19-05-08

House Of The Rising Sun

Voor Mie : een verzoeknummertje.

decoration

Kentucky - 15 september 1937

In de late zomer van 1937 stopte een oude auto op het pleintje van Noetown, een straatarm mijnwerkersdorpje in het oosten van Kentucky. De wagen zag er versleten uit - geen wonder na een rit op onberijdbare wegen door het gebergte van Kentucky.
Het gebeurde niet vaak dat hier vreemdelingen op bezoek kwamen. De meest nabije verharde weg ligt bijna 50 mijl verder. De nieuwsgierigheid haalde het van de achterdocht van de dorpelingen.
Een jong koppel stapte uit. De man legde uit dat hij Alan Lomax heette. Dat hij uit New York kwam en mensen zocht die oude liedjes zongen. Dat hij en zijn vader, John, authentieke opnamen verzamelen in voor het Archief van de Amerikaanse Folksong voor congresbibliotheek.

Alan had zich vooraf goed geïnformeerd en wist dat er in het huis van Tillman Cadle plaats was om zijn logge apparatuur op te stellen. Zijn Presto "reproducer" liep op een grote, zware batterij. Wanneer alles in gereedheid was gebracht kwamen enkele inwoners één na één zingen voor de machine. Een van hen was Mary Mast Turner, de vrouw van een mijnwerker. Ze had haar dochter meegebracht. Georgie was 16 en zong de hele dag, terwijl ze aan het werken was.
In het nasale accent van de streek zong ze haar favoriete liedje voor de Presto. Edward Turner, het neefje van Cadle, begeleide haar daarbij op zijn mondharmonica. Ze zong het trieste verhaal van een meisje dat verliefd was geworden op een foute jongen. Daardoor was ze terecht gekomen in een huis in New Orleans. En al wie daar belande was voor altijd verloren. Ze waarschuwde haar jonge zus ervoor daar nooit te gaan, naar dat huis met de opgaande zon.
Alan Lomax noteerde de song als 'Rising Sun Blues'.

Tijdens het vervolg van zijn tocht door de heuvels kwam Lomax nog twee muzikanten uit de streek tegen die ongeveer hetzelfde liedje zongen in zijn Presto. Bert Martin in Horse Creek begeleidde zichzelf daarbij op gitaar; Daw Henson in Billys Branch zong het a capella.


Enkele speculaties over de herkomst

In de jaren zestig lichtte Alan Lomax in The Penguin Book of American Folksongs toe "deze blues song over een mislopen meisje stamt waarschijnlijk af van een ouder Brits nummer. In ieder geval duikt een huis van de opgaande zon op in diverse aangebrande Engelse songs en de melodie is ere en van de vele van de oude, pikante ballad Little Musgrave."

'Little Musgrave And Lady Barnard' is de naam van Child Ballad #81, beter bekend bij rockfans als 'Matty Groves', zoals het heette bij Fairport Convention. Deze ultieme folk ballad over overspel en moord werd voor het eerst opgetekend in 1611.

De song heeft dus altijd in de erotische sfeer gezeten en het is dan ook niet te verwonderen dat men er van uitging dat het huis waarvan sprake een bordeel was. De plaats waar een jong meisje zich in het ongeluk kon storten.

Er is druk gezocht naar het huis in New Orleans. Er is sprake van een Rising Sun Hotel, maar dat brandde al af in 1822 - een eeuw voor het nummer voor het eerst opduikt.

Dan is er nog een huis in St Louis Street in het Franse buurt van New Orleans, waarvan de huidge eigenaars beweren dat dit het beruchte House of the Rising Sun was. Ene Marianne LeSoliel Levant zou er tussen 1862 en 1874 een bordeel hebben uitgebaat.

Anderen menen dan weer dat het geen bordeel was, maar een hal voor gokkers. Of een vrouwengevangenis: er zijn bouwplannen terug gevonden waarop een cirkelvormig raam te zien is boven de inkompoort. Dat zou dan de opkomende zon zijn.

Pamela D. Arceneaux van het Williams Research Center & Historic New Orleans Collection schreef in 2003 dat er geen enkel bewijs hard bewijs is om welk gebouw dan ook aan te duiden als "het" huis. Haar besluit is dat misschien "sometimes lyrics are just lyrics".

decoration


New York - 7 juli 1941

Alan Lomax publiceerde de tekst van 'Rising Sun Blues' voor het eerst in 1941, in zijn baanbrekende liedboek Our Singing Country. Hij nam de tekst van Georgie Turner als basis, maar noteerde daarbij dat "enkele regels" kwamen uit de versie van Bert Martin.

Datzelfde jaar trad hij ook op als producer van de opname van de song door The Almanac Singers. Dat was een los-vast collectief van linkse folkzangers: Woody Guthrie, Lee Hays, Millard Lampell, Pete Seeger. Ze waren begin 1941 gaan samenwerken om op te roepen dat de Verenigde Staten zich niet zou gaan mengen in de Tweede Wereldoorlog. Later voegden ook Agnes 'Sis' Cunningham, Peter Hawes, Lead Belly en Josh White zich bij de groep. Zowat iedereen die iets betekende in folkkringen van de jaren veertig dus. De groep was zo invloedrijk dat ze letterlijk hebben bepaald hoe American folk en protestsongs moesten worden gezongen.

De opnamen vonden plaats in de Reeves Sound Studios, in New York op 7 juli en warden later dat jaar uitgebracht op de derde 78 toeren plaat van de groep: Sod-Buster Ballads. Het was Woody Guthrie die daarbij 'Rising Sun Blues' zong.


decoration

New York - februari 1942

Het volgende jaar nam de charismatische zwarte folkzanger Josh White een eigen versie op van 'House Of the Rising Sun'. Zijn tekst was anders dan die uit het songbook van Lomax. Hij zong het nummer vanuit een mannelijk standpunt, over een gokker. Hij was ook de eerste om de akkoorden in mineur te spelen in plaats van in majeur zoals tot dan gebruikelijk was. Kortom zijn versie was het prototype van de song zoals we die tegenwoordig kennen.

Het label Keynote bracht de versie van White in 1944 op de markt in een "binder-album", een set van vier 78-toeren platen.

Lomax was woedend. Hij vond het ongepast om ook maar iets te wijzigen aan een bestaande tekst of melodie. Maar White legde uit dat hij de song al veel langer kende. Als jongetje van tien trok hij rond met blinde zwarte muzikanten. Omstreeks 1923 hoorde hij het spelen door een "blanke hillbilly in North Carolina". Mogelijk was dat Clarence Ashley, die in die periode, in die streek rondtrok met zijn medicine show. Ashley is ook de man van 'The Coo Coo Bird' en 'The House Carpenter'.

Clarence "Tom" Ashley had de song al op 6 september 1933 opgenomen. Zijn zang en gitaar werden daarbij aangevuld door Gwen Foster op harmonica. De 78 toeren plaat verscheen in februari 1934 bij het Vocalion label. Ashley verklaarde later dat hij het nummer had geleerd van zijn grootvader, Enoch Ashley. De Ashley waren afkomstig uit Bristol, Tennessee - slechts een paar Smoky Mountains verwijderd van Middlesboro.
Uit dezelfde streek was ook Roy Acuff afkomstig. Acuff leerde het vak van Ashley en bracht ook een commerciële opname van de song uit vóór de veldopname van Lomax. Acuff legde zijn versie voor eeuwig vast op 3 november 1938. Deze 78 toeren verscheen in augustus 1939 bij Vo/OK.

decoration

New York - 20 november 1962

Toen Bob Dylan begin 1962 in New York arriveerde, was Dave Van Ronk daar de toonaangevende figuur. Niet voor niets droeg hij de bijnaam The Mayor of MacDougal Street. Dat was de straat in de New Yorkse buurt Greenwich Village waar iedere avond de artiesten mekaar verdrongen om hun ding te kunnen doen in een van de vele koffiehuizen.

Van Ronk had zijn gitaarstijl gebaseerd op de stijlen van Mississippi John Hurt en Reverend Gary Davies. Als een soort Nonkel Bob bracht hij iedereen die dat wou de basisbeginselen van het gitaarspel bij. "Painting is all about space," leerde hij zijn pupillen, "and music is all about time."
Maar ook op ander manieren stond hij beginnende folkzangers bij. De jonge Bob Dylan vond die eerste maanden dikwijls een slaapplaats in het appartement van de grote bebaarde man.

In zijn memoires wijdt Van Ronk bijna een heel hoofdstuk aan 'House of the Rising Sun'. Zo vertelt hij dat hij de song leerde van de Texaanse zangeres Hally Wood. En die had het nummer rechtstreeks gehaald bij de veldopname van Georgia Turner.
Dave werkte een geheel nieuw arrangement uit, waardoor hij ook de melodie een stuk attractiever maakte. Dat sloeg erg aan en bij ieder optreden vroeg het publiek hem om het nummer te spelen.

"[Bob Dylan en ik] hadden een vreselijke ruzie over 'House of the Rising Sun'" vertelt Van Ronk. "Hij was altijd al een spons, nam alles rondom hem in zich op. Hij pikte mijn arrangement van dat nummer. Voor dat hij de studio introk vroeg hij me, 'Hey Dave, vind je het erg als ik jouw versie van de Rising Sun gebruik?' Ik zei 'Wel, Bobby, Ik ga binnenkort zelf een plaat maken en ik zou het willen opnemen.'
Later vroeg hij me het opnieuw en ik antwoordde opnieuw dat ik het zelf wou gebruiken. 'Oeps, ik heb het net deze middag opgenomen en ik kan er niks meer aan doen, want Columbia wil het.'
Dat moet dan op 20 november 1962 gebeurd zijn. Die dag nam Dylan zijn debuut-LP op voor Columbia.
"Zo een twee maanden lang spraken we niet meer tegen elkaar, " gaat Van Ronk verder. "Ik moest stoppen met het nummer live te brengen omdat ik steeds opmerkingen kreeg uit het publiek in de aard van "Oh, je speelt dat nummer van Bob Dylan!"
Hij heeft zich nooit verontschuldigd en dat vind ik straf."

decoration

Londen - 18 mei 1964

Tot dan toe was 'The House Of the Rising Sun' nog steeds gewoon een van de vele folksong gebleven. Joan Baez, Odetta en Nina Simone brachten het allemaal uit. Maar het was een Britse groep die er een absoluut onvergetelijk nummer van zou maken.

The Animals waren een van de vele bands die het Britse clubcircuit afschuimden met hun mengeling van blues en rhythm and blues songs. Covers van de platen die Amerikaanse zeelui meebrachten uit het land van de onbegrensde mogelijkheden aan de andere kant van de oceaan. De naam "animals" hadden ze te danken aan hun wilde podiumfratsen.

De vijf leden waren Eric Burdon, een klein mannetje met een gigantische stem, toetsenist Alan Price, gitarist Hilton Valentine, drummer John Steel en bassist Bryan "Chas" Chandler. Allemaal waren ze afkomstig uit de buurt van Newcastle-upon-Tyne. Maar in navolging van The Beatles waren ze in 1964 naar Londen getrokken.

Daar versierden ze een platencontract bij Columbia Graphophone. De eerste single was 'Baby Let Me Take You Home' - eigenlijk een rockende versie van de bluesstandard 'Baby Let Me Follow You Down'.

Ze kregen de kans op in een package tour op tournee te gaan met Chuck Berry en Jerry Lee Lewis. Ze begrepen dat ze iets nodig hadden om op te vallen. Iets dat anders klonk dan wat die grote mannen uit Amerika zoveel beter deden.

Toen Eric Burdon Dylan's debuutplaat hoorde, herkende hij 'House of the Rising Sun' meteen. Het herinnerde hem aan een folkzanger uit Northumbria, Johnny Handle. Die zong in zijn stamcafé in Newcastle een repertoire over schipbreuken en mijnrampen. Maar het meest succes had hij steeds met die song over dat bordeel.

"Ik wist één ding: je kunt gewoon niet beter rocken dan Chuck Berry," legde Eric Burdon uit, "Ik dacht, 'Als we nu dat nummer eens nemen. We reorganiseren het een beetje, laten wat van Dylan's tekst vallen en maken een nieuw arrangement. "

Een stoere Noordelijke vent kan toch moeilijk zingen dat hij een meisje is. Maar Alan Price herinnerde zich een andere versie - die van Josh White. Daarbij was een jongen het slachtoffer van dat huis in New Orleans. En de rol van de gokker en dronkenlap verschoof van het vriendje naar de vader van de verteller.
Hilton Valetine kwam met het typische gitaarloopje op zijn Gretsch. Alan Price
voegde nog wat meer pit toe door een solo op zijn Vox Continental orgeltje. De inspiratie daarvoor haalde hij bij de hit 'Walk on the Wild Side' van jazzman Willie Smith.

Zo brachten ze het als laatste nummer in hun set. Dramatisch uitgelicht met één enkele rode spot op Burdon's gezicht. Succes verzekerd.

Drummer John Steel "We speelden in Liverpool op 17 mei. Daarna reden we naar London waar [producer] Mickie [Most] een studio had geboekt voor opnamen voor Ready Steady Go van ITV! Omwille van de goede respons die we kregen op 'Rising Sun', vroegen we om dat op te nemen. Hij zei: 'OK, we doen het aan het einde van de sessie.'
We zetten alles klaar, speelden een paar maten voor de geluidstechnicus - het was mono zonder overdubs - en we speelden het één keer."

Volgens Burdon beperkte de rol van Most zich tot goedkeurend knikken tijdens de sessie. "Alles zat juist," bevestigt Most, "Het stond er op een kwartiertje op, dus kan ik niet veel eer opstrijken voor de productie. Het was puur kwestie van de atmosfeer inde studio vast te leggen."
Steel gaat verder: "[Na afloop] luisterden we er nog eens naar en Mickie zei: 'Dat is het. Dat wordt de single.'"

De geluidstechnicus wees er op dat het veel te lang was voor een single. Met 4:29 werd de standaard drie minuten grens ruim overschreden. Zoiets was nog nooit gedurfd. Meer nog: het was technisch onmogelijk.
Maar in plaats van het in te korten, durfde Mickie het aan om te zeggen: 'Tegenwoordig hebben ze hele dunne groeven. We doen het toch.'"

Toen het singeltje in juni 1964 werd uitgebracht bleek de mengeling van folk en rock onmiddellijk aan te slaan - ondanks de lengte. Al snel stond het nummer op 1 in Engeland.

De Amerikaanse platenmaatschappij ging niet akkoord met het overschrijden van de drie minuten regel. Zoiets zou eenvoudigweg niet op de radio worden gedraaid. Toen de single daar in augustus verscheen was er stevig in geknipt zodat er nog 2:58 overbleven.

Dat bleek niet te hinderen: het was de sound die aansloeg. Bob Dylan verklaarde dat toen hij de versie van The Animals voor het eerst hoorde op de autoradio hij "uit de zetel van zijn auto" sprong van opwinding. Het klonk dan ook zoals nog nooit iets had geklonken. De Amerikaanse muziekcriticus Dave Marsh beschreef het in 1989 als de "eerste folk-rock hit. [Het klinkt] alsof ze de oude melodie hebben aangesloten op een stroomkabel."

Ralph McLean van de BBC gaat nog een stapje verder: Hij noemt het "een revolutionaire single" die "het gelaat van de moderne muziek voor eeuwig heeft veranderd." Inderdaad, het was misschien wel het zetje dat Bob Dylan nodig had om zijn gitaar in te pluggen - tot woede en frustratie van puristen als Alan Lomax, Ewan McColl en Pete Seeger.

Op 5 september stootte de single 'Where did our Love Go' van The Supremes van de top van de Amerikaanse hitlijsten. Het werd daarmee het eerste Britse nummer in twee jaar aan de top van de Amerikaanse hitlijsten die niet door Lennon en McCartney was geschreven. Op vijf weken werden er meer dan twee miljoen exemplaren van verkocht.

Maar het succes bracht ook de nodige problemen mee. Op het label stond aangegeven: "Trad., arranged Alan Price". Volgens de platenmaatschappij was er niet genoeg plaats om iedereen te vermelden. Niemand had daar een probleem van gemaakt, tot bleek dat alle royalty's dan ook alleen naar de toetsenist gingen. Hilton Valentine kreeg nooit een cent voor de simpele maar uiterst herkenbare riff waarop duizenden mensen hebben leren gitaarspelen. De spanningen liepen op en in mei 1965 stapte Price op om een solo carrière te beginnen.



The House of the Rising' in de versie van The Animals



'Rising Sun Blues' door Georgia Turner

There is a house in New Orleans they call the Rising Sun.
It's been the ruin of many a poor girl and me, O God, for one.
If I had listened what Mama said, I'd be at home today.
Being so young and foolish, poor boy, let a rambler lead me astray.
Go tell my baby sister never do like I have done
To shun that house in New Orleans they call the Rising Sun.
My mother she's a tailor, she sewed these new blue jeans.
My sweetheart, he's a drunkard, Lord, Lord, drinks down in New Orleans.
The only thing a drunkard needs is a suitcase and a trunk.
The only time he's satisfied is when he's on a drunk.
Fills his glasses to the brim, passes them around.
Only pleasure he gets out of life is hoboin' from town to town.
One foot is on the platform and the other one on the train.
I'm going back to New Orleans to wear that ball and chain.
Going back to New Orleans, my race is almost run.
Going back to spend the rest of my days beneath that Rising Sun.



Enkele naschriften

In 1963 ging Alan Lomax Georgia Turner opzoeken. Ze was nog steeds straatarm. Ze had veertien kinderen gebaard, waarvan er tien in leven waren gebleven. Hij zorgde er voor dat ze wat royalties kreeg. Hij legde haar uit dat het nummer was "gekaapt".
Uiteindelijk kreeg ze alles samen iets meer dan $117.
Georgia overleed in 1969. Ze was pas 48.


In 2007 werd in New York een boek uitgegeven, helemaal gewijd aan de geschiedenis van het nummer: Chasing the Rising Sun: The Journey of an American Song door Ted Anthony.


Op deze site kun je maar liefst 80 versies van House Of The Rising Sun binnen halen:
http://coco-vinyl.blogspot.com/2008/05/house-of-rising-sun.html

Jammer genoeg is die van Georgia Turner er niet bij. Gelukkig kun je hier van haar versie een stukje beluisteren:
http://www.rounder.com/index.php?id=album.php&catalog_id=6504

01-03-07

The Freewheelin' Bob Dylan

The Freewheelin' Bob Dylan 
Freewheelin-Bob-Dylan

Eind januari 1962 was Bob Dylan begonnen met het schrijven van protestsongs. “Ik wou gewoon een lied om te zingen en ik kwam op een punt dat ik niks had om te zingen. Dus moest ik schrijven wat ik wou zingen  want niemand anders schreef wat ik wou zingen. Als ik dat had gekund was ik waarschijnlijk nooit begonnen met schrijven.”

In de komende twee jaar zou een onafgebroken stroom van dergelijke songs uit zijn pen blijven komen. Het is ook een poging om de invloed van Woody Guthrie te ontgroeien. "De beïnvloeding raakte op de achtergrond, eens hij geen idool meer was voor mij. Ik leerde hem kennen en ik voelde mij niet meer eerlijk… het leek allemaal nep. Woody's nummers zingen voor geld, folk songs zingen voor geld… het leek me allemaal nep."  

Het zal wel geen toeval zijn dat Bob begon met het schrijven van protestnummers kort nadat hij bij zijn vriendinnetje Suze Rotolo was ingetrokken op haar studiootje in de West 4th Street in New York. Suze kwam uit een familie met sterke linkse sympathieën en al op zeventienjarige leeftijd was zij actief bezig in de beweging voor rassengelijkheid. Ondanks haar jonge leeftijd had ze al veel gelezen en – niet te versmaden – haar zus had een indrukwekkende collectie platen met Amerikaanse folkmuziek.

 

Op 23 februari zou Dylan optreden tijdens een CORE (Congress of Racial Equality) benefiet in de City University.  Twee weken daarvoor speelde hij voor zijn vrienden, de MacKenzies, een nummer dat hij speciaal daarvoor had geschreven: ‘The Death Of Emmett Till’. Hij verhaalt daarin het ware verhaal van een veertienjarige zwarte jongen, die in Mississippi werd vermoord omdat hij met een blank winkelmeisje had geflirt. Hij werd door enkele blanke heethoofden in het hoofd geschoten, waarna zijn lijk in de Tallahatchie rivier werd gegooid. De mannen werden vrijgesproken.

 

Met dat soort nummers was hij welkom bij het nieuwe tijdschrift Broadside. Dat gestencilde blaadje was door de folkzanger Pete Seeger met de hulp van Agnes “Sis” Cunningham opgezet om hedendaagse protestnummers te publiceren. Wanneer einde februari het eerste exemplaar wordt verspreid prijkt daarin Dylan’s ‘‘Talking John Birch Paranoid Blues’, een satire op moderne heksenjagers en hun obsessie met communistische indringers.

‘Let Me Die In My Footsteps’ was een ander uitstekend nieuw nummer dat hij in die tijd schreef. Het was een reactie op de obsessies van de Koude Oorlog met de aanleg van schuilkelders en oefeningen met luchtalarm.

 

Een vierde nieuw nummer, ook geschreven binnen de periode van een maand, was ‘The Ballad Of Donals White’. Voor de melodie maakte hij  gebruik van Bonnie Dobsons versie van ‘The Ballad Of Peter Amberley’, een compositie van John Calhoun uit 1881. De tekst was dan weer  gebaseerd op een documentaire die hij op TV zag.

 

Bob Dylan: “Ik schreef  waar ik was. Soms zat ik een hele dag aan een tafeltje in een café, zomaar alles op te schrijven wat in mij opkwam… gewoon om het even wat. Ik keek uren naar de mensen en ik verzon van alles over hen. Of ik dacht, welk soort lied zouden die willen horen ? En dan bedacht ik er een.”

 

Nu hij meer zelf begon te schrijven moest hij een uitgever hebben. Zijn ontdekker/producer John Hammond regelde dat hij zijn nummers kan onderbrengen bij de muziek uitgeverij Leeds Music. Hij nam ook een aantal nummers voor hen op, zodanig dat ze door anderen konden worden gecoverd.

 

Het feit dat Bob goede, eigen nummers begon te schrijven maakte hem in de folkgemeenschap tot iets bijzonders en het nieuws verspreidde zich snel. Toch vertelde hij tegen de promotor Izzy Young, uitbater van het Folklore Center, dat hij zich van de folkscène los aan het maken was. Hij was “het moe in koffiehuizen te moeten spelen voor toeristen die aapjes kwamen kijken.”

Ondertussen werd op 19 maart, Dylans debuut-LP Bob Dylan uitgebracht. Hoewel de kritieken tamelijk lovend waren viel de verkoop erg tegen: er werden het eerste jaar nauwelijks vijfduizend exemplaren van verkocht. In de kantoren van Columbia werd er dan ook al over gedacht om “Hammond’s stommiteit” zoals de jonge zanger werd betiteld, terug op straat te zetten. Vooral door diegenen die jaloers waren op producer John Hammond’s oor voor talent. Hij was de man die Billy Holiday had ontdekt en mensen als Benny Goodman en Robert Johnson promootte.

  

Maar ondertussen stond de jongeman echter al te popelen om terug Columbia’s Studio A in te trekken. De opnamen zitten geklemd tussen twee series optredens: van 20 tot 22 april deelde hij een affiche met Jesse Fuller in het Ann Arbor Goddard College en van 24 april tot 6 mei, trad hij als hoofdact op in  Gerde's Folk City.

 

Aanvankelijk wou hij zich opnieuw bedienen van hetzelfde recept: “wat spul dat ik heb geschreven, wat spul dat ik heb ontdekt en wat spul dat ik heb gestolen”. De opnamen vertoonden dan ook grote gelijkenis met die voor de debuutplaat. De plaat zou opnieuw ingeblikt worden tijdens twee sessies, op dinsdag 24 en woensdag 25 april 1962 in Studio A op de zevende verdieping van het Columbia hoofdkwartier in New York City, met John Hammond als producer. Het enige verschil was dat de zanger/gitarist deze keer ondersteund wordt door een bassist, William E. Lee.

 

De eerste sessie duurde, zoals gebruikelijk, drie uur: van 14:30 tot 17: 30. In die periode werden zeven countryblues en Guthrie-achtige nummers op band gezet. 

 

Hoewel ‘House of the Rising Sun’ al op zijn eerste album stond, begon Dylan de eerste sessie voor zijn volgende LP met een variante op het nummer: het traditionele ‘Going To New Orleans’. Eén van de beide takes van dit nummer is terug te vinden als track 10 op de Vigotone bootleg The Freewheelin’ Bob Dylan Outtakes.

 

Op die bootleg staat, als track 25, ook één van de drie volledige takes van het tweede nummer, ‘Sally Gal’, een zeer vrije variante op een compositie van Woody Guthrie. Het is meer een excuus om lekker tekeer te gaan op harmonica, dan een echte song. 

 

De eerste uitvoering van Dylan’s ‘Sally Gal’ is terug te vinden op de Oscar Brand radio show (Folk Song Festival, 29 oktober ‘61). Brand vroeg hem één van de kermisliedjes te zingen die hij had geleerd en Dylan kondigde het dan aan als eentje dat hij heeft "geleerd ... euh, geschreven." (terug te vinden op The Genuine Bootleg Series, Volume 3)

 

Daarna concentreerde Dylan zich op ‘Rambling Gambling Willie’, een eigen tekst op de traditionele melodie van ‘Brennan on the Moor’ van The Clancy Brothers. Het was het eerste in een lange rij van nummers die hij zou schrijven waarbij iemand die buiten de maatschappij staat werd bezongen. Take 4 werd uitgekozen als beste en werd officieel uitgebracht op The Bootleg Series 1- 3.

 

‘Corrina, Corrina’ is dan weer een variante op het nummer ‘Corrine, Corrina, Where you been so long?’ Het is een heel oud nummer dat door talloze muzikanten werd gebracht. Hoewel Blind Lemon Jefferson in april 1926 al een ‘Corrina Blues’ opnam voor Paramont Records, stamt de eerste echte versie van het nummer uit de laatste maanden van 1928. Bo Chatman en Charlie McCoy namen toen ‘Corrine, Corrina’ op voor Brunswick Records in New Orleans. En op 17 december van dat jaar namen diezelfde muzikanten, aangevuld met gitarist Walter Vincson als  the Jackson Blue Boys ‘Sweet Alberta’ op. Dat is hetzelfde nummer maar gezongen over een ander meisje.

Eén van Dylans twee volledige takes valt te beluisteren als track 2 op de Vigotone bootleg.

 

En dan volgt zijn allereerste protestsong: ‘The Death of Emmett Till’. De enige take die Dylan voor het nummer nodig heeft staat als track 2 op de Vigotone bootleg.

 freewheelin_bob_dylan_outtakes

Ook ‘Talking John Birch Paranoid Blues’ is een zelfgeschreven protestnummer. Van de drie pogingen was enkel de laatste volledig en ook deze staat op The Freewheelin’ Bob Dylan Outtakes (track 6). De bassist had blijkbaar even een pauze, want hij is niet te horen op deze opname.

 

De sessie werd afgerond met twee takes van ‘(I Heard That) Lonesome Whistle’, een nummer van Hank Williams, geschreven met Jimmie Davis. De beste daarvan staat als track 5 op de Vigotone bootleg.

 

De volgende dag stond het hele clubje terug om 14:30 in de studio, om er nog eens acht nummers op band te zetten. De bassist was er echter niet meer bij.

 

Het eerste nummer dat werd aangepakt is het populaire ‘Rocks And Gravel (Solid Road)’ dat ook door andere folkzangers als Harry Bellafonte en Ian and Sylvia werd opgenomen in ’62. Dylan had drie takes nodig, waarvan alleen de laatste volledig is. Die staat dan ook, als track 9 op de bootleg.

 

Dan volgde de eigen compositie ‘Let Me Die In My Footsteps’. De enige take wordt uitgebracht op The Bootleg Series 1-3. Daarbij is echter één strofe weggeknipt. De volledige versie is terug te vinden als track 11 op de Vigotone bootleg.

 

En ook de enige take van ‘Talking Havah Negeilah Blues’ staat op The Bootleg Series 1- 3. "Here's a foreign song I learned out in Utah," kondigt hij aan. En terwijl hij achteloos de snaren van zijn gitaar aanslaat, gaat hij toonloos voort: "Ha! Va! Ha-va! Ha-va-na! Havah Nagilah. Yodeleihoo!" Een duidelijke parodie op de Hebreewse folk songs gebracht door folkzangers als Theodore Bikel en The Weavers als onderdeel van hun vaag linkse ethnische repertoire.

 

Daarna werd teruggekeerd naar ‘Sally Gal’. Dylan nam nog eens twee takes op, waarvan de eerste, take 4, terug te vinden is op The Freewheelin’ Outtakes als track 14.

 

Vervolgens werd ‘Baby, Please Don't Go’ van Big Joe Williams aangepakt. Drie takes waarvan de middelste afgebroken werd. Eén van de andere is de openingstrack van de bootleg.

 

En ook ‘Milk Cow's Calf's Blues’ is een echt bluesnummer. Dylan zingt het echter alsof hij gelijktijdig Elvis Prseley en de auteur Kokomo Arnold wil imiteren. Na twee valse starts volgde een volledige versie. Die prijkt als track 7 op de bootleg.

 

Twee takes van  de traditional ‘Wichita (Going To Louisiana)’ worden gescheiden door drie takes van ‘Talking Bear Mountain Picnic Massacre Blues’. De enige volledige versie van deze talking blues, take 3  wordt uitgebracht op The Bootleg Series 1-3.
Beide versies van ‘Wichita’ staan op de bootleg The Freewheelin’ Outtakes, respectievelijk als tracks 22 en 13.

Hij had dat nummer begin maart ook al eens opgenomen, maar dan als begeleider van Victoria Spivey. Samen met gitarist Big Joe Williams  hadden hij toen de 55-jarige zwarte zangeres begeleid op vier songs voor haar album Three Kings And A Queen. 

Om de sessie af te sluiten probeerde Dylan ‘Milk Cow's Calf's Blues’ nog eens op band te zetten – take 4.  Deze keer voegt hij een strofe van Leadbelly’s ‘Good Morning Blues’ toe. Deze opname staat ook op de Vigotone bootleg, als track 21.

 

Merkwaardig genoeg is ‘Blowin’ In The Wind’ niet aan bod gekomen tijdens deze twee dagen van opnamen. Dylan had het nummer nochtans al klaar, want Pete Seeger speelde het de dag voor de eerste sessie, in Gerde's Folk City, nadat Bob hem de akkoorden had geleerd, vlak voor het optreden. Bob had het nummer in enkele minuten gecomponeerd, in een café tegenover de Gaslight. De melodie leek griezelig veel op die van de negerspiritual ‘No More Auction Block’. Het lenen van melodieën en zelfs teksten maakte echter deel uit van de folktraditie en was dus volstrekt acceptabel. De kritiek op de retorische tekst was hardnekkiger. De indringende vragen, leken geen verband met elkaar te houden en werden dan nog enkel beantwoordt met de dooddoener dat het antwoord “in de lucht hing”.

De verklaring over het ontbreken tijdens deze sessies ligt misschien in het feit dat Dylan zelf ook zijn twijfels had over het nummer. “ I was nooit tevreden over ‘Blowin’ In The Wind’. Ik schreef dat in 10 minuutjes.”  Albert Grossman dacht daar anders over. Hij was een 35-jarige zakenman die begrepen had dat er als manager geld te rapen viel in de muziekbusiness. Hij zag wel wat in de composities van Bob Dylan. Voor een bescheiden bedrag in contanten en het gebruik van een ruimte in zijn New Yorkse kantoor, nam hij de jonge zanger over diens manager Roy Silver. Het was de beste transactie uit Grossmans leven. In ruil voor 10 000 dollar en een kantoortje, legde hij een klant vast die hem multimiljonair zou maken. Grossman had een medogenloos gevoel voor zaken en een wereldwijsheid die die jongen niet bezat. Samen vormden de artiest en de manager een machtige combinatie.  bobsuzeglassesOok Dylan’s vriendinnetje Suze kreeg een kans om zich te ontwikkelen. Haar moeder stelde haar voor om enkele maanden aan de universiteit van Perugia te gaan studeren. Als schilder was dat een unieke kans om in Italië kennis te gaan maken met de grote werken uit de Renaissance. Bob wilde niet dat Suze zou vertrekken, maar op 8 juni stapte ze op de boot naar Europa. Ze grijpt de kans ook aan om onder zijn verstikkende greep uit te komen. "Er is iets wat ik in hem zie, waar ik niet van hou: negatief, pessimistisch. Maar van de andere kant is hij ook levendig, zozeer zelfs dat het angstaanjagend wordt. En dan heeft hij ook nog een grappige kant. Daarom moest ik van hem weg." Bob bleef achter, machteloos en wanhopig. Hij schreef brieven, telefoneerde en kreeg steeds meer het gevoel dat Suze weinig zin had om met hem te praten.  Als reactie op haar vertrek componeerde Bob ‘Tomorrow Is A Long Time’. Ziek van liefde kon hij niet slapen zonder haar hart naast zich te horen slaan. Hij kon zijn mond niet opendoen zonder zijn ellende uit te schreeuwen. De pracht van de natuur deed hem niets en voor hem strekte zich een eindeloze snelweg van eenzaamheid uit.  Dat nummer was veel rijper dan het andere werk dat hij tot nu toe had geschreven. Hij was omgetoverd in een groot songschrijver. Nu de metamorfose voltooid was, vil hij niet meer te stoppen. Hij begon overal en altijd te schrijven.   Aan het einde van de maand reisde hij naar Montreal, waar hij enkele dagen optrad in The Potpourri. Een optreden van bijna een uur, opgenomen op 2 juli in de Finjan Club in Montreal circuleert als de Cananda Party Tape. De elf nummers zijn een mengeling van bluescovers en enkele eigen nummers. Uit de hele tape spreekt vooral de grote indruk die Robert Johnson  op hem gemaakt had. Einde 1961 was The King Of The Delta Blues Singers uitgebracht door Columbia.  Ongetwijfeld had Hammond hem daarvan een exemplaar bezorgd. De afwezigheid van Suze en alle woede en verlangens die dat bij de jonge zanger oproepen vond hij terug in dat soort muziek. Met zoveel emoties is het niet verwonderlijk dat Dylan er over dacht zijn tweede LP Bob Dylan’s Blues te noemen. Inmiddels had hij ook afstand genomen van zijn eerste album. In een interview met Edwin Miller voor het blad Seventeen, melde hij: “dat is niet waar ik voor sta.". Weer terug in New York, trokken, na een onderbreking van iets meer dan een maand, Bob Dylan en John Hammond op maandag 9 juli, voor een derde keer de studio in, om nog eens zeven nummers op te nemen voor die tweede plaat. De toon werd meteen bij aanvang gezet: ‘Baby, I'm In The Mood For You’. Na een valse start volgen twee volledige versies. Take 3verschijnt jaren later op Biograph. Take 2, of take 4, later in de sessie opgenomen, staat als track 24 op de bootleg The Freewheelin’ Outtakes. Het “titelnummer” ‘Bob Dylan's Blues’ staat er in één keer op. Dan volgen drie takes van ‘Blowin' In The Wind’ en één van ‘Quit Your Low Down Ways‘. Dat laatste nummer , waarin hij de afvallige vrouw terechtwijst, wordt pas in 1991 uitgebracht op The Bootleg Series (Rare & Unreleased) 1961-1991. De bluesnummers ‘Honey, Just Allow Me One More Chance’ en ‘Down The Highway’ zitten meteen goed. Terwijl dat laatste een bewerking is van Robert Johnsons ‘Crossroad Blues’ is, zijn voor het zowel de titel als het thema ontleend aan Henry Thomas, gelijknamige nummer, zodat Dylan er later toe gedwongen wordt zijn auteursschap te delen.  Dylan leeft zich helemaal in in zijn rol als blueszanger, op ‘Worried Blues’. Voor deze cover van Hally Wood heeft hij twee takes nodig. De beste daarvan, take 2, blijft ook liggen tot The Bootleg Series (Rare & Unreleased) 1961-1991. De sessie wordt afgerond met enkele hernemingen: take 4 van ‘Baby, I'm In The Mood For You’ en takes 2 en 3 van ‘Bob Dylan's Blues’.  Van deze derde sessie worden vier nummers geselecteerd voor de LP: ‘Blowin' In The Wind’, ‘Bob Dylan's Blues’, ‘Honey, Just Allow Me One More Chance’ en ‘Down The Highway’. Drie daarvan zijn eerste takes!Uit zowat elk nummer blijkt dat hij er stilaan in slaagt om zijn bronnen te overstijgen. Veel meer dan vroeger ontleent hij aan de blues de vorm en enkele beelden, waarmee hij dan zijn eigen gedachten tot uitdrukking kan brengen.  Vier dagen na deze sessie, tekent Bob Dylan een contract met de muziek uitgeverij M. Witmark & Sons. Grossman had korte tijd daarvoor van de uitgeverij een fonds van 100 000 dollar gekregen om liedjesschrijvers mee aan te trekken. Hij besloot een deel van dat geld te gebruiken om Bob van Duchess Music naar witmark over te hevelen. Grossman gaf Dylan daarvan 1 000 dollar en raadde hem aan daarmee het voorschot terug te betalen dat hij van Duchess had gekregen. Bob deed wat hem gezegd was en werd geheel naar wens verlost van zijn contract. Daarna tekende hij bij M. Witmark & Sons – in feite voor niets – en kwam vanaf dat moment naar hun pad aan Madison Avenue om er demo’s op te nemen van zijn nieuwe nummers.  Op 30 juli werd het auteursrecht voor ‘Blowin' In The Wind’, de song die de hoeksteen was van Bobs carrière en de katalysator van de singer-songwriter-revolutie, vastgelegd bij M. Witmark & Sons. Diezelfde dag ondertekende Grossman een geheime overeenkomst: Witmark garandeerde Grossman 50% van alle inkomsten die iedere songwriter die door Grossman bij hun firma was aangebracht.  Enkele dagen later, op 2 augustus, liet Robert Allen Zimmerman, op aanraden van Grossman, bij het Hooggerechtshof in New York, zijn naam officieel veranderen in Robert Dylan. Nu de opnamen achter de rug zijn en het contract met Wittmark getekend, kan Dylan met een gerust gemoed nog eens een bezoekje gaan brengen aan Minneapolis. Hij hoopt dat de vertrouwde omgeving, de vrienden en zijn familie hem Suze even kunnen doen vergeten.  Op 11 augustus werd daar door Tony Glover een optreden van een half uurtje opgenomen, de zogeheten Minnesota Home Tape. Dat optreden vond plaats op een privé feestje in het huis Dave Whitaker.Voor één van de nummers vertelt hij: “Mijn meisje is nu in Europa. Ze is er met de boot naartoe gevaren. Ze zal terugzijn tegen de eerste september en tot dan, keer ik niet terug naar huis.” Vanuit Minneapolis belde hij Dave Van Ronk een keer midden in de nacht op, huilend en jammerend dat hij Suze terugwilde.  Wanneer hij  echter terug keerde naar New York vond hij daar bericht van Suze dat ze besloten had voor onbepaalde tijd in Italië te blijven.  De ontreddering zette Bob aan tot een sprong in de ontwikkeling van zijn schrijverschap met als resultaat één van zijn beste songs over relaties: ‘Don’t Think Twice, It’s Alright’. Het was te dubbelzinnig om een eenvoudig liefdesliedje genoemd te worden. Het was tegelijkertijd een verlangen naar en een afwijzing van het voorwerp van zijn genegenheid. Hij gaf zijn geliefde alles, zelfs zijn hart, maar ze verlangde zijn ziel. Het was verspilling van zijn kostbare tijd, maar ze hoefde zich niet te bedenken, het was in orde.  Nauwelijks terug in New York, tekenden Dylan en Grossman, op 30 augustus, een managemenstovereenkomst. Grossman werd daardoor voor vier jaar Bobs exclusieve manager, met een optie om het contract met drie jaar te verlengen. De exclusiviteit was echter eenzijdig: Bob was voor 100% cliënt van Grossman, maar die kon ook andere acts onder zijn beheer nemen. Grossman had recht op een basishonorarium van 20% van Bobs inkomen, maar daarbovenop kreeg hij nog eens 25% van de bruto omzet uit de platenverkoop. Dat was meer dan het dubbel van wat gebruikelijk was.  Terwijl Dylan zich wentelde in zijn verdriet, rolde Amerika, in de zomer van 1962, een periode in van enorme opschudding en maatschappelijke veranderingen. Martin Luther King werd gevangen gezet in Albany, Georgia, terwijl de strijd voor burgerrechten in kracht toenam. In september werden er Russische raketten ontdekt op het communistisch geregeerde eiland Cuba, op schootsafstand van de VS. Een derde wereldoorlog leek slechts een kwestie van dagen of weken.  Bob was op een leeftijd waarop hij voor militaire dienst kon worden opgeroepen en de paniek was voelbaar. Als eractie typte hij “een lied van wanhoop… een lied van verschrikking”: ‘A Hard Rain’s Gonna Fall’. De strofen vulden zich met de angst van de schrijver. “Ik schreef het ten tijde van de Cubaanse crisis. Ik was in Bleecher Street in New York. We hingen daar wat rond, rond middernacht – mensen vroegen zich af of het einde der tijden naderde. Ik ook trouwens. Iedereen vroeg zich af of we de middag van de volgende dag zouden halen. … Het nummer werd geboren uit wanhoop. Wat konden we doen? Konden we de mannen tegenhouden die ons zouden wegvegen? De woorden kwamen snel, zeer snel. Het was een lied vol terreur. Regel na regel na regel, trachtend dat gevoel van leegte te vatten.“Voor het rijmpatroon en de melodie baseerde hij zich op de Kinderballade ‘Lord Randall’. Toen het lied af was, rukte hij het papier uit de typmachine en rende naar de Gaslight om het te vertolken. Het was meteen een sensatie. Bob was de artiest die de tijdsgeest in een lied had weten te vangen. Andere zangers vroegen meteen de akkoorden om het zelf ook te kunnen verspreiden.  Kort na de rakettencrisis brachten Dave en Gretel Whitaker een bezoek aan New York. In de middag van 22 september ontmoetten ze Bob in de Village. Het was bewolkt, maar Bob droeg een zonnebril. “Bobby, waarom heb je je zonnebril op?” vroeg Gretel.
”Dan wordt ik niet herkend.” antwoordde hij.

Gretel dacht dat hij gek geworden was. Ze kochten broodjes en gingen naar Bobs flat. Onder het eten vertelde hij zijn vrienden dat hij die avond op zou treden in Carnegie Hall. Het was de jaarlijkse hootenanny van Sign Out!, georganiseerd door Pete Seeger. Bob zei dat het uitverkocht was, maar dat hij wel pasjes kon regelen.

De Whitakers gingen naar het concert en amuseerden zich tijdens de verschillende optredens. Wanneer Pete Seeger Bob Dylan aankondigde waren ze verbaasd over de verandering die hij heeft ondergaan. “Hij liep het podium op en werd enorm toegejuicht. Een enorm gejuich!” De verafgoding was begonnen.Hoewel alle anderen slechts tien minuten mogen optreden, bestaat Dylan’s set uit vijf nummers. ‘Sally Gal’ en ‘Highway 51’ dienen als opwarmers, maar dan volgen ‘Talking John Birch Paranoid Blues’, het debuut van ‘Ballad Of Hollis Brown’ en als slotstuk, ‘A Hard Rain's A-Gonna Fall’. Een ander optreden, een "Travelin' Hootenanny" show, op 5 oktober in de Town Hall, waarbij Dylan als hoofact optreedt, wordt enthousiast besproken door de criticus Robert Shelton. Hoe Dylan in deze periode klinkt, kan het best worden beluisterd op de Gaslight Tapes. Van deze mono opname worden een aantal nummers officieel uitgebracht: ‘No More Auction Block’ staat in 1991 op The Bootleg Series, 1961-1991 en ‘Handsome Molly’ verschijnt, tien jaar later, op de exclusief voor de Japan gemaakte cd Bob Dylan Live – 1961 – 2001. Bobs foto stond op het omslag van het herfstnummer van Sing Out!, het belangrijkste tijdschrift van de folkmuziek. Hij zag eruit als James Dean, trekkend aan een sigaret. In het nummer stond de tekst van, ‘Blowin’ In The Wind’ afgedrukt. In weerwil van zijn zelfbewuste gedrag van de laatste maanden, was Bob in het interview met Gil Turner opmerkelijk bescheiden waaar het zijn nieuwe nummers betrof. “Die liedjes zijn er. Ze bestaan al en wachten erop tot iemand ze opschrijft. Ik heb ze alleen maar opgeschreven. Als ik het niet had gedaan, had iemand anders het wel gedaan.”  Turner merkt droogjes op dat Dylan “de melodie meestal heeft geleend of aangepast van iets dat hij ergens heeft gehoord, meestal een traditioneel nummer.” Zodra Albert Grossman Bobs manager werd, begon hij een uitputtingsoorlog tegen Columbia Records. Hij zou Dylan veel liever bij Warner Brothers onderbrengen, waar ook zijn andere artiesten Odetta en Peter, Paul and Mary een contract hadden. Maar vooral wilde hij hem onder de invloed van Hammond uit halen. Dus was zijn eerste klacht dat Columbia niet genoeg haar best deed om zijn artiest aan de man te brengen. Deels om die reden vroeg hij advocaat David Braun Columbia een ongeldigheidsverklaring te sturen: Bob was nog geen 21 jaar toen hij het contract tekende. Grossman wilde onderhandelen.John Hammond was woest omdat zijn beschermeling hem zo te schande maakte. Hij riep Bob bij zich op zijn kantoor en haalde hem over – nu hij volwassen was – een herbevestiging te tekenen waarin onderstreept werd dat het originele contract van kracht bleef. Dat maakte Grossman en Braun weer kwaad. “Ik vond het een schending van de ethische regels aangezien meneer Dylan door een advocaat werd vertegenwoordigd toen de ongeldigheidsverklaring werd ingestuurd, maar men geen contact met ons opnam toen de herbevestiging werd getekend,” aldus Braun. Het gesteggel met Columbia had wel het nodige effect: “Vanaf dat moment veranderde hun houding ten opzichte van Bob en begonnen ze reclame te maken voor zijn platen,” aldus Brown.  Dylan was helemaal te vinden voor een voorstel van Hammond: een single uit brengen, en waarom dan niet een bluesnummer, met begeleiding van een stevige band. Enthousiast trok Bob Dylan op vrijdag 26 oktober voor het eerst met een band de studio in. Pianist Dick Wellstood, gitaristen Bruce Langhorne en Howie Collins, bassist Leonard Gaskin en drummer Herb Lovelle hielpen hem om stomende versies van drie nummers op band te zetten. Als eerste vatten ze ‘Corrina Corrina’ nog eens bij de kraag. Van de zes takes raakten slechts de helft tot aan het einde. Take 4 is de beste en deze werd gekozen voor de single (en staat ook op The Freewheelin' Bob Dylan Outtakes, als track 20).Een andere kandidaat voor de b-kant was het van Elvis Presley bekende ‘That's All Right Mama’. De a-kant zou beslist gaan naar het zelfgeschreven ‘Mixed-Up Confusion’. Daarvan werden vier takes geprobeerd, voor en na vijf takes van het nummer van Arthur Crudup. Take 1 daarvan staat als track 8 op The Freewheelin' Bob Dylan Outtakes. Van ‘Mixed-Up Confusion’ zijn daarop twee versies te vinden: tracks 16 en 19.

Na drie uur werd de sessies afgesloten met nog een laatste ‘Corrina Corrina’. Bij deze versie had Dylan een hele strofe van Robert Johnsons ‘Stones In My Passway’ ingelast. Deze opname werd later uitgekozen om te worden uitgebracht op de LP The Freewheelin’ Bob Dylan.

 Donderdag 1 november stond hij terug in de studio, met de band. Met tweede gitarist George Barnes in plaats van Howie Collins werden nog eens zes takes geprobeerd van ‘Mixed-Up Confusion’.  De enige take van ‘That's All Right Mama’ is als track 18 terug te vinden op de Vigotone bootleg. Een tenslotte volgen nog twee takes van ‘Rocks And Gravel’. De eerste daarvan wordt weerhouden voor The Freewheelin' Bob Dylan (en staat ook als track 17 op de bootleg).  Grossman besloot zich van Hammond te ontdoen. Groter verschil dan tussen die twee leek niet mogelijk. Hammond was een keurige blanke, esthetisch aangelegde Amerikaan die tijdens opnamesessies met zijn benen op tafel heel ontspannen The New Yorker zat te lezen; Grossman een joodse ondernemer met een duister verleden die sjoemelde om miljonair te worden. Maar het zou niet eenvoudig zijn om  van Hammond af te raken. Bij Columbia was hij een levende legende en hij was getrouwd met de zus van de voorzitter van de raad van bestuur. Dus besloot Grossman het leven van de producer zo zuur te maken dat hij wel moest vertrekken.  John Hammond vertelt: “Terwijl we zijn tweede plaat aan het opnemen waren, kwam hij naar me toe en vroeg me of ik Albert Grossman kende. Hij vertelde dat Grossman hem wilde onder contract nemen en wat ik dacht. Ik zei dat we samen in de raad van beheer gezeten hadden van het Newport festival en dat ik dacht dat we wel zouden kunnen samenwerken. Ik merkte later dat dat niet kon…. Grossman’s eerste voorstel was om Dylan te koppelen aan een Dixieland band!”  Dat gebeurde tijdens de derde sessie met de band, op woensdag 14 november. Ze hadden die dag al een vijftiental  15 takes van ‘Mixed Up Confusion’ opgenomen, toen Grossman met zijn voorstel op de proppen kwam.  Naar verluidt, raakte Bob zo gefrustreerd dat hij wegliep. Gelukkig stonden er op dat moment al enkele geslaagde pogingen op band: take 10 wordt later uitgebracht op Biograph en take 13 wordt geselecteerd voor de single.  Uiteindelijk wordt de band bedankt en blijft enkel Bruce Langhorne nog enkele akoestische nummers op te nemen.Dylan keerde terug om het prachtige ‘Don't Think Twice, It's All Right’ in één keer op te nemen. Het uitstekende gitaarspel is niet van Dylan, maar van Langhorne. Die is ook te horen op ‘Ballad Of Hollis Brown’ (track 12 op de bootleg) en de traditional ‘Kingsport Town’ (op The Bootleg Series 1-3). Beide nummers hadden elk twee pogingen nodig, nadat de eerste telkens afgebroken werd. Tenslotte werd nog een laatste bluesnummer ‘Whatcha Gonna Do’  (track 23 op de bootleg) opgenomen, ook met beide gitaristen samen. Toch vond er op donderdag 6 december nog een zevende en laatste sessie met Hammond plaats. Er werd teruggekeerd naar het akoestische formaat van de eerste opnamen. Die sessie verliep heel wat vlotter: op een uurtje tijd werden vijf nummers opgenomen. Als eerste werd ‘Hero Blues’ opgenomen, in één take. Dat geldt ook voor een akoestische versie van  ‘Whatcha Gonna Do’ die terug te vinden is als track 15 van The Freewheelin’ Bob Dylan Outtakes.En ook ‘Oxford Town’ stond er in één keer op. Aan het eind merkte Hammond verbaasd op: “Zeg me niet dat het gedaan is!”Aan ‘I Shall Be Free’ was meer werk: vijf takes, waarvan enkel de tweede en de laatste het einde halen. Take 2 wordt als beste aangeduid. Dan worden nog eens drie takes van ‘Hero Blues’ geprobeerd, waarna de sessie wordt afgesloten met ‘A Hard Rain's A-Gonna Fall’ dat er in één keer opstaat. Een hele prestatie – ook als peelt hij het nummer ondertussen al enkele maanden. Waarcshijnlijk tijdens deze sessie kwam het tot een serieuze aanvaring tussen John Hammond en John Court, Grossmans partner. Court verwijt Hammond dat hij gewoon de banden laat lopen en geen aanwijzingen geeft. Hammond verliest ten slotte zijn geduld en stuurt hem de studio uit. Naast zijn opnamen voor Columbia, nam Dylan in de laatste maanden van 1962 ook nog zes nummers op in het kantoor van Broadside, zodat die de teksten konden publiceren in hun blaadje: I'd Hate To Be You On That Dreadful Day’, ‘Oxford Town’, ‘Paths Of Victory’, ‘Walkin' Down The Line’ en ‘Playboys And Playgirls’. Practisch allemaal protestsongs, waarvan de meesten nooit door hem zouden worden opgenomen voor Columbia. De demo van ‘Tomorrow Is A Long Time’ wordt later uitgebracht op The Genuine Bootleg Series, Vol. 1En ook voor Witmark neemt hij een achttal demo’s op. Het geeft aan in welk tempo de nummers uit zijn pen vloeiden.   Op 14 december werd de sprankelende opname van ‘Mixed Up Confusion’ uitgebracht als Bobs eerste single. Het klonk als een nummer van Elvis Presley – en flopte. COL. 4-42656’Mixed Up Confusion’/Corrina Corrina’ werd al snel terug ingetrokken door CBS. Nu de opnamen klaar waren, Suze in Italië en de Kerstvakantie voor de deur, greep Bob een uitnodiging aan om alles achter zich te laten en naar Engeland te vliegen voor een rol in een toneelstuk dat op de Britse televisie zou komen. Dit onwaarschijnlijke idee was opgekomen bij de Britse regisseur Philip Saville toen hij Bob had zien optreden in Greenwich Village.  Hij vond dat Bob geknipt was voor de van anarchistische student in Madhouse On Caste Street. Dylan zag er een uitstekende gelegenheid in om uit eerste hand kennis te maken met de oorsprong van de folk muziek.  Hij vertrok dan ook al op de 18de , om zo veel tijd te kunnen doorbrengen in de Londense folkclubs als de Troubadour, de King and Queen en de Singer’s Club. Daar trad hij op 22 december op. De oudere artiesten daar waren Ewan MacColl (auteur van ‘Dirty Old Town’ en ‘The First Time Ever I See Your Face’) en zijn vrouw Peggy Seeger (halfzuster van Pete). Het waren allebei erg principiële traditionalisten die Bob weinig vriendelijk ontvingen.  Bob knoopte een vriendelijker contact aan met folkzanger Martin Carthy, van wie hij Engelse tradionals als ‘Scarborough Fair’ en ‘Lady Franklin’s Lament’ leerde. Wanneer zijn geld opraakt mag hij bij de Carthy’s thuis slapen. Via Martin Carthy maakt hij ook kennis met andere zangers als Bob Davenport en Nigel Denver. Die leert hem Domonic Behan’s ‘The Patriot Game’ dat Dylan verwerkt tot ‘With God On Our Side’. Bob houdt zijn oren goed open en neemt al die melodieën in zich op als een spons.Doordat hij zijn zelf gschreven nummers wil spelen in de clubs waar enkel de originele folksongs worden geduld, komt hij al snel in aanvaring met traditionalisten als Ewan MacColl en Nigel Denver. Wanneer hij Kirsty MacColl, zo’n 23 jaar later ontmoet weet hij het nog altijd: "Jouw vader vond me maar niks."  Op de voorlaatste dag van het jaar gaan de opnamen voor het BBC stuk van start. "We merkten al snel dat hij zijn tekst niet kon onthouden. Hij wou zijn tekst zelf  verzinnen" herinnert Philip Saville zich. Bovendien was hij erg slordig in zijn afspraken, kwam te laat voor repetities en muisde er regelmatig van onder om wat te gaan roken. Ten slotte moest een andere acteur worden ingehuurd om de lange anarchistische toespraken af te steken en werd Bobs rol ingekort tot het zingen van enkele nummers.  De opnamen worden de vierde januari afgerond, waarna Bob naar Rome vloog om er Grossman op te zoeken die er met Odetta op tournee was. Maar eigenlijk was het Suze die hij zocht. Ironisch genoeg was die de 13de december terug op de boot gestapt om vijf dagen later voet aan wal te zetten in New York. Net op het moment dat Dylan de andere kant uit vloog.  Tijdens zijn verblijf in Rome schreef hij twee van zijn mooiste liefdesliedjes, waarbij hij voor beide nummers vrijelijk gebruik van de melodie van ‘Scarborough Fair’. ‘Boots Of Spanish Leather’ ging duidelijk over Suze, maar het onderwerp van ‘Girl Of The North Country’ was een mengeling van alle verloren liefjes waarnaar hij terug verlangde: zowel Suze, als Echo Hellstrom en Bonnie Beecher. Want hoewel Bob Suze beslist miste, had hij andere flirts niet afgezworen. Hij was een romanticus, gek op vrouwen. Vrouwen, van hun kant, vonden hem erg charmant, waardoor hij een onverbeterlijke versierder werd.  Bob vloog op 12 januari terug naar Londen en nam twee dagen later deel aan een dronken sessie met zijn vrienden Eric von Schmidt en Richard Farina, die in de kelder van een platenwinkel aan Charing Cross Road een plaat opnamen. Bob dook op met een tas vol flessen Guinness. Later op die avond was hij in de Troubadour zo dronken dat hij bijna van het podium viel.  

De zestiende vliegt hij terug naar New York, waar hij eindelijk terug wordt herenigd met Suze. Hij slaagt er zelfs in haar te overtuigen terug het appartement te delen met hem, hoewel ze zelf eerder een LAT-relatie verkoos.

Ze merkte al snel dat ze terug in de benauwde relatie terecht kwam die ze meer dan een halfjaar lang ontvlucht was. “Toen ik uit Italië  terugkwam, was ik omringd door allemaal mensen die ik niet kende, maar die wel in mijn privéleven binnendrongen.” 

 Ondanks haar vrees om door Bobs roem te worden verstikt, ging Suze ermee akkoord met hem te poseren voor de hoes van Freewheelin’. Het beeld van Suze die zich tegen Bobs schouder aanvleit terwijl ze in het late licht van een winterse namiddag over de besneeuwde straatstenen van Greenwich Village ploeterden, werd een van de meest gedenkwaardige hoezen van de jaren zestig. “Misschien zou niemand ooit hebben begrepen waar die nummers over gaan als die hoes (van Don Hunstein) er niet omheen gezeten had,” vertelt ze. “Weet je, het verhaal zit in de liedjes. Ieder nummer dat hij ooit over mij heeft geschreven. Het zit er allemaal in.” Om terug op een goed blaadje te komen bij Suze begon hij weer protestsongs te schrijven. Zo werd ‘Nottamun Town’, dat hij in Londen had geleerd, bewerkt tot ‘Masters Of War’. Het maakte grote indruk, toen hij het voor het eerst speelde, de maandag na zijn terugkeer, in zijn thuisbasis: in Gerde's Folk City.  broadside ballads

Enkele dagen later neemt hij dat nummer ook op voor Broadside. Twee andere protestnummers, ‘Only A Hobo’ en ‘John Brown’ worden door het tijdschrift uitgebracht op de plaat Broadside Ballads. Op deze Folkways LP, uitgebracht in de zomer van 1963, staan ook ‘Talkin’ Devil’ en Happy Traum’s versie van ‘Let Me Die In My Footsteps’ met Dylan als backing zanger.

Op 8 februari wordt de zogenaamde "Banjo Tape" opgenomen in de kelder van Gerde's Folk City. Bob Dylan wordt daarop begeleid door Happy Traum (op banjo). Van de twaalf songs worden er later drie uitgebracht op één van de eerste bootlegs, A Rare Batch Of Little White Wonder: ‘Farewell‘, ‘All Over You‘ en  een cover van ‘Keep Your Hands Off Her van Huddie "Leadbelly" Leadbetter. Ter promotie voor de op handen zijnde plaat geeft Dylan in februari een interview aan Nat Hentoff voor Playboy. Als wederdienst schrijft die de liner notes voor de achterzijde van de LP.  Van de in maart, in de kantoren van Witmark Music opgenomen demo’s, wordt ‘Walkin' Down The Line’ uitgebracht op The Bootleg Series, 1961-1991, terwijl ‘Farewell’ en ‘Long Time Gone’ te horen zijn op The Genuine Bootleg Series. En ook in april nam hij weer een viertal demo’s op voor  Witmark: ‘I Shall Be Free’, ‘Bob Dylan's Blues’, ‘Bob Dylan's Dream’ en ‘Boots Of Spanish Leather’. Op 12 april 1963 vond Dylans eerste belangrijke soloconcert plaats in de Town Hall in New York. Hoewel de 900 plaatsen niet uitverkocht waren, was het optreden een groot succes. Zeker voor iemand van wie de doorbraak LP nog moest uitkomen, het debuut was gezonken als een baksteen en die achttien maanden eerder nog geen vijftig man bij elkaar kreeg voor een Carnegie Hall Recital. Opvallend is dat vrijwel alle nummers eigen composities zijn en dat slechts een handvol daarvan zouden verschijnen op zijn op handen zijnde plaat. Een van die nieuwe is ‘With God On Our Side’. Zoals altijd tegendraads, brengt hij geen enkel nummer van zijn eerste plaat, laat ‘Blowin’ In The Wind’ achterwege  en sluit af met een lang gedicht, ‘Last Thoughts On Woody Guthrie’. Het was een eerbetoon aan zijn held, maar ook een symbolisch afscheid  slot van het hoofdstuk uit zijn leven waarin Guthrie zijn gedachten beheerst had.

Zijn zelfvertrouwen, dat er al sinds zijn optredens met schoolbandjes was geweest, ging nu gepaard met een volwassen podiumact en een goede eigen songs. Het was opeens reuze opwindend om hem zo op het podium te zien staan.  

 

bobdylaninconcert
 Het concert werd door Columbia opgenomen voor een mogelijke live-LP, mocht Dylan wat om materiaal verlegen zitten. De live plaat werd onder de titel, Bob Dylan In Concert voorbereid voor Kerstmis 1964.  De acetate bevat een mengeling van opnamen van het Town Hall concert (*) met latere opnamen van het concert in Carnegie Hall, op 26 oktober 26 1963 

  • Last Thoughts On Woody Guthrie *
  • Lay Down Your Weary Tune
  • Dusty Old Fairgrounds *
  • John Brown *
  • When the Ship Comes In
  • Who Killed Davey Moore?
  • Percy's Song
  • Bob Dylan's New Orleans Rag *
  • Seven Curses

Al verschenen er wel enkele uittreksels op compilaties: ‘Tomorrow Is A Long Time’ prijkt in 1972 op Greatest Hits Vol. 2. Deze versie was ongetwijfeld het hoogtepunt van het optreden. Vlak voor hij op moest had hij een stevig ruzie met Suze en hij bracht het tedere liefdeslied dan ook als een verontschuldiging voor haar.
 Verder verschenen ‘Who Killed Davey Moore?’ en  het lange gedicht ‘Last Thoughts On Woody Guthrie’ op The Bootleg Series Volumes 1-3 en het nog steeds officieel onuitgegeven ‘Hiding Too Long’ is terug te vinden op The Genuine Bootleg Series, Vol. 1. Het concert kreeg veel aandacht in de plaatselijke pers, met verslagen in Billboard, Variety en de New York Times.   Ondertussen waren, begin april, de eerste promotie exemplaren van The Freewheelin' Bob Dylan verstuurd naar radiozenders en recensenten aan de Oostkust.
  • Blowin’ In The Wind
  • Rocks And Gravel
  • Let Me Die In My Footsteps
  • Down the Highway
  • Bob Dylan’s Blues
  • A Hard Rain’s Gonna Fall
  • Gamblin’ Willie’s Dead Man’s Hand
  • Oxford Town
  • Corrina, Corrina
  • Talking John Birch Blues
  • Honey, Just Allow Me One More Chance
  • I Shall Be Free
  • Don’t Think Twice, It’s Alright
Maar de advocaten van Columbia maakten bezwaar. Ze vreesden de John Birch Society voor het hoofd te stoten en eisten dat het nummer van de plaat werd gehaald. Het was Clive Davis, het hoofd van de platenmaatschappij zelf die het nieuws aan Dylan moest uitleggen. John Hammond was daar bij aanwezig. Dylan was woest: “Wat stelt dit voor? Wat bedoel je: de plaat kan niet uitkomen met dat nummer?” Dylan greep de gelegenheid echter aan om de selectie te versterken door enkele recente nummers op te nemen, in plaats van de nummers uit de eerste sessies, die inmiddels een jaar oud waren. Op 24 april 1963 trok hij daarom opnieuw de studio in om vijf nieuwe nummers op te nemen.  Grossman had inmiddels zijn slag thuisgehaald. Hoewel John Hammond officieel nog stond aangegeven als producer, was het in feite Tom Wilson, een 32 jarige zwarte jazz specialist die de leiding had. “Grossman haatte mijn vader,” aldus John Hammond Jr. “Misschien omdat mijn vader niet om het grote geld gaf. En Albert deed alles voor het grote geld.” De aanpassing gaf Dylan de kans te tonen dat hij alle thema’s van de folkmuziek meester was: de herinnering aan een verloren liefde (‘Girl From The North Country’), het verlangen naar het verleden (‘Bob Dylan’s Dream’) of het aan de kaak stellen van de machtigen (‘Masters Of  War’). Zowel ‘Girl From The North Country’ als ‘Masters Of War’ hadden elk zes takes nodig, waarvan de meetsen niet verder raakten dan een valse start. Daartussen werden drie takes van ‘Walls Of Red Wing’ (dat op The Bootleg Series (Rare & Unreleased) 1961-1991 terecht kwam en ‘Bob Dylan’s Dream’ opgenomen.Helemaal centraal in de drie uur durende sessie, stond ‘Talking World War III Blues’, zijn laatste talking blues. Het nummer  werd dan ook speciaal, ter plekke, geschreven om het gewraakte nummer te vervangen – en was trouwens ook veel grappiger. Van de vijf pogingen was alleen de laatste helemaal volledig.  De sessie vond in de voormiddag plaats omdat Dylan de volgende dag al werd hij zo’n 1 500 km verder verwacht, in Chicago. Daar trad hij op in The Bear – een club waar Grossman aandelen in had - en nog een dag later was hij er te gast bij de Studs Terkel Wax Museum show op Chicago WFMT radio. Van de zeven nummers die hij daar brengt zijn er vier nieuwe: ‘Farewell’, ‘Bob Dylan’s Dream’, ‘Who Killed Davey Moore’ en ‘Boots Of Spanish Leather’. In Chicago maakt hij kennis met Victor Maymudes, een medewerker van Grossman die zijn roadmanager zal worden en met de gitarist Michael Bloomfield. Die had zijn eerste plaat gehoord, vond hem maar niks en wou hem eens goed gaan uitlachen. Maar hij vond dat kereltje echt wel grappig en de twee besloten contact te houden.  Van daar trok hij naar Cambridge waar hij twee avonden optreed in het Café Yana in Boston. Hij gaat er ook kijken naar Joan Baez in de Club 47. Baez had hij een jaar eerder al ontmoet in Gerde’s Folk City. Maar toen had hij het te druk met het versieren van haar jongere zusje Mimi, om veel aandacht te hebben voor de “Queen of Folk”. Baez had echter een acetate van Freewheelin’ gekregen en “begon de kracht van de inhoud van de teksten te appreciëren.”

Na haar optreden gaan ze naar het appartement van Sally Schoenfield waar ze een paar plezierige uurtjes doorbrengen.

 Dylan moet terug naar New York, waar hij op 12 mei mag optreden in het druk bekeken en over het hele land uitgezonden TV-programma, de Ed Sullivan Show. Hij grijpt de kans om de confrontatie aan te gaan: hij kiest er voor ‘Talking John Birch Paranoid Blues’ te brengen. Wanneer hem dat zou gelukt zijn, had hij niet alleen de John Birch Society publiekelijk belachelijk hebben gemaakt, maar ook zowel Colulmbia Records als CBS TV te kakken hebben gezet.Tijdens de repetities in de namiddag kreeg echter hij te horen dat hij een ander nummer moest brengen. Zijn antwoord was merkwaardig kalm en afgemeten: “Neen, dit is wat ik wil doen. Als ik mijn nummer niet mag spelen, treedt ik liever niet op.” Hij had het duidelijk zien aankomen."Ik had iets anders kunnen spelen, maar we hadden dat nummer zo dikwijls gerepeteerd en iedreen had het gehoord. Zelfs Ed Sullivan scheen het goed te vinden! Maar net voor ik op moest, kwam er iemand naar me toe en zei dat ik het niet mocht zingen. Ze wilden me een nummer van de Clancy Brothers laten zingen! Dus stapte ik op." Ironisch genoeg deed de controverse over de duidelijke censuur meer goed dan als hij het nummer had gebracht in een TV programma. Nu kwam hij er uit als een rebel en held van de tegencultuur. Zowel de New York Times als Village Voice brachten het verhaal, terwijl Time en Playboy het vermelden in artikels over de folkbeweging. Dylan werd daarbij telkens aangewezen als de meest veelbelovende folkzanger. Hoewel door het Sullivan debacle zijn optreden op de nationale TV was uitgesteld, verscheen Dylan die zomer wel een paar keer op lokale zenders. In speciale folkprogramma’s voor WBTV en WNEW-TV bracht hij respectievelijk twee en drie nummers. Grossman had hem aangeraden om aanbiedingen van New Yorkse clubs af te slaan, hoewel de grotere zalen hem nog niet vroegen.  Als gevolg daarvan beleefde hij een frustrerende periode zonder optredens, wachtend tot de publiciteitsmolen van Columbia langzaam op gang zou komen.  Af en toe een radio-optreden hield hem scherp, maar het waren slechts bliepjes in Grossmans grote plan.  De week na de Ed Sullivan Show ontmoet hij Joan Baez opnieuw wanneer hij speelt op het Monterey Folk Festival in Californië. Baez komt er ‘With God On Our Side’ met hem meezingen – een hele eer. Baez is dan op het hoogtepunt van haar roem nadat ze in november op de omslag van Time heeft gestaan. Na het festival reisden Bob en zij langs de kust naar haar huis nabij het pittoreske plaatsje Carmel. “Joan was gek van hem,” volgens haar zus Mimi, “En zij gaf, zoals gewoonlijk, al haar aandacht aan datgene wat haar het meest beviel.”  Bob is nog bij Joan , wanneer op 27 mei The Freewheelin' Bob Dylan wordt uitgebracht.
  • Blowin’ In The Wind
  • Girl From The North Country
  • Masters Of War
  • Down the Highway
  • Bob Dylan’s Blues
  • A Hard Rain’s A-Gonna Fall
  • Don’t Think Twice, It’s Alright
  • Bob Dylan’s Dream
  • Oxford Town
  • Talking War III Blues
  • Corrina, Corrina
  • Honey, Just Allow Me One More Chance
  • I Shall Be Free

Door het toevoegen van de vier nieuwe nummers, ter vervanging van de oudste opnamen, was het Dylan's eerste sterke album geworden, met vijf klassieke nummers.  Het openingsnummer 'Blowin' In The Wind' zou de plaat in zijn eentje al een plek in de muziekgeschiedenis hebben opgeleverd.  De rest van de plaat was vulsel van zeer hoge kwaliteit. Uiteindelijk is het soort 'best of' geworden van één van de creatiefste jaren in zijn carrière. Het bracht een heel pak erkenning voor hem te weeg als songschrijver. Het is dan ook een collectie songs waarop Dylan trots kon zijn en nog steeds is. Tijdens elke tournee na zijn ongeval is hij er nummers uit blijven spelen.   De rijkdom van die periode blijkt ook uit het feit dat, naast de 37 (!) nummers die hij heeft opgenomen voor Columbia, er bovendien nog een tiental zijn die hij enkel ten behoeve van de muziekuitgeverij Witmark of het blad Broadside op band heeft gezet: 'Ballad For A Friend', 'Tomorrow Is A Long Time', 'Long Ago Far Away', 'John Brown', 'Long Time Gone'....   Achteraf kreeg Dylan last met enkele mensen die meenden dat de zanger wel erg vrijelijk gebruik had gemaakt van hun arrangementen van de traditionele melodieën. De oude folkznageres Jean Ritchie kreeg 5 000 dollar om alle eisen omtrent 'Masters Of War' van tafel te vegen en Henry Thomas kreeg mede-auteurschap toegekend. Dylan zou niet leren van zijn fouten want in de jaren negentig zou hij het nog eens aandurven om op World Gone Wrong voor alle nummers zich er van af te maken met "Traditional - arranged by Bob Dylan".     Grossman slaat toe Nu werd het tijd voor Grossman om zijn grote slag te slaan. Als één van zijn andere acts een hit scoorden met een Dylan-Witmark song, zou hij daar vier keer aan verdienen. Tel maar na: hij ontving voor beide acts een honorarium als manager; plus 25% van de opnamerechten van zijn act bij de platenmaatschappij, plus 50% van de inkomsten van Witmark voor de publicatie van een Dylansong.  Dus namen Peter, Paul en Mary een zoetige, melodieuze versie op van 'Blowin' In The Wind', keurig driestemmig gezongen. Al in de eerste week na het uitkomen van de plaat werden er onwaarschijnlijk veel exemplaren van verkocht: 300 000.  Op 13 juli 1963 bereikte de single de nummer twee in de Billboard-lijst met een verkoop van meer dan een miljoen. Peter Yarrow vertelde Bob dat misschien wel 5 000 dollar aan auteursrechten zou ontvangen. Bob stond perplex; het leek wel een fortuin. Maar het was Grossman die er echt rijk mee werd.   De breuk met Suze Eind mei was Bob inmiddels terug gevlogen naar New York en naar Suze.  Het duurde echter niet lang  voor de geruchten over zijn romance met Baez  haar bereikten. Mochten er nog twijfels zijn, dan werden die weggenomen tijdens het optreden op het Newport Folk Festival, in het derde weekend van juli. Met Peter, Paul and Mary's versie van 'Blowin' In The Wind' als hoogtepunt van de zondagavond, kreeg Dylan natuurlijk veel aandacht. Hoewel hij met Suze naar daar was gereisd trad hij twee keer met Baez op: eens tijdens zijn set en eens tijdens de hare.  Hoewel Baez wel moest geweten hebben wie Suze was (ze stonden immers samen op de hoes - arm in arm), kon ze het niet nalaten 'Don't Think Twice' aan te kondigen als: "Een nummer van Bob Dylan... maar het enige waartegen hij hierin protesteert, is een relatie die al te lang heeft geduurd." Suze liep weg en kon haar tranen maar moeilijk bedwingen.  De omstandigheden zijn niet helemaal duidelijk, maar Suze schijnt korte tijd later een zelfmoordpoging te hebben ondernomen in Bobs appartement. Ze liet het gas openstaan. Op vraag van Bob, komt haar zus Carla haar ter hulp en neemt haar mee naar haar appartement in het zuidoosten van Manhattan  Ze weigerde achteraf nog terug te keren naar Bob.  "Bob liet een spoor van vernieling na," vertelt Carla. "Bobby was in die tijd erg opgefokt."   Op tournee met Baez Mogelijk was de aanleiding Bob mededeling dat hij zou ingaan op de uitnodiging van Baez  om met haar op tournee te gaan, in augustus.   De tournee bestond uit een tiental optredens. In haar autobiografie schreef Baez, misschien wat neerbuigend, dat het een "geweldig experiment" was, om "mijn kleine zwerver het podium op te slepen".  Maar, hoewel Bob Dylan werd gepresenteerd als gast van Joan Baez, had Grossman weten te verkrijgen dat zijn cliënt meer geld kreeg dan de ster.  Baez  bracht 'Blowin' In The Wind', waarna ze de auteur van het nummer aan het publiek voorstelde. Dylan mocht dan een paar nummers solo brengen, waarna ze samen drie of vier van zijn nummers zongen.  Het hoogtepunt van de tournee werd het laatste optreden, in het Forst Hill Stadium in Queens, New York, voor 12 000 toeschouwers.  Ter ondersteuning werd 'Blowin' In The Wind'/'Don't Think Twice, It's All Right' als single uitgebracht. Maar die maakte niet meer veel indruk, na de hitsversie. Zeker niet omdat Peter, Paul and Mary ook een cover van 'Don't Think Twice, It's All Right' uitbrengen als hun volgende single.   Na de tournee brengen Bob en Joan enkele weken door in Grossmans nieuwe huis in Catskill Mountains, een goede 150 km ten noorden van New York, voor ze samen gaan wonen in het huis van Baez in Carmel Valley, Californië.   Tegen die tijd is The Freewheelin' Bob Dylan eindelijk de Billboard LP lijst binnen gekomen. De plaat blijft 32 weken in de hitlijst, met als hoogste notering een 22ste plaats. De verkoop van de plaat kwam traag op gang en het uiteindelijke succes is vooral te danken aan de belangstelling die is gewekt door de vele covers van mensen als Peter, Paul and Mary, Odetta en Joan Baez.  De officiële pers negeerde de plaat en in sommige folkbladen  werd de plaat zelfs ronduit negatief benaderd. Vooral omdat er allemaal eigen nummers op stonden en er dus werd afgeweken van de traditie.