Outtakes. Van ‘Mixed-Up Confusion’ zijn daarop twee versies te vinden: tracks 16 en 19.

Na drie uur werd de sessies afgesloten met nog een laatste ‘Corrina Corrina’. Bij deze versie had Dylan een hele strofe van Robert Johnsons ‘Stones In My Passway’ ingelast. Deze opname werd later uitgekozen om te worden uitgebracht op de LP The Freewheelin’ Bob Dylan.

 Donderdag 1 november stond hij terug in de studio, met de band. Met tweede gitarist George Barnes in plaats van Howie Collins werden nog eens zes takes geprobeerd van ‘Mixed-Up Confusion’.  De enige take van ‘That's All Right Mama’ is als track 18 terug te vinden op de Vigotone bootleg. Een tenslotte volgen nog twee takes van ‘Rocks And Gravel’. De eerste daarvan wordt weerhouden voor The Freewheelin' Bob Dylan (en staat ook als track 17 op de bootleg).  Grossman besloot zich van Hammond te ontdoen. Groter verschil dan tussen die twee leek niet mogelijk. Hammond was een keurige blanke, esthetisch aangelegde Amerikaan die tijdens opnamesessies met zijn benen op tafel heel ontspannen The New Yorker zat te lezen; Grossman een joodse ondernemer met een duister verleden die sjoemelde om miljonair te worden. Maar het zou niet eenvoudig zijn om  van Hammond af te raken. Bij Columbia was hij een levende legende en hij was getrouwd met de zus van de voorzitter van de raad van bestuur. Dus besloot Grossman het leven van de producer zo zuur te maken dat hij wel moest vertrekken.  John Hammond vertelt: “Terwijl we zijn tweede plaat aan het opnemen waren, kwam hij naar me toe en vroeg me of ik Albert Grossman kende. Hij vertelde dat Grossman hem wilde onder contract nemen en wat ik dacht. Ik zei dat we samen in de raad van beheer gezeten hadden van het Newport festival en dat ik dacht dat we wel zouden kunnen samenwerken. Ik merkte later dat dat niet kon…. Grossman’s eerste voorstel was om Dylan te koppelen aan een Dixieland band!”  Dat gebeurde tijdens de derde sessie met de band, op woensdag 14 november. Ze hadden die dag al een vijftiental  15 takes van ‘Mixed Up Confusion’ opgenomen, toen Grossman met zijn voorstel op de proppen kwam.  Naar verluidt, raakte Bob zo gefrustreerd dat hij wegliep. Gelukkig stonden er op dat moment al enkele geslaagde pogingen op band: take 10 wordt later uitgebracht op Biograph en take 13 wordt geselecteerd voor de single.  Uiteindelijk wordt de band bedankt en blijft enkel Bruce Langhorne nog enkele akoestische nummers op te nemen.Dylan keerde terug om het prachtige ‘Don't Think Twice, It's All Right’ in één keer op te nemen. Het uitstekende gitaarspel is niet van Dylan, maar van Langhorne. Die is ook te horen op ‘Ballad Of Hollis Brown’ (track 12 op de bootleg) en de traditional ‘Kingsport Town’ (op The Bootleg Series 1-3). Beide nummers hadden elk twee pogingen nodig, nadat de eerste telkens afgebroken werd. Tenslotte werd nog een laatste bluesnummer ‘Whatcha Gonna Do’  (track 23 op de bootleg) opgenomen, ook met beide gitaristen samen. Toch vond er op donderdag 6 december nog een zevende en laatste sessie met Hammond plaats. Er werd teruggekeerd naar het akoestische formaat van de eerste opnamen. Die sessie verliep heel wat vlotter: op een uurtje tijd werden vijf nummers opgenomen. Als eerste werd ‘Hero Blues’ opgenomen, in één take. Dat geldt ook voor een akoestische versie van  ‘Whatcha Gonna Do’ die terug te vinden is als track 15 van The Freewheelin’ Bob Dylan Outtakes.En ook ‘Oxford Town’ stond er in één keer op. Aan het eind merkte Hammond verbaasd op: “Zeg me niet dat het gedaan is!”Aan ‘I Shall Be Free’ was meer werk: vijf takes, waarvan enkel de tweede en de laatste het einde halen. Take 2 wordt als beste aangeduid. Dan worden nog eens drie takes van ‘Hero Blues’ geprobeerd, waarna de sessie wordt afgesloten met ‘A Hard Rain's A-Gonna Fall’ dat er in één keer opstaat. Een hele prestatie – ook als peelt hij het nummer ondertussen al enkele maanden. Waarcshijnlijk tijdens deze sessie kwam het tot een serieuze aanvaring tussen John Hammond en John Court, Grossmans partner. Court verwijt Hammond dat hij gewoon de banden laat lopen en geen aanwijzingen geeft. Hammond verliest ten slotte zijn geduld en stuurt hem de studio uit. Naast zijn opnamen voor Columbia, nam Dylan in de laatste maanden van 1962 ook nog zes nummers op in het kantoor van Broadside, zodat die de teksten konden publiceren in hun blaadje: I'd Hate To Be You On That Dreadful Day’, ‘Oxford Town’, ‘Paths Of Victory’, ‘Walkin' Down The Line’ en ‘Playboys And Playgirls’. Practisch allemaal protestsongs, waarvan de meesten nooit door hem zouden worden opgenomen voor Columbia. De demo van ‘Tomorrow Is A Long Time’ wordt later uitgebracht op The Genuine Bootleg Series, Vol. 1En ook voor Witmark neemt hij een achttal demo’s op. Het geeft aan in welk tempo de nummers uit zijn pen vloeiden.   Op 14 december werd de sprankelende opname van ‘Mixed Up Confusion’ uitgebracht als Bobs eerste single. Het klonk als een nummer van Elvis Presley – en flopte. COL. 4-42656’Mixed Up Confusion’/Corrina Corrina’ werd al snel terug ingetrokken door CBS. Nu de opnamen klaar waren, Suze in Italië en de Kerstvakantie voor de deur, greep Bob een uitnodiging aan om alles achter zich te laten en naar Engeland te vliegen voor een rol in een toneelstuk dat op de Britse televisie zou komen. Dit onwaarschijnlijke idee was opgekomen bij de Britse regisseur Philip Saville toen hij Bob had zien optreden in Greenwich Village.  Hij vond dat Bob geknipt was voor de van anarchistische student in Madhouse On Caste Street. Dylan zag er een uitstekende gelegenheid in om uit eerste hand kennis te maken met de oorsprong van de folk muziek.  Hij vertrok dan ook al op de 18de , om zo veel tijd te kunnen doorbrengen in de Londense folkclubs als de Troubadour, de King and Queen en de Singer’s Club. Daar trad hij op 22 december op. De oudere artiesten daar waren Ewan MacColl (auteur van ‘Dirty Old Town’ en ‘The First Time Ever I See Your Face’) en zijn vrouw Peggy Seeger (halfzuster van Pete). Het waren allebei erg principiële traditionalisten die Bob weinig vriendelijk ontvingen.  Bob knoopte een vriendelijker contact aan met folkzanger Martin Carthy, van wie hij Engelse tradionals als ‘Scarborough Fair’ en ‘Lady Franklin’s Lament’ leerde. Wanneer zijn geld opraakt mag hij bij de Carthy’s thuis slapen. Via Martin Carthy maakt hij ook kennis met andere zangers als Bob Davenport en Nigel Denver. Die leert hem Domonic Behan’s ‘The Patriot Game’ dat Dylan verwerkt tot ‘With God On Our Side’. Bob houdt zijn oren goed open en neemt al die melodieën in zich op als een spons.Doordat hij zijn zelf gschreven nummers wil spelen in de clubs waar enkel de originele folksongs worden geduld, komt hij al snel in aanvaring met traditionalisten als Ewan MacColl en Nigel Denver. Wanneer hij Kirsty MacColl, zo’n 23 jaar later ontmoet weet hij het nog altijd: "Jouw vader vond me maar niks."  Op de voorlaatste dag van het jaar gaan de opnamen voor het BBC stuk van start. "We merkten al snel dat hij zijn tekst niet kon onthouden. Hij wou zijn tekst zelf  verzinnen" herinnert Philip Saville zich. Bovendien was hij erg slordig in zijn afspraken, kwam te laat voor repetities en muisde er regelmatig van onder om wat te gaan roken. Ten slotte moest een andere acteur worden ingehuurd om de lange anarchistische toespraken af te steken en werd Bobs rol ingekort tot het zingen van enkele nummers.  De opnamen worden de vierde januari afgerond, waarna Bob naar Rome vloog om er Grossman op te zoeken die er met Odetta op tournee was. Maar eigenlijk was het Suze die hij zocht. Ironisch genoeg was die de 13de december terug op de boot gestapt om vijf dagen later voet aan wal te zetten in New York. Net op het moment dat Dylan de andere kant uit vloog.  Tijdens zijn verblijf in Rome schreef hij twee van zijn mooiste liefdesliedjes, waarbij hij voor beide nummers vrijelijk gebruik van de melodie van ‘Scarborough Fair’. ‘Boots Of Spanish Leather’ ging duidelijk over Suze, maar het onderwerp van ‘Girl Of The North Country’ was een mengeling van alle verloren liefjes waarnaar hij terug verlangde: zowel Suze, als Echo Hellstrom en Bonnie Beecher. Want hoewel Bob Suze beslist miste, had hij andere flirts niet afgezworen. Hij was een romanticus, gek op vrouwen. Vrouwen, van hun kant, vonden hem erg charmant, waardoor hij een onverbeterlijke versierder werd.  Bob vloog op 12 januari terug naar Londen en nam twee dagen later deel aan een dronken sessie met zijn vrienden Eric von Schmidt en Richard Farina, die in de kelder van een platenwinkel aan Charing Cross Road een plaat opnamen. Bob dook op met een tas vol flessen Guinness. Later op die avond was hij in de Troubadour zo dronken dat hij bijna van het podium viel.  

De zestiende vliegt hij terug naar New York, waar hij eindelijk terug wordt herenigd met Suze. Hij slaagt er zelfs in haar te overtuigen terug het appartement te delen met hem, hoewel ze zelf eerder een LAT-relatie verkoos.

Ze merkte al snel dat ze terug in de benauwde relatie terecht kwam die ze meer dan een halfjaar lang ontvlucht was. “Toen ik uit Italië  terugkwam, was ik omringd door allemaal mensen die ik niet kende, maar die wel in mijn privéleven binnendrongen.” 

 Ondanks haar vrees om door Bobs roem te worden verstikt, ging Suze ermee akkoord met hem te poseren voor de hoes van Freewheelin’. Het beeld van Suze die zich tegen Bobs schouder aanvleit terwijl ze in het late licht van een winterse namiddag over de besneeuwde straatstenen van Greenwich Village ploeterden, werd een van de meest gedenkwaardige hoezen van de jaren zestig. “Misschien zou niemand ooit hebben begrepen waar die nummers over gaan als die hoes (van Don Hunstein) er niet omheen gezeten had,” vertelt ze. “Weet je, het verhaal zit in de liedjes. Ieder nummer dat hij ooit over mij heeft geschreven. Het zit er allemaal in.” Om terug op een goed blaadje te komen bij Suze begon hij weer protestsongs te schrijven. Zo werd ‘Nottamun Town’, dat hij in Londen had geleerd, bewerkt tot ‘Masters Of War’. Het maakte grote indruk, toen hij het voor het eerst speelde, de maandag na zijn terugkeer, in zijn thuisbasis: in Gerde's Folk City.  broadside ballads

Enkele dagen later neemt hij dat nummer ook op voor Broadside. Twee andere protestnummers, ‘Only A Hobo’ en ‘John Brown’ worden door het tijdschrift uitgebracht op de plaat Broadside Ballads. Op deze Folkways LP, uitgebracht in de zomer van 1963, staan ook ‘Talkin’ Devil’ en Happy Traum’s versie van ‘Let Me Die In My Footsteps’ met Dylan als backing zanger.

Op 8 februari wordt de zogenaamde "Banjo Tape" opgenomen in de kelder van Gerde's Folk City. Bob Dylan wordt daarop begeleid door Happy Traum (op banjo). Van de twaalf songs worden er later drie uitgebracht op één van de eerste bootlegs, A Rare Batch Of Little White Wonder: ‘Farewell‘, ‘All Over You‘ en  een cover van ‘Keep Your Hands Off Her van Huddie "Leadbelly" Leadbetter. Ter promotie voor de op handen zijnde plaat geeft Dylan in februari een interview aan Nat Hentoff voor Playboy. Als wederdienst schrijft die de liner notes voor de achterzijde van de LP.  Van de in maart, in de kantoren van Witmark Music opgenomen demo’s, wordt ‘Walkin' Down The Line’ uitgebracht op The Bootleg Series, 1961-1991, terwijl ‘Farewell’ en ‘Long Time Gone’ te horen zijn op The Genuine Bootleg Series. En ook in april nam hij weer een viertal demo’s op voor  Witmark: ‘I Shall Be Free’, ‘Bob Dylan's Blues’, ‘Bob Dylan's Dream’ en ‘Boots Of Spanish Leather’. Op 12 april 1963 vond Dylans eerste belangrijke soloconcert plaats in de Town Hall in New York. Hoewel de 900 plaatsen niet uitverkocht waren, was het optreden een groot succes. Zeker voor iemand van wie de doorbraak LP nog moest uitkomen, het debuut was gezonken als een baksteen en die achttien maanden eerder nog geen vijftig man bij elkaar kreeg voor een Carnegie Hall Recital. Opvallend is dat vrijwel alle nummers eigen composities zijn en dat slechts een handvol daarvan zouden verschijnen op zijn op handen zijnde plaat. Een van die nieuwe is ‘With God On Our Side’. Zoals altijd tegendraads, brengt hij geen enkel nummer van zijn eerste plaat, laat ‘Blowin’ In The Wind’ achterwege  en sluit af met een lang gedicht, ‘Last Thoughts On Woody Guthrie’. Het was een eerbetoon aan zijn held, maar ook een symbolisch afscheid  slot van het hoofdstuk uit zijn leven waarin Guthrie zijn gedachten beheerst had.

Zijn zelfvertrouwen, dat er al sinds zijn optredens met schoolbandjes was geweest, ging nu gepaard met een volwassen podiumact en een goede eigen songs. Het was opeens reuze opwindend om hem zo op het podium te zien staan.  

 

bobdylaninconcert
 Het concert werd door Columbia opgenomen voor een mogelijke live-LP, mocht Dylan wat om materiaal verlegen zitten. De live plaat werd onder de titel, Bob Dylan In Concert voorbereid voor Kerstmis 1964.  De acetate bevat een mengeling van opnamen van het Town Hall concert (*) met latere opnamen van het concert in Carnegie Hall, op 26 oktober 26 1963 

  • Last Thoughts On Woody Guthrie *
  • Lay Down Your Weary Tune
  • Dusty Old Fairgrounds *
  • John Brown *
  • When the Ship Comes In
  • Who Killed Davey Moore?
  • Percy's Song
  • Bob Dylan's New Orleans Rag *
  • Seven Curses

Al verschenen er wel enkele uittreksels op compilaties: ‘Tomorrow Is A Long Time’ prijkt in 1972 op Greatest Hits Vol. 2. Deze versie was ongetwijfeld het hoogtepunt van het optreden. Vlak voor hij op moest had hij een stevig ruzie met Suze en hij bracht het tedere liefdeslied dan ook als een verontschuldiging voor haar.
 Verder verschenen ‘Who Killed Davey Moore?’ en  het lange gedicht ‘Last Thoughts On Woody Guthrie’ op The Bootleg Series Volumes 1-3 en het nog steeds officieel onuitgegeven ‘Hiding Too Long’ is terug te vinden op The Genuine Bootleg Series, Vol. 1. Het concert kreeg veel aandacht in de plaatselijke pers, met verslagen in Billboard, Variety en de New York Times.   Ondertussen waren, begin april, de eerste promotie exemplaren van The Freewheelin' Bob Dylan verstuurd naar radiozenders en recensenten aan de Oostkust.
  • Blowin’ In The Wind
  • Rocks And Gravel
  • Let Me Die In My Footsteps
  • Down the Highway
  • Bob Dylan’s Blues
  • A Hard Rain’s Gonna Fall
  • Gamblin’ Willie’s Dead Man’s Hand
  • Oxford Town
  • Corrina, Corrina
  • Talking John Birch Blues
  • Honey, Just Allow Me One More Chance
  • I Shall Be Free
  • Don’t Think Twice, It’s Alright
Maar de advocaten van Columbia maakten bezwaar. Ze vreesden de John Birch Society voor het hoofd te stoten en eisten dat het nummer van de plaat werd gehaald. Het was Clive Davis, het hoofd van de platenmaatschappij zelf die het nieuws aan Dylan moest uitleggen. John Hammond was daar bij aanwezig. Dylan was woest: “Wat stelt dit voor? Wat bedoel je: de plaat kan niet uitkomen met dat nummer?” Dylan greep de gelegenheid echter aan om de selectie te versterken door enkele recente nummers op te nemen, in plaats van de nummers uit de eerste sessies, die inmiddels een jaar oud waren. Op 24 april 1963 trok hij daarom opnieuw de studio in om vijf nieuwe nummers op te nemen.  Grossman had inmiddels zijn slag thuisgehaald. Hoewel John Hammond officieel nog stond aangegeven als producer, was het in feite Tom Wilson, een 32 jarige zwarte jazz specialist die de leiding had. “Grossman haatte mijn vader,” aldus John Hammond Jr. “Misschien omdat mijn vader niet om het grote geld gaf. En Albert deed alles voor het grote geld.” De aanpassing gaf Dylan de kans te tonen dat hij alle thema’s van de folkmuziek meester was: de herinnering aan een verloren liefde (‘Girl From The North Country’), het verlangen naar het verleden (‘Bob Dylan’s Dream’) of het aan de kaak stellen van de machtigen (‘Masters Of  War’). Zowel ‘Girl From The North Country’ als ‘Masters Of War’ hadden elk zes takes nodig, waarvan de meetsen niet verder raakten dan een valse start. Daartussen werden drie takes van ‘Walls Of Red Wing’ (dat op The Bootleg Series (Rare & Unreleased) 1961-1991 terecht kwam en ‘Bob Dylan’s Dream’ opgenomen.Helemaal centraal in de drie uur durende sessie, stond ‘Talking World War III Blues’, zijn laatste talking blues. Het nummer  werd dan ook speciaal, ter plekke, geschreven om het gewraakte nummer te vervangen – en was trouwens ook veel grappiger. Van de vijf pogingen was alleen de laatste helemaal volledig.  De sessie vond in de voormiddag plaats omdat Dylan de volgende dag al werd hij zo’n 1 500 km verder verwacht, in Chicago. Daar trad hij op in The Bear – een club waar Grossman aandelen in had - en nog een dag later was hij er te gast bij de Studs Terkel Wax Museum show op Chicago WFMT radio. Van de zeven nummers die hij daar brengt zijn er vier nieuwe: ‘Farewell’, ‘Bob Dylan’s Dream’, ‘Who Killed Davey Moore’ en ‘Boots Of Spanish Leather’. In Chicago maakt hij kennis met Victor Maymudes, een medewerker van Grossman die zijn roadmanager zal worden en met de gitarist Michael Bloomfield. Die had zijn eerste plaat gehoord, vond hem maar niks en wou hem eens goed gaan uitlachen. Maar hij vond dat kereltje echt wel grappig en de twee besloten contact te houden.  Van daar trok hij naar Cambridge waar hij twee avonden optreed in het Café Yana in Boston. Hij gaat er ook kijken naar Joan Baez in de Club 47. Baez had hij een jaar eerder al ontmoet in Gerde’s Folk City. Maar toen had hij het te druk met het versieren van haar jongere zusje Mimi, om veel aandacht te hebben voor de “Queen of Folk”. Baez had echter een acetate van Freewheelin’ gekregen en “begon de kracht van de inhoud van de teksten te appreciëren.”

Na haar optreden gaan ze naar het appartement van Sally Schoenfield waar ze een paar plezierige uurtjes doorbrengen.

 Dylan moet terug naar New York, waar hij op 12 mei mag optreden in het druk bekeken en over het hele land uitgezonden TV-programma, de Ed Sullivan Show. Hij grijpt de kans om de confrontatie aan te gaan: hij kiest er voor ‘Talking John Birch Paranoid Blues’ te brengen. Wanneer hem dat zou gelukt zijn, had hij niet alleen de John Birch Society publiekelijk belachelijk hebben gemaakt, maar ook zowel Colulmbia Records als CBS TV te kakken hebben gezet.Tijdens de repetities in de namiddag kreeg echter hij te horen dat hij een ander nummer moest brengen. Zijn antwoord was merkwaardig kalm en afgemeten: “Neen, dit is wat ik wil doen. Als ik mijn nummer niet mag spelen, treedt ik liever niet op.” Hij had het duidelijk zien aankomen."Ik had iets anders kunnen spelen, maar we hadden dat nummer zo dikwijls gerepeteerd en iedreen had het gehoord. Zelfs Ed Sullivan scheen het goed te vinden! Maar net voor ik op moest, kwam er iemand naar me toe en zei dat ik het niet mocht zingen. Ze wilden me een nummer van de Clancy Brothers laten zingen! Dus stapte ik op." Ironisch genoeg deed de controverse over de duidelijke censuur meer goed dan als hij het nummer had gebracht in een TV programma. Nu kwam hij er uit als een rebel en held van de tegencultuur. Zowel de New York Times als Village Voice brachten het verhaal, terwijl Time en Playboy het vermelden in artikels over de folkbeweging. Dylan werd daarbij telkens aangewezen als de meest veelbelovende folkzanger. Hoewel door het Sullivan debacle zijn optreden op de nationale TV was uitgesteld, verscheen Dylan die zomer wel een paar keer op lokale zenders. In speciale folkprogramma’s voor WBTV en WNEW-TV bracht hij respectievelijk twee en drie nummers. Grossman had hem aangeraden om aanbiedingen van New Yorkse clubs af te slaan, hoewel de grotere zalen hem nog niet vroegen.  Als gevolg daarvan beleefde hij een frustrerende periode zonder optredens, wachtend tot de publiciteitsmolen van Columbia langzaam op gang zou komen.  Af en toe een radio-optreden hield hem scherp, maar het waren slechts bliepjes in Grossmans grote plan.  De week na de Ed Sullivan Show ontmoet hij Joan Baez opnieuw wanneer hij speelt op het Monterey Folk Festival in Californië. Baez komt er ‘With God On Our Side’ met hem meezingen – een hele eer. Baez is dan op het hoogtepunt van haar roem nadat ze in november op de omslag van Time heeft gestaan. Na het festival reisden Bob en zij langs de kust naar haar huis nabij het pittoreske plaatsje Carmel. “Joan was gek van hem,” volgens haar zus Mimi, “En zij gaf, zoals gewoonlijk, al haar aandacht aan datgene wat haar het meest beviel.”  Bob is nog bij Joan , wanneer op 27 mei The Freewheelin' Bob Dylan wordt uitgebracht.
  • Blowin’ In The Wind
  • Girl From The North Country
  • Masters Of War
  • Down the Highway
  • Bob Dylan’s Blues
  • A Hard Rain’s A-Gonna Fall
  • Don’t Think Twice, It’s Alright
  • Bob Dylan’s Dream
  • Oxford Town
  • Talking War III Blues
  • Corrina, Corrina
  • Honey, Just Allow Me One More Chance
  • I Shall Be Free

Door het toevoegen van de vier nieuwe nummers, ter vervanging van de oudste opnamen, was het Dylan's eerste sterke album geworden, met vijf klassieke nummers.  Het openingsnummer 'Blowin' In The Wind' zou de plaat in zijn eentje al een plek in de muziekgeschiedenis hebben opgeleverd.  De rest van de plaat was vulsel van zeer hoge kwaliteit. Uiteindelijk is het soort 'best of' geworden van één van de creatiefste jaren in zijn carrière. Het bracht een heel pak erkenning voor hem te weeg als songschrijver. Het is dan ook een collectie songs waarop Dylan trots kon zijn en nog steeds is. Tijdens elke tournee na zijn ongeval is hij er nummers uit blijven spelen.   De rijkdom van die periode blijkt ook uit het feit dat, naast de 37 (!) nummers die hij heeft opgenomen voor Columbia, er bovendien nog een tiental zijn die hij enkel ten behoeve van de muziekuitgeverij Witmark of het blad Broadside op band heeft gezet: 'Ballad For A Friend', 'Tomorrow Is A Long Time', 'Long Ago Far Away', 'John Brown', 'Long Time Gone'....   Achteraf kreeg Dylan last met enkele mensen die meenden dat de zanger wel erg vrijelijk gebruik had gemaakt van hun arrangementen van de traditionele melodieën. De oude folkznageres Jean Ritchie kreeg 5 000 dollar om alle eisen omtrent 'Masters Of War' van tafel te vegen en Henry Thomas kreeg mede-auteurschap toegekend. Dylan zou niet leren van zijn fouten want in de jaren negentig zou hij het nog eens aandurven om op World Gone Wrong voor alle nummers zich er van af te maken met "Traditional - arranged by Bob Dylan".     Grossman slaat toe Nu werd het tijd voor Grossman om zijn grote slag te slaan. Als één van zijn andere acts een hit scoorden met een Dylan-Witmark song, zou hij daar vier keer aan verdienen. Tel maar na: hij ontving voor beide acts een honorarium als manager; plus 25% van de opnamerechten van zijn act bij de platenmaatschappij, plus 50% van de inkomsten van Witmark voor de publicatie van een Dylansong.  Dus namen Peter, Paul en Mary een zoetige, melodieuze versie op van 'Blowin' In The Wind', keurig driestemmig gezongen. Al in de eerste week na het uitkomen van de plaat werden er onwaarschijnlijk veel exemplaren van verkocht: 300 000.  Op 13 juli 1963 bereikte de single de nummer twee in de Billboard-lijst met een verkoop van meer dan een miljoen. Peter Yarrow vertelde Bob dat misschien wel 5 000 dollar aan auteursrechten zou ontvangen. Bob stond perplex; het leek wel een fortuin. Maar het was Grossman die er echt rijk mee werd.   De breuk met Suze Eind mei was Bob inmiddels terug gevlogen naar New York en naar Suze.  Het duurde echter niet lang  voor de geruchten over zijn romance met Baez  haar bereikten. Mochten er nog twijfels zijn, dan werden die weggenomen tijdens het optreden op het Newport Folk Festival, in het derde weekend van juli. Met Peter, Paul and Mary's versie van 'Blowin' In The Wind' als hoogtepunt van de zondagavond, kreeg Dylan natuurlijk veel aandacht. Hoewel hij met Suze naar daar was gereisd trad hij twee keer met Baez op: eens tijdens zijn set en eens tijdens de hare.  Hoewel Baez wel moest geweten hebben wie Suze was (ze stonden immers samen op de hoes - arm in arm), kon ze het niet nalaten 'Don't Think Twice' aan te kondigen als: "Een nummer van Bob Dylan... maar het enige waartegen hij hierin protesteert, is een relatie die al te lang heeft geduurd." Suze liep weg en kon haar tranen maar moeilijk bedwingen.  De omstandigheden zijn niet helemaal duidelijk, maar Suze schijnt korte tijd later een zelfmoordpoging te hebben ondernomen in Bobs appartement. Ze liet het gas openstaan. Op vraag van Bob, komt haar zus Carla haar ter hulp en neemt haar mee naar haar appartement in het zuidoosten van Manhattan  Ze weigerde achteraf nog terug te keren naar Bob.  "Bob liet een spoor van vernieling na," vertelt Carla. "Bobby was in die tijd erg opgefokt."   Op tournee met Baez Mogelijk was de aanleiding Bob mededeling dat hij zou ingaan op de uitnodiging van Baez  om met haar op tournee te gaan, in augustus.   De tournee bestond uit een tiental optredens. In haar autobiografie schreef Baez, misschien wat neerbuigend, dat het een "geweldig experiment" was, om "mijn kleine zwerver het podium op te slepen".  Maar, hoewel Bob Dylan werd gepresenteerd als gast van Joan Baez, had Grossman weten te verkrijgen dat zijn cliënt meer geld kreeg dan de ster.  Baez  bracht 'Blowin' In The Wind', waarna ze de auteur van het nummer aan het publiek voorstelde. Dylan mocht dan een paar nummers solo brengen, waarna ze samen drie of vier van zijn nummers zongen.  Het hoogtepunt van de tournee werd het laatste optreden, in het Forst Hill Stadium in Queens, New York, voor 12 000 toeschouwers.  Ter ondersteuning werd 'Blowin' In The Wind'/'Don't Think Twice, It's All Right' als single uitgebracht. Maar die maakte niet meer veel indruk, na de hitsversie. Zeker niet omdat Peter, Paul and Mary ook een cover van 'Don't Think Twice, It's All Right' uitbrengen als hun volgende single.   Na de tournee brengen Bob en Joan enkele weken door in Grossmans nieuwe huis in Catskill Mountains, een goede 150 km ten noorden van New York, voor ze samen gaan wonen in het huis van Baez in Carmel Valley, Californië.   Tegen die tijd is The Freewheelin' Bob Dylan eindelijk de Billboard LP lijst binnen gekomen. De plaat blijft 32 weken in de hitlijst, met als hoogste notering een 22ste plaats. De verkoop van de plaat kwam traag op gang en het uiteindelijke succes is vooral te danken aan de belangstelling die is gewekt door de vele covers van mensen als Peter, Paul and Mary, Odetta en Joan Baez.  De officiële pers negeerde de plaat en in sommige folkbladen  werd de plaat zelfs ronduit negatief benaderd. Vooral omdat er allemaal eigen nummers op stonden en er dus werd afgeweken van de traditie.